Hieronder twee subpagina's

| Mes op de keel | Slot Honselersdijk |

 

 


Het "Hofje" van Honselersdijk, gezien vanaf de binnenkant.

Hieronder een ansichtkaart van de Dijksloot, later na demping de Dijkstraat.

Voorkant van de ansichtkaart

Achterkant van de ansichtkaart

Hieronder een aantal snelzoekers voor deze pagina:

De Wilde Zee  Slot Honselersdijk

 Welkom in het knusse dorpje Honselersdijk  Veteraan-tuinder Jan Penning

 Jan Barendselaan  Strenge winter in 1929: Melkauto op het ijs.

Tuinbouwleraar openlijk bespot om teelt tomaten

Gezicht van den Nieuwen Weg op het dorp   Ned. Herv. Kerk vlak voor de sloop

‘Sompig’ schooltje in 1963 onbewoonbaar verklaard. 

 CCWS raakt in 1943 gebouw kwijt aan de vijand.

De vroege Oranjes.  In vreemde handen.  De late Oranjes. 

 De nadagen van de Nederhof.  Verval en herstel. Cultureel erfgoed.  Het verdwenen dorpsplein. 

 Frederik Hendrik hield zeer veel van... Honselse Hervormde Gemeente. 

 Honselersdijkse schuilkerken.  Pieter Nap, een nieuwe predikant.

Van der Pot, eerste projectontwikkelaar.  Geschiedenis van tuinbouw uitgebreid in beeld.

Liever drie kerken in de buurt dan drie bioscopen.

 Dorpsrel bij opening van het gebouw Rehoboth in 1951.

Hoger platglas geeft in 1912 grotere tomatenoogst.  Hij loopt harder dan de Uiver.
 

Veel van onze verhalen komen uit:

 

Jan Barendselaan herinnert aan groot Westlander

Uit: Het Hele Westland
Editie: 9 maart 2006
Door: Martinus Duiventoren

Poeldijk wordt al sinds begin jaren vijftig van de vorige eeuw doorkruist door de Jan Barendselaan. Een belangrijke straat in dit dorp, die de nauwe kronkelige Voorstraat destijds in de vorm van een soort bypass ontlastte van het steeds drukker wordende verkeer. Een laan, die genoemd is naar een belangrijk man. Niet alleen voor Poeldijk, maar voor het hele Westland.

Jan Barendse, die in 1880 in Honselersdijk is geboren, heeft als opgroeiend kind nog geleefd in een tijd dat het Westland een vrijwel kassenloze, aantrekkelijke groene streek was. Zijn vader had dan ook een tuin met veel fruitbomen aan de Nieuwe Tuinen. Ook kweekte hij nog druiven zoals in de tijd van pastoor Verburch tegen een muur. Jan Barendse vestigde zich - na de lagere school en de tuinbouwschool - rond het begin van de eerste Wereldoorlog als zelfstandig tuinder op een tuin aan de Monsterseweg in Poeldijk. Op die tuin bevond zich ook een boomgaard. Verder kweekte hij aardappelen en uien. Teelten die in die jaren nog tot de belangrijkste in de streek gerekend werden. “Je haalt de nieuwe aardappelen niet meer", is nog een van de uitdrukkingen, die in het Westland in tuinbouwkringen opgeld doen. Ook op deze tuin had hij druivenmuren staan al verrezen er wel schuchter de eerste glasopstanden. Barendse, van wie al gauw bekend was dat hij een erudiet man was, werd vooral door Poeldijkers vaak om raad gevraagd. Op 34-jarige leeftijd werd hij gekozen tot voorzitter van de Fruit- en Groenten veiling vereniging Poeldijk, die in 1889 was opgericht. Hij ontpópte zich in zijn voorzittersfunctie als een voorman, die inzag dat bundeling van krachten van groot belang was voor het Westland.

Geen wonder, dat hij al drie jaar later -in 1917 - werd gekozen tot voorzitter van de Bond Westland, de overkoepelende organisatie van de toen twaalf Westlandse groenteveilingen. In 1930 trad hij toe tot het dagelijks bestuur van de Nederlandsche Tuinbouw Bond (NTB), dat later werd omgedoopt tot Centraal Bureau van de Tuinbouwveilingen in Nederland. In die functie maakte hij in de oorlogsjaren tot zijn afschuw mee, dat in augustus 1944 de voorzitter van dit bureau F. V. Valstar door het Silbertannecommando, samen met de Naaldwijker Voskamp werd vermoord. Barendse nam diens functie tijdelijk over. Hij hield zich liever met het wel en wee van het Westland bezig en spande zich met name in voor het bevorderen van de reclame voor groenten en fruit. De nadruk lag daarbij op het behoud van de destijds voor het Westland belangrijke, door hem zeer geliefde, maar helaas toch teruglopende druiventeelt.

Dat Jan Barendse tweemaal een koninklijke onderscheiding ontving - eerst ridder, later officier in de orde van Oranje Nassau - wekt geen verbazing als men weet, wat hij allemaal in het Westland tot stand heeft gebracht en dat het koningshuis daar zelf herhaaldelijk kennis van heeft kunnen nemen. Zo werd de Poeldijkse veiling bezocht door koningin Wilhelmina en prins Hendrik en koningin Juliana. Jan Barendse, die een belezen man was en ook een prettige schrijfstijl had, heeft twee publicaties het licht doen zien: een brochure over de geschiedenis van de Poeldijkse groentenveiling en het - in 1951 verschenen - befaamde boek: Hollands Tuin. Een titel, die het belang aangeeft, dat Barendse aan het Westland als tuinbouwstreek hechtte. Tot ver buiten onze landsgrenzen.

Dat was vlak voor zijn afscheid als voorzitter van zowel de veiling als de bond. Daarin laat hij zijn lezers kennis maken met de geheel andere omstandigheden, waaronder de bewoners van het Westland in de achttiende en negentiende eeuw werkten en leefden. De manier waarop de tuinen werden aangelegd, hoe men ze bewerkte en welke producten men teelde. Hij beschrijft daarin de geweldige inspanning, die de Westlanders zich moesten getroosten om de gronden geschikt te maken als tuinland. Hij heeft bij het schrijven gebruik gemaakt van gegevens, die hem onder anderen door zijn vader en grootvader waren verteld.

Het is een lust om te lezen, hoe hij het Westland van weleer beschrijft, bezaaid als het was met lusthoven, die van grote schoonheid moeten zijn geweest. “Vijvers, omzoomd met hout, maakten het vissen tot een genot en verleenden de streek een schoon en voornaam aanzien", zo lezen wij. “Komende en gaande deftige bezoekers met gevolg gaven haar levendigheid en sierlijkheid en zullen de bewoners van de dorpen zeker ook wat vertier en verdiensten hebben gebracht." Hij schrijft onder meer zich nog het een en ander te herinneren van de schoonheid van het dorpje Honselersdijk, waar hij destijds woonde. Hij heeft het dan over de Dijkstraat met de Dijksloot, die

toen nog overspannen werd door bruggetjes. Hij ziet nog langs de slootkant een rij iepen van respectabele omgang en hoogte staan. Ook weet hij dat Naaldwijk een prachtig marktplein had, met in het midden een mooie pomp, waaromheen het dorpsleven zich manifesteerde. Waar ook gelegenheid was voor feesten en waar de rondreizende kunstenmakers hun kunsten vertoonden. Het kon volgens Barendse - die zich in 1952 als veiling- en bondsbestuurder terugtrok ten gunste van zijn zoon Leen niet anders of deze schoonheid moest voor een groot deel worden opgeofferd aan de vooruitgang. “Tot welk “vandalisme” dit heeft geleid is dan ook voor ieder waarneembaar, maar... het kon niet anders", zo vergoelijkt hij dat. Het Westland moest immers door zijn geweldige expansiedrang binnen de benauwende grenzen van de dorpen treden om in de omliggende polders het vak te gaan beoefenen. Volgens Barendse is het Westland toch het bijzondere gebied gebleven, dat de interesse van vreemdeling en landgenoot steeds trok, omdat het de streek blijft van de grote mogelijkheden op cultuurtechnisch gebied en ook onder de veranderde schoonheid de aandacht ten volle verdient. En die woorden worden tot op de dag van vandaag nog steeds bewaarheid. Barendse overleed in 1958 op 78-jarige leeftijd. De Jan Barendselaan - die begin jaren vijftig nog door Barendse zelf voor geopend is verklaard - is inmiddels verkeersluwer gemaakt. Onder meer omdat het zware verkeer nu over de Rijssenburgerweg wordt omgeleid. Een laan met zowel woningen als winkels, die herinnert aan een van de grootste voormannen, die het Westland heeft gekend.

 

 

 
Jan Barendse verrichtte zelf de opening van de naar hem genoemde laan in Poeldijk,
rechts de toenmalige burgemeester K. L. J. Wouters  Foto: Historisch Archief Westland

Wilt U reageren op dit artikel:
Mail naar mduiventoren@yahoo.com

 

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4 september 2018
Door: Clemens Soszna

Zomaar een prachtig dorp uit het Westland van toe.

Welkom in het knusse dorpje Honselersdijk

Landerijen, visvijvers, schitterende tuinen, een jachtslot, fonteinen omgeven door prachtige beelden. Ja het was er allemaal in het fraaie dorp Honselersdijk ook wel genoemd als “Hontsholredick”. Maar ook vind men namen als Hunsel, Honshule, of Honsele. Het woord dijk verwijst naar een verlengde terp hierop bouwde de mensen hutten.

Honselersdijk is een dijkdorp. Na overstromingen in de twaalfde eeuw is langs de kleine Gantel een lage dijk aangelegd. Achter de dijk liepen een weg en een sloot. Langs deze weg is het dorp ontstaan. Voor de verbreding van de dijkstraat is de sloot in 1930 gedempt. In Honselersdijk lagen ooit buitenplaatsen met siertuinen en grote boomgaarden. De oudste en grootste buitenplaats was het Huis Honselaarsdijk van prins Frederik Hendrik. Aan de Dijkweg lag Broekvliet van burgemeester Pijnacker-Hordijk. Huize Endeldijk van de dichter Willem van der Pot stond aan. de andere kant van het dorp. Rond 1300 ging Willem I van Naaldwijk er wonen. Het slot had een kapel die gewijd was aan St. Hubertus, de patroonheilíge van de jacht. In het slot bleven de Heren van Naaldwijk er wonen tot 1496, en Wilhelmina van Naaldwijk ging er wonen.

Kasteel “Hontsholredick”
“Hof van Honselersdijk, een restant van het vroegere Huis Honselaarsdijk. Honselersdijk werd al genoemd in de dertiende eeuw. Het was bekend onder verschillende namen, maar werd ook wel het Huis te Naeltdwijck genoemd. Het was een vierkant gebouw niet twee achtkantige torens, gedekt door een zadeldak. Kort voor prins Frederik Hendrik hier zijn nieuwe paleis Honselersdijk begon te bouwen werd het oude gebouw afgebroken, met uitzondering van twee torens. Deze werden in het nieuwe paleis opgenomen. Overigens schijnt Prins Maurits, de oudere broer van Prins Frederik Hendrik, nog van dit oude slot gebruik te hebben gemaakt. Dit buitenverblijf van de heren van Hunsel en Naaldwijk Het schilderachtige ”lusthuys”, reeds sedert de 13de eeuw door de Heeren van Hunsel en Naaldwijk bewoond, werd door een uitgestrekt park omgeven. In 1795 werd het tot nationaal eigendom verklaard. In 1612 kocht prins Frederik Hendrik het kasteel Honselaarsdijk (hier gespeld als “Hontsholredick'}. Hij liet het aanzienlijk uitbreiden en verfraaien. Zo werden er, naar Frans model, verscheidene tuinen aangelegd met een totale oppervlakte van 88 ha. Het gehele complex werd dan ook wel aangeduid als 'klein Versailles'. Van dit complex resteert thans nog de in 1975/1976 gerestaureerde Nederhof.' De Nederhof is een bijgebouw van dit huis Honselaarsdijk' en gebouwd tussen 1640 en 1643. Frederik Hendrik 1584 - 1647 was de enige zoon uit het huwelijk van Willem van Oranje en Louise de Coligny, zijn vierde echtgenote. Op aandringen van zijn halfbroer Maurits huwde hij op 4 april 1625 met de hofdame Amalia van Solms 1502-1675.

Frederik Hendrik
Gedurende de ambtsperiode van Frederik Hendrik (1625-1647) voltrok zich in de Hollandse bouwkunst de diep ingrijpende omslag. Van de bouwactiviteiten van de Prins en zijn naaste omgeving bleven de vroegste en grootste projecten niet bewaard. Dit waren de kastelen Honselaarsdijk (1620-1644) Bij de aanleg daarvan werd het dorp Honselaarsdijk vrijwel geheel afgebroken en iets meer naar het oosten herbouwd.


 
 
Frederik Hendrik                                                                Amalia van Solms

 Prins Frederik Hendrik heeft eindelijk zijn besluit genomen, hij vertrekt met zijn gezin richting Westland. Hier op paleis Honselersdijk gaat hij zich vestigen. De prins gehuwd met Amalia van Solms. Het paleis werd gebouwd als een slot met drie woonvleugels, die een binnenplaats om sloten. De binnenplaats werd aan de vierde zijde afgesloten door een vleugel met een poortgebouw. Het slot moest een waar lustoord worden, omsloten door een prachtige gracht met fraaie paviljoens. Verschillende bekende bouwmeesters als Jacob van Campen hebben meegewerkt om paleis Honselersdijk te bouwen. Rond 1640 was Pieter Post hier werkzaam. Rondom het paleis Honselersdijk werd een grote tuin aangelegd in Franse stijl. De tuin rond het paleis werd omzoomd door een omwalling. Aan de voorzijde werd het geheel afgesloten door een muur, waarin een eenvoudige toegangspoort was aangebracht.

Hof herberg Het Wapen van Oranje
Herberg “lands welvaren (1660) stond nabij hel huis “Honselaarsdijk. De herberg was eerst in particuliere handen, maar werd later verkocht (1706) verkocht aan de Koning van Pruisen. De Pruisische koning Frederik I was een kleinzoon van Frederik Hendrik. Frederik betaalde 5600 gulden voor deze hof herberg. In 1754 kocht Anna van Hannover, moeder van prins Willem V, de Westlandse domeinen en de hof herberg en wijzigde de naam in “Hel Wapen van Oranje". In 1843 werd het een tapperij, maar nam het ook de herbergfunctie over. Moestuinen, met schitterende vijvers maakte van dit paleis een waar lustoord, wat moet Amalia samen met haar grote gezin hier genoten hebben. Op het lustoord groeide prachtige gewassen, schitterende witte zwanen zwommen rond op de mooi aangelegde vijvers. Zeer fraaie borders omzoomden dit juweeltje, het fraai gestileerde gebouw vormde zo het aanzicht van geheel Honselersdijk, compleet aangelegd met mooie wandelpaden. Het vredige paleis lag in een mooi landschap omzoomd door landerijen, boerderijen en statige herenhuizen.




Het huis Honselaarsdijk

Frederik ontving er voorname hoge gasten, organiseerde feesten en jachtpartijen. Slot Honselaarsdijk (1683) dit samen met fraaie fonteinen, tuinen met vijvers en beelden aangelegd in geheel Franse Stijl. De lakei in livrei schonk neerbuigend nog maar eens bij, flonkerende glazen blonken in het zonlicht, met op de achtergrond dansende zwanen, dit alles maakte het droomplaatje van slot Honselersdijk compleet. Beste Jacob, wil jij de paarden aanspannen, want vanmiddag maak ik een rit langs het Hollands duin, de kinderen van Amalia verheugde zich er al op, wat een genot moet dit geweest zijn!

Bron: Nostalgisch Westland
Met dank aan gemeentearchief Westland

 

Veteraan-tuinder, Jan Penning
Veredelen vergt vooruitdenken en veel geduld

Door: Arjen van den Oever
Uit: Westlandsche Courant
Editie: Dinsdag 27 juli 2004

HONSELERSDUK
De gefaseerde overdracht van Penning Freesia doet Jan Penning goed. Hij heeft meer tijd en kan zich bezig blijven houden met één van zijn passies, produceren en verhandelen van fresia's en amaryllissen: "Aan vissen denk ik niet", vertelt de 65-jarige glimlachend. ”Er is op het bedrijf zoveel interessants te doen en te beleven." Jan Penning, die jarenlang samen met zijn broer Martien aan het roer stond van Penning Freesia, vervult nog steeds een plaats in de directie, zij het als adviseur. "De pluchen zetels zijn nu bestemd voor mijn zoon en neef;
Zo hoort het ook. De volgende generatie moet niet te laat de leiding overnemen. Dan worden ze meestal niet capabel genoeg. Als ze al niet vertrekken naar een ,ander bedrijf.

In ieder geval is Jan Penning zeer te spreken over zijn opvolgers. "ln de jaren negentig maakten we een dip door. Onder meer omdat de prijs van fresia's niet goed was. Juist in die tijd namen mijn zoon en neef de leiding over.
Ik zie een periode van tegenslag als het meest geschikte moment om verantwoording te krijgen. Als alles meezit, heb je geen goede leerschool. De .jongens moesten alert blijven, er boven op zitten, vooruit denken. "Het familiebedrijf plukt er nu de vruchten van, is de overtuiging van Penning. “Tegenslag is geen slechte zaak", vertelt hij strijdlustig. "Eens in de zoveel tijd komt het bij iedereen voor. Je leert je vrienden, je zakenrelaties goed kennen  Het kaf is dan zo makkelijk van het koren te scheiden. Als je de juiste mensen om je heen hebt, kom je altijd door een mindere tijd. Dat was bij ons zo. Een familie bedrijf heeft ook als voordeel dat de achterban sterk is. In dat geval sta je zelf ook sterker.”

Typisch
De onderneming die ten grondslag ligt aan Penning Freesia begaf zich aanvankelijk op de weg van glasgroente. “Mijn vader had een typisch Westlands bedrijf. Druiven, tomaten en als nateelt chrysanten in plaats van de tomaten. Hij keek om zich heen, ook buiten de sector. Als we een ketel moesten aanschaffen, ging hij naar de fabriek en nam hij mij en mijn broer Martien mee. Je krijgt zo een beeld hoef je zelf verder wilt.” Deze werkwijze van vader Penning was een directe aanleiding voor de omslag van teelt naar veredeling van fresia's die eind jaren zestig plaats vond. De amaryllissen volgden in de jaren tachtig  ”Veredeling had al lang onze interesse. Nieuwe soorten introduceren, daar wilden wij in verder.

Het is mooi als een nieuw product aan je verwachtingen voldoet, maar dat gebeurt natuurlijk lang niet altijd.
Onze fresia Purple Rain is een goed voorbeeld. Iedereen zag het als een product dat door de donkere kleur nooit een grote afzet zou halen. ”Penning kan een lach niet onderdrukken. “Hij wordt zo goed verkocht dat het een top-10 bloem is. De onzekerheid over wat de toekomst brengt is in het geval van Jan en Martien Penning juist een factor geweest die hen aansprak. “Veredelen is lange termijnwerk. Het vergt vooruitdenken en veel geduld want de eerste vier, vijf jaar is er geen resultaat. Het duurt tien jaar voor de bloem er is en als het aanslaat, is het niet meteen leverbaar in de grote aantallen waar de handel dan vaak naar vraagt. Toch moet je iets opzetten dat door de markt wordt aanvaard en de tuinder een goede boterham oplevert. Die wisselwerking, gecombineerd met marketing om de bloem te promoten is mooi.”

Mede om de promotie te versterken is bij Penning Freesia een demonstratie kas aangelegd waar Het hele assortiment fresia's en amaryllissen te zien is. Zowel telers als exporteurs doen geregeld de kas aan, aldus Penning. "Telers moeten tegenwoordig precies weten waar ze aan beginnen. De productie neemt zulke grote vormen aan dat tuinders zich geen misser kunnen veroorloven. De opzet van demonstratiekassen is een goede ontwikkeling waar deze generatie de juiste waarde aan hecht.” 

Groeiversneller
Ontwikkeling, ook op gebied van kennis, ziet Jan Penning tevens als groeiversneller voor de tuinbouw in de regio. "Uitwisseling van kennis tussen de bedrijven heeft een heel belangrijke rol gespeeld. Dat is trouwens versterkt doordat hier zeer veel bedrijven zijn gevestigd. Er is centrumwerking. Ondernemers drijven elkaar op wat vooruitgang oplevert.” Of ze kopen elkaar op. Over de schaalvergroting besluit Jan Penning: "Op zich zijn grotere bedrijven wel een goede zaak. Voor bulkproductie zal het noodzakelijk zijn Maar ik denk niet dat kleinere telers helemaal verdwijnen. Die blijven hard nodig om speciale producten een speciale kwaliteit op de markt te brengen. Daar zal altijd goed te handelen zijn. De vraag zal weliswaar nooit groot worden, maar de niche bloemen blijven wel degelijk in een behoef te voor zien."

 

 

Strenge winter in 1929: Melkauto op het ijs

Door: Aad van Holstein
Uit: Ouder Westland (Weswtlandsche Courant)

Zo gauw als het weer wat winterse trekjes vertoont, komen bil vooral de oudere Westlanders weer veel herinneringen opborrelen aan de strenge winters van vroeger. Winters die niet meer te vergelijken zijn met die kwakkel winters van nu. Een tijd waarin er in de huizen nog in de verste verte niet op gas, maar op hout en kolen werd gestookt. Waar fornuizen gezellig snorden en waar in de voorkamers achter mica ruitjes haarden op antraciet vurig stonden te gloeien. Vanzelf komen dan ook bijzondere beelden naar boven uit de diepgevroren jaren twintig, dertig en veertig waarin je 's morgens dik ingepakt naar school ging, om eerst in de hevige kou op het schoolplein met je klompen aan in de sneeuw en in de rij te moeten wachten tot de schoolbel ging. Als het heel erg koud was, mocht je soms zonder al die discipline naar binnen, maar als je dan tenslotte kleumend en met tintelende vingers het klaslokaal had bereikt, was vaak de nauwelijks kind hoge kachel nog maar net door de ijverigste leerling van de klas aangestoken. Hij mocht ook de kolenkitten met eierkolen vullen, ze sjouwen en de brandstof tenslotte op het net aangemaakte vuur gooien.

IJsvrij
Centrale verwarming? Nooit van gehoord. En dan het fenomeen ijsvrij. Als het al te koud werd en er te veel moest worden gestookt, werden de kinderen in verband met de brandstofschaarste vaak maar naar huis gestuurd, zoals in de strenge winters vooral in en vlak na de oorlog het geval was. Heerlijk al schaatsend rondzwerven over de bevroren slootjes in het Westlandse kassenland. Later werd er ook wel eens een dag ijsvrij gegeven. omdat het steeds minder voorkwam dat je kon schaatsen of in de sneeuw spelen.

Er stonden in die tijd ook nog geen auto's bij je voor de deur Dus als je ergens heen moest, kon je lopen of fietsen en werd je wel veel meer dan nu met je neus op de winterse feiten gedrukt. Een enkele Westlandse tuinder in goeden doen had een auto, maar meestal waren het de middenstanders die zich op een wat ruimere schaal een gemotoriseerd vervoermiddel konden veroorloven. Zoals in Naaldwijk taxibedrijf Bellersen, dat in de Molenstraat een fraaie Citroen (traction avant) voor de deur had staan Daarmee brachten Bellersen en zijn zoon Frans zijn klanten - het bedrijf heette Beltax - a la minute naar de plek waar ze moes- ten zijn. Paardenwagens waren echter nog geruime tijd na de oorlog in zwang (de groenteboer en melkboer met beiden de naam Van der Ende, in Naaldwijk waren voorbeelden) ook al reden er al in de jaren twintig in het Westland steeds meer auto's van vooral neringdoenden op de weg.

Gemotoriseerd
Een van die gemotoriseerde melkboeren was Leen Koppenol uit de Van der Goesstraat 15 te Honselersdijk. Hij reed als eerste melkboer in het Westland met een melkwagen door het dorp om zijn klanten te bedienen, gekocht bil Kine- sis in Delft. "In de strenge winter van 1928 op 1929", zo weet Chris Koppenol uit Monster te vertellen, "reed mijn vader met zijn melkauto zelfs op het ijs" Als bewijs daarvan heeft hij een foto, die gemaakt is bij de Vlaardingse Schouw op 21 februari 1929 aan de krant ter beschikking gesteld. - Het ijs - dat een meter dik was - moet wel uitzonderlijk sterk geweest zijn, want de auto zat ook nog eens vol met passagiers. Volgens de heer Koppenol werd hen gevraagd in de auto plaats te nemen om zo gemakkelijker onder de bruggen door te kunnen rijden. Dat deze foto bil de Vlaardingse Schouw werd gemaakt, is geen toeval. Sinds mensenheugenis wordt immers vanuit het Westland, bil langdurige vorst, naar Vlaardingen geschaatst. Dat is een gewoonte, die tot op de dag van vandaag - mits het goed gevroren heeft en het ijs sterk genoeg is in stand wordt gehouden. Koppenol vertelt, dat ook destijds al naar Vlaardingen werd gereden.

"Als bewijs dat het doel gehaald was, werd bil de bakker in de Hoogstraat een zak 'Vlaardingse moppen' gehaald. De schaatsers knoopten ze dan vaak in een grote, rode boerenzakdoek om hun middel. Zo konden zij bewijzen dat ze daar geweest waren" Een andere zeer populaire maar wel wat langere streekschaatstocht was die naar Gouda, waar Goudse pijpen werden gekocht. Dat waren hele dunne pijpen van wel dertig centimeter lang en erg breekbaar. Dus als je zou vallen, zouden ze het niet overleven. Koppenol: "Je werd als een held binnengehaald, als je erin slaagde die heel in het Westland te brengen"

Foto:
Met de melkauto het ijs op in 1929. De man met hoed is eigenaar Leen Koppenol, rechts naast hem zijn broer Willem van de Endeldijk. In de (laadbak zit hun broer Dirk. Links van Leen Koppenol op de schaats de heer Van der Maarel. Rechts naast Willem tuinder Dangerman van het Poeldijksepad.

 

 

 

Uit: Ouder Westland (Westlandschecourant)
Door: Aad Holstein
Datum: 1997
Editie: 17-04-2004

 

Tuinbouwleraar openlijk bespot om teelt tomaten.

 

De tomaat mag dan voor het eerst in 1891 serieus zijn gekweekt door tuinder Camfferman uit  Naaldwijk, het heeft nog geruime tijd geduurd voordat deze teelt in Nederland gemeengoed werd.
Tuinbouwleraar Claassen wist daar rond 1900 over mee te praten. Hij ondervond in het Westland de nodige weerstand. In 1914 was het echter toch een hoofdteelt.



Op het tuinbouwbedrijf Nieuw Honsel in Honselersdijk werden betonnen kassen gebouwd,
die hier van ramen worden voorzien.

In 1897 begon tuinbouwleraar C. H. Claassen, die zich een jaar eerder in het Westland had gevestigd, in twee kleine druivenserres proeven te nemen met tomatenteelt. Camfferman had al eerder mooie tomaten gekweekt, maar hij kreeg ze niet verhandeld. Claassen Wilde het opnieuw proberen en ging enthousiast van Start. Van tuinder P. van Ruijven, voorzitter van de afdeling Poeldijk van de Vereniging Westland, kreeg hij genoemde ruimte tot zijn beschikking om deze geheel nieuwe teelt maar eens te proberen. Eigenlijk zouden in de kassen nieuwe druivensoorten worden beproefd, maar de eigenaar vond het goed dat er een proef met tomaten voor in de plaats kwam. Maar er was wel een belangrijke voorwaarde: Claassen moest daarvoor zelf maar in de serres gaan werken. Daar had Van Ruiiven geen zin in. Claassen vond dat helemaal geen probleem en ging meteen aan de slag volgens een teeltmethode die hij van de Britten afkeek. Hij behaalde daar zelfs nog mooiere resultaten mee dan de pionier op dit gebied in het Westland, de Naaldwijker Camfferman. De planten waren behangen met de mooiste vruchten. Maar ook Claassen had moeite met de afzet. De kooplieden aan de veiling hadden veel meer oog voor groene pruimen en voor uien, waar in de nazomer meer vraag naar was dan naar het zomerse product tomaten. Ze vonden het bovendien maar een vreemd product en hoewel de tomaten op zich van hoge kwaliteit waren, leverden ze dus eigenlijk niets op.

Bespot
De tuinbouwleraar werd min of meet bespot met zijn teelt. Dat kwam vooral tot uiting in een  ledenvergadering 1897-1898 van de afdeling Poeldijk van de Vereeniging Westland, toen iemand zelfs zei, dat 'Claassen, die tuinders tot zulke teelten verlokte, in een zeker gesticht te Loosduinen thuishoorde‘. Deze spreker, ook niet de eerste de beste, kreeg in die vergadering zelfs van luid trappelende en applaudisserende leden donderend bijval. Zo weinig werd toen nog in de toekomst van de tomaat geloofd. Dat de tomaat uiteindelijk toch heeft gezegevierd, kwam vooral doordat in de latere jaren in de nieuwe druivenkassen een tweede teelt nodig bleek om ze winstgevend te houden. Daar kwam bij, dat de tomaat in Engeland zeer gewild was. Dat in het Westland de tomatenteelt later de boventoon is gaan voeren, komt mede door C. van den Berg, - die na zeventien jaar in Oost-Indië te zijn geweest - naar Honselersdijk terugkeerde en daar een grote druivenkwekerij opzette: Nieuw-Honsel. Hij teelde daarbij de tomaten in zijn nieuwe kassen als voorvrucht, zocht Contact met Engelse groothandelaren en slaagde erin ze af te zetten. Dat lukte hem omdat de aantallen konden worden gecompleteerd met de oogsten van andere tuinders, zodat het aanbod toch voldoende was.
Zo kon hij in 1902 de eerste proefzendingen naar Engeland sturen. Een jaar later verliep de verzending al beter en er ging in totaal 7000 pond tomaten naar de overkant. In 1907 was dat al duizend pond meer. Geleidelijk aan werd de export opgevoerd tot 200.000 pond uit zijn eigen bedrijf plus de oogsten van anderen.

Verzenden
Van den Berg bemiddelde ook voor zijn collega’s bij de verzending van andere producten, zoals komkommers, meloenen, sla en vooral druiven van de soort Alieante en Colman. ln 1904 begon hij met het verzen den van druiven naar Engeland, in totaal 10.000 pond. In 1913 was dat gegroeid tot 170.000 pond. De tomatentelers konden dank zij deze ontwikkelingen hun product steeds meer via de veiling verwerken. Het ging ook om bijzondere tomaten, die in Engeland grote aftrek hadden. Zoals de Conguerout, een gekartelde vrucht, die in 1898 door een Honselersdijkse teler naar de veiling werd gebracht. Drie jaar later kwam hij met de Eclips, een mooie gladde tomaat, die voor het eerst in een stookkas werd geteeld. Op 28 mei 1901 plukte hij de eerste tomaten en kreeg daarvoor aan de veiling veertien dagen lang zestig cent per pond, een flink bedrag in die tijd. Weer twee jaar later zette hij  voor het eerst tomaten in de natuur uit. Het soort was Sterling Castle. De opbrengst was niet mis, meer dan vijftien gulden per roe. Ook de kleine tomaat Deens Export werd met succes in de natuur geteeld.

Reclame
Jaren later besloot het Centraal Bureau van de Tuinbouwveilingen in Nederland een aanvang te maken met de reclame ter bevordering van het verbruik in eigen land. Een fonds voor dit doel werd aanvankelijk gevormd door de Bond Vereniging Westland en de Kring Loosduinen-Berkel en de Coöperatieve Rotterdamsche veiling. Een bijdrage waaraan een som was toegevoegd uit het reservefonds van de Groep Veiling verenigingen. De teelt breidde zich namelijk vrij snel uit, ook in andere streken van het land, zowel in het midden, als in het oosten en noorden. Maar de tomatenteelt is en blijft een kind van het Westland, voor zover het de teelt onder glas betreft, want die werd in de allerlaatste jaren van de 19e eeuw in het Westland ingevoerd. De verguisde Rijkstuinbouw leraar Claassen, die zich toch zo heeft ingespannen voor de Westlandse tomatenteelt, verliet al gauw na zijn debacle het Westland om directeur te Worden van het Marktwezen te Amsterdam.

 

 

Gezicht van den Nieuwen Weg op het dorp.

Uit: Het Hele Westland
Editie: 8 april 2006
Door: Martinus van Duivenvoorde
Foto's: Uit Het Hele Westland

Honselersdijk dankt zijn bekendheid aan het Hof Hondsholredijk, waarvan nog een klein deel bewaard is gebleven – en na veie jaren verwaarlozing - in de jaren zeventig is gerestaureerd. Prinses Margriet opende op 7 juni 1977 de fraai herstelde Nederhof. De naam Hofstraat in dit mooie Westiandse dorp, is daarnaar genoemd. Wie er nu woont of er wei eens komt, kan zich bijna niet meer voorstellen, dat voorheen al het verkeer vanuit Naaldwijk, dit punt passeerde. Ooit reed zelfs de Westiandse stoomtram door dit straatje van Honselersdijk. De tram kwam vanuit Loosduinen zo over de Nieuweweg aan puffen, zijn weg vervolgend langs de bekende Westlandse kwekerij Nieuw Honsel, reed dan door tot voorbij de Valburg en de Nederhof om zo via de Hofstraat en de Dijkweg naar Naaldwijk te rijden.

Dat is nog te zien op de foto ‘Gezicht van den Nieuwen Weg op het dorp', die als ansichtkaart dateert uit het begin van de vorige eeuw. De fotograaf moet ergens tussen de ‘Rolpaal’ en de ‘Valbrug’ hebben gestaan met de lens - compleet met het zwarte doek over zijn hoofd - gericht op het instituut, dat daar stond. Dat was enkele jaren lang een onderwijsinstelling voor de wat betere stand met weinig of geen leerlingen uit het Westland. Dat op die kaart staat dat het om Honselersdijk gaat is maar goed ook, want zonder deze zou Zelfs een oudere geboren en getogen Dijker nog moeite hebben het punt herkennen. In elk geval zullen velen ervan opkijken hoe lommerrijk het in die tijd in de Westlandse dorpen was en hoe kaal nu. Getuige de andere foto’s, die in 1963 en dit jaar (2006) zijn gemaakt. (Wie kan ons helpen aan deze foto’s ?)



De Nieuweweg zoals hij er in 1963 uitzag, met nog de tramrails achter de Nederhof om.



Foto uit 2006, ongeveer op dezelfde plaats genomen.

Vijfentachtig jaar lang heeft de tramlijn van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (WSM) tot het ‘gezicht op het dorp' behoord, maar is later van die weg afgeweken. Want de tram reed niet altijd tot genoegen van alle Honselersdijkers door de Hofstraat. Dat blijkt uit een bezwaarschrift van een invloedrijk inwoner van het dorp J. E. van der Trappen. Hij stuurde dat op 4 juni 1908 een bezwaarschrift naar de gemeente Naaldwijk. Daarin wees hij op de gevaren, die het rijden van de tram door een deel van de kom van Honselersdijk met zich bracht. Vooral in het gedeelte tussen de Valbrug en de Moriaansbrug (bij de Dijkweg) Zou de tram groot gevaar opleveren. In het bijzonder had hij daarbij de schoolgaande jeugd op het oog. Hij drong er bij het gemeentebestuur dan ook op aan maatregelen te nemen, waardoor het passeren van de tram door Honselersdijk ‘zo gevaarloos mogelijk wordt‘.

Hoewel de WSM directie zich al meteen haastte te verzekeren, dat alle veiligheidsmaatregelen waren getroffen en dat ze werden nageleefd (‘er zijn nooit ontsporingen voorgekomen’), blijkt uit de overlevering, dat de tram wel degelijk een keer uit de bocht is gereden en zijn weg heeft gezocht door de voorgevel van café De Sport. Hoe het ook zij, de veiligheidsmaatregelen werden verscherpt. Binnen de kom van Honselersdijk, een zeer bochtig gedeelte, mocht de tram niet harder meer rijden dan zes kilometer per uur. Buiten de kom niet sneller dan twintig kilometer per uur. Het zal een paar jaar later voor veel Honselersdijkers ongetwijfeld een opluchting zijn geweest te horen dat de WSM het traject door Honselersdijk toch maar ging wijzigen. Er zou een emplacement met station komen achter het Honselse Hof (of wat daar toen nog van over was) en de rails in het dorp zelf zouden worden opgebroken.

In 1911 is dit plan, in het kader van de verbetering van de trambaan tussen Poeldijk en Naaldwijk, ook daadwerkelijk uitgevoerd. Bij de Jan Evertsenbrug (in de volksmond en nota bene ook in enkele officiële stukken Jeneverbrug genoemd) kwam een spoorwegovergang naar het emplacement achter het Hof. Ook ter hoogte van de Strijplaan ontstond er zo een overgang over de Dijkweg. De foto, die de toestand in 1963 weergeeft, toont de spoorwegovergang nabij de Jan Evertsenbrug. Rechts van de Nieuwe Weg staan dan nog enkele van de oude huisjes, waarvan er verschillende toen al waren afgebroken. De passagiers van de WSM. die met de tram naar Poeldijk, Loosduinen en Den Haag de Nieuweweg passeerden, hebben in de jaren twintig de nieuwe Honselersdijkse veiling zien bouwen, die daar lange tijd de economie van het Westland heeft gevoed. Honselersdijk was in de negentiende eeuw het Westlandse dorp waar het veilingwezen zijn oorsprong vond.

 

 

CCWS raakt in 1943 gebouw aan de vijand kwijt.

Uit: Westlandsche Courant
Editie: 06-12-2003
Door: Aad van Holstein

In tijden van nood leert men zijn vrienden kennen.
Zo is het ook in 1943 - nu zestig jaar geleden - als de Centrale Coöperatieve Westlandse Snijbloemenveiling haar veilinggebouw geheel aan de bezetter moet afstaan. Zusterverenigingen zijn direct bereid de helpende hand toe te steken.

In oorlogstijd is het niet eenvoudig de veilingklok van de Centrale Coöperatieve Westlandse Snijbloemenveiling (CCWS) draaiende te houden. Al in 1941 moet het aantal veildagen teruggebracht worden tot drie. Het mooie veilinggebouw op de hoek van de Burgemeester Elsenweg en de Dijkweg ligt echter logistiek gezien op zo'n uitstekend punt dat een verdere beslaglegging niet kan uitblijven. Daar is, na de Duitse inval in 1940, heel wat aan vooraf gegaan. De Westlandse bloemenkwekers verkijken zich in het begin lelijk op het vermeende voordeel van de bezetting. Hun aanvankelijke hoop dat de export naar Duitsland er wel eens door kan verbeteren blijkt ijdel. Zeker voor de afzet van bolbloemen van tulpen, hyacinten en narcissen. Ze kunnen ze alleen nog maar op de binnenlandse markt kwijt.
En die is niet, wat men noemt, graag.
Daar komt nog bij dat in het voorjaar van 1940 na een uiterst strenge winter er een magere oogst aan bolbloemen is. De omzet van de veiling keldert zelfs met veertig procent. Later in dat jaar gaat het wat beter met de bloemenveiling, want de iets gunstigere exportmogelijkheden voor bloemen en een toch weer toenemende vraag in het binnenland zorgen langzamerhand weer voor enige verbetering. Maar de telers krijgen wel te maken met sterk stijgende productiekosten. Dat komt, omdat er steeds meer schaarste ontstaat aan bedrijfsbenodigdheden. Ook de teeltbeperking voor anjers en late tulpen is een handicap. Omdat er bovendien veel geld in omloop wordt gebracht, daalt ook nog eens de koopkracht van het betaalmiddel -papier en zinken munten- sterk. Daar komt nog bij dat in 1941 de omzetbelasting wordt ingevoerd. Die heeft voor de ondernemer ook de nodige nadelige gevolgen.

Onderdrukking
Het is duidelijk dat de Westlandse bloemenkwekers door dit alles in steeds grotere onzekerheid leven. Ondanks de utzonderlijke strenge winter van 1942 is er voor bedrijven ook maai een sobere toewijzing Van brandstof. Bolbloemen mogen niet getrokken worden en er geldt een strenge teeltregeling en een maximumprijsregeling. Wie daarbij nog allerlei moeilijkheden optelt voor de telers zelf, kan zich voorstellen hoe het leven in het najaar van 1943 is. De voeding is ronduit slecht en er is een tekort aan kleding en schoeisel. Het gebruik van gas en licht wordt drastisch beperkt en er is sprake van een geestelijke onderdrukking. Geen wonder dat daardoor de bloemenproductie een flinke knauw krijgt. Tact en voorzichtig beleid loodsen het veilingbestuur van de CCWS door deze moeilijke tijden. Zo weet het te voorkomen, dat personeelsleden van de veiling in Duitsland te werk wordt gesteld. Al wordt het wel met de dag moeilijker om het personeel daartegen te beschermen. Ook het draaiende houden van de veilingklok valt niet mee. Omdat de autobusdienst VlOS wordt opgeheven, kunnen de handelaren de veiling nog maar moeilijk bereiken. Als dan in het najaar van 1943 ook het nog niet gevorderde gedeelte van de veiling door de bezetter in beslag wordt genomen, moet het hele gebouw zelfs worden ontruimd en aan de militairen ter beschikking worden gesteld. Op dat moment manifesteert zich echter een grote solidariteit onder de Westlandse tuinders, die voorheen heus ook wel eens elkaars rivalen zijn geweest. De groenteveilingverenigingen Honselersdijk en Westerlee stellen spontaan ruimte beschikbaar voor het opbergen van de veilinginventaris. De veiling Naaldwjjk is direct bereid, ondanks het feit dat dit zeer hinderlijk is voor de eigen bedrijfsvoering, haar gebouw af te staan om ook het veilen van bloemen mogelijk te maken. Deze zeer op prijs gestelde gastvrijheid heeft geduurd van 1 oktober 1943 tot september 1945.

Gebrekkiger
Natuurlijk valt het inschuiven van de bloemenhandel in een drukke fruit- en groenteveiling niet mee. Zo kan een van de bloemenveilingen niet anders dan op zaterdag worden gehouden, een wel zeer ongeschikte dag voor handel in bloemen. Daar komt nog bij, dat de transportmogelijkheden steeds gebrekkiger worden, naar mate de oorlog langer duurt. Het veilen op zaterdag moet tenslotte worden opgegeven. Ook verschijnen er steeds minder bloemen voor de klok, gezien een vrijwel onuitvoerbare minimum prijsregeling die is ingesteld. Steeds meer telers gaan er toe over de bloemen maar zelf uit de hand te verkopen. Ondanks alles blijft het bestuur van de veiling op zijn post en houdt vast aan het beginsel, dat de CCWS in stand blijft tot de oorlog is afgelopen. Een van de moeilijkste vraagstukken, zo lezen wij in het boek 'Bloemen in het Westland' dat in 1948 is uitgegeven bij gelegenheid van het zilveren bestaan van de veiling en geschreven is door A. J. Hartman uit Den Haag, is het dagelijks transport van de bloemen. De bezetter beschouwt de enorme voorraden aan benzine in ons land als krijgsbuit en al gauw moet de CCWS twee vrachtauto's aanschaffen met gasgeneratoren. Secretaris-penningmeester H. Koers slaagt erin een vergunning te bemachtigen voor een vrachtauto op benzine, maar de hoeveelheid toegewezen benzine wordt steeds minder. Daar komt nog bij dat de wagens met gasgeneratoren weer incidenteel door de Duitsers worden gevorderd. Herhaaldelijk probeert de vijand de wagens definitief in handen te krijgen, maar dat weet Koers te voorkomen. De Duitsers komen op een dag zes keer bij hem thuis aanbellen om de auto's te vorderen. Ondanks argumenten en zelfs dreigementen laat Koers de wagens niet los. Hij weet ze voor de veiling op de weg te houden, maar als er eind 1944 geen enkele brandstof meer is, moet hij ermee stoppen. Ze zijn wel veilig opgeborgen, zodat ze later in deze honger winter weer van stal kunnen worden gehaald om dienst te doen in het kader van de voedselvoorziening door het Interkerkelijk Bureau. Nog een tijdlang kunnen de bloemen per paard en wagen naar Den Haag worden gebracht, maar dat is wel levensgevaarlijk als gevolg van de vele luchtaanvallen. Voor het transport naar Rotterdam wordt gebruik gemaakt van een peperdure schuit. Voor een lading van 5000 kilo moet maar liefst 1200 tot 1500 gulden neergeteld worden.

 

 



Klik op bovenstaande foto voor een groter formaat,
wij ontvingen hem van Dirk van der Eijk uit Maassluis.


Klik hier als u alles over Honselersdijk & Honselersdijkers wilt weten.

De hier onder staande geschiedenis komt van de website van Jan de Bruin,
klik op het bovenstaande logo "Alles over Honselersdijk & Honselersdijkers voor nog veel meer.

In de afgelopen decennia heeft Het Westland zich ontwikkeld tot het meest toonaangevende tuinbouw-gebied in de wereld. Honselersdijk is gelegen in het centrum van het Westland "de Glazen Stad". Een tuinbouwgebied dat kabinet en parlement typeren als "een nationaal glasbouw-centrum met internationale betekenis".

Op het Honselse grondgebied hebben zich eveneens vele nationaal en internationaal opererende bedrijven gevestigd. Een voorbeeld daarvan is Bloemenveiling Holland, waar meer dan 3000 mensen werkzaam zijn. U kunt de website van de Bloemenveiling bekijken om daarna te besluiten de veiling eens persoonlijk te bezoeken.

Honselersdijk ligt mooi centraal. Den Haag en haar regeringscentrum liggen op korte afstand. Rotterdam-Airport Zestienhoven en de Rotterdamse haven liggen op zo'n 25 kilometer afstand van Honselersdijk. Ook Amsterdam Airport Schiphol is goed te bereiken vanuit Honselersdijk (ongeveer 55 kilometer).
Honselersdijk heeft ook een rijke historie in relatie tot het huis van Oranje.



Hontsholredyk in 1712 volgens een kaart fragment van Kriukius

Er is al veel geschreven en onderzoek gedaan naar de geschiedenis van Het Westland.
In deze streek hebben zich in het verleden mensen gevestigd met een hoog maatschappelijk aanzien, die hun huis of buitenverblijf lieten verbouwen tot een waar lusthof. Het voormalige slot van stadhouder Frederik Hendrik in Honselersdijk was daar een mooi voorbeeld van.
Veel van deze pracht en praal is in de loop van de eeuwen verloren gegaan. Wat er over is gebleven wordt zo goed mogelijk onderhouden om ook ons nageslacht een blik te gunnen in het verleden.
Het Westland is vooral bekend als een streek met een rijke historie op het gebied van de glastuinbouw en alle bijbehorende producten en diensten. De gehele ontwikkeling en de gebruikte gereedschappen zijn te zien in het Streekmuseum te Honselersdijk dat absoluut een bezoek meer dan waard is. Als bron voor de beschreven geschiedenis op deze website van Het Westland, is voor een deel het in 1978 verschenen boekje, "Honselersdijk in de loop der eeuwen" gebruikt. Dit boekje is verschenen ter gelegenheid van het 50 jarig bestaan van de RK-kerk O. L. Vrouw van Goede Raad te Honselersdijk.


Een stukje tekst uit een oud krantenknipsel uit het eind van de 19de eeuw.
(De tekst is letterlijk overgenomen.)

"Een vorstelijke verblijfplaats uit ouden tijd te Hondsholredijk, naar een teekening van 1695. Dit aanzienlijke huis, even ten N. van Naaldwijk (Z-H), werd in 1612 door Prins Frederik Hendrik aangekocht, die het geheel liet verbouwen. Het schilderachtige" lusthuys", reeds sedert de 13de eeuw door de heeren van Hunsel en Naaldwijk bewoond, werd door een uitgestrekt park omgeven. In 1795 werd het tot nationaal eigendom verklaard en diende achtereenvolgens tot staatsgevangenis, hospitaal en kweekschool voor de scheepvaart. In 1814 verkocht men het oude kasteel voor afbraak en werd het grootendeels gesloopt. Een langwerpig gedeelte, het z.g. "Hof" , bleef echter bestaan en diende aan burgerhuisgezinnen tot woonplaats.
In 1830 werd de dorpsschool tijdelijk hierin ondergebracht. Het gebouw verkeert thans nog in goeden staat."



De dorpsschool (eigen foto)



Hierboven nog een oude prent van het Huis Honselersdijk.

 


De Vroege Oranjes

Frederik Hendrik 1584 - 1647 was de enige zoon uit het huwelijk van Willem van Oranje en Louise de Coligny, zijn vierde echtgenote.
Op aandringen van zijn halfbroer Maurits huwde hij op 4 april 1625 met de hofdame Amalia van Solms 1602-1675. Frederik Hendrik wordt wel de Stedendwinger genoemd. De naam Paleizenbouwer zou ook niet hebben misstaan. Naast het Huis Honselaarsdijk bouwde hij het Paleis Noordeinde, de Nieuwburch te Rijswijk en maakte hij een begin met het Huis ten Bosch, dat door Amalia van Solms te zijner ere werd afgebouwd. Daarnaast toonde hij veel belangstelling en zorg voor de kastelen van Breda, Buren, Dieren en IJsselstein. Van zijn moeder Louise de Coligny erfde hij de zin voor cultuur, kunst en bescha-ving, die heel sterk onder Franse invloed stond.
Het Huis Honselaarsdijk wordt wel het Klein Versailles genoemd, niet te verwarren met het huidige Versailles, dat gebouwd werd door Lodewijk XIV, de Zonnekoning.
In 1612 - na twee jaar onderhandeling - ging Frederik Hendrik over tot aankoop van alle Westlandse bezittingen van Karel van Aremberg voor de som van 360.000 gulden. Van 1621 tot 1631 heeft de verbouwing van het bestaande kasteel plaats door de toevoeging van twee vierkante hoekpaviljoens en twee galerijen, die de verbinding vormende met het oude kasteel. Op de plaats van de "Capelwerff", de voorburcht van het vroegere kasteel waar de stallen en dienstgebouwen stonden, wordt in 1641 de Nederhof gebouwd, bestaande uit drie hoekpaviljoens, twee galerijen en aan de noordzijde een muur. In 1643 wordt als spiegelbeeld van de Nederhof het Domeinkwartier gebouwd, bestaande uit vier hoekpaviljoens en drie galerijen, bestemd voor het personeel en de stallen. In 1646 worden de twee achtkante hoektorens van het oude kasteel, dus van het hoofdgebouw, vervangen door twee vierkante hoekpaviljoens, waardoor het gebouw zijn definitieve vorm kreeg.

De Nederhof wordt van 1646 tot 1648 aangevuld met een vierde hoekpaviljoen en een derde galerij, die aan de noordzijde. Daarin wordt de kapel ondergebracht. In deze galerij bevond zich ook het zeer luxueuze badkwartier. In de Nederhof werden de hoge gasten ondergebracht. Voor hen was in het eigenlijke hoofdgebouw geen plaats. In de jaren van bouw en verbouw zijn, mede ten behoeve van het transport van de vele bouwmaterialen de Nieuweweg aangelegd en het Nieuwe Water gegraven. De wegen naar en van Den Haag liepen vóór die tijd over Naaldwijk en Monster èn over Kwintsheul en Wateringen.


Willem II is als enige zoon op 27 mei 1626 te Den Haag geboren uit het huwelijk van Frederik Hendrik en Amalia van Solms.
Op 12 mei 1641 huwde hij met Maria Stuart I, dochter van Karel, koning van Engeland van 1625-1649.Hij bezocht zelden Honselersdijk, maar verbleef meestal te Dieren, waarheen de herten werden overgebracht. 

In oktober kreeg Willem II daar kinderpokken; een week voor zijn dood op 6 november 1650 werd hij naar Den Haag overgebracht.In de zomermaanden vertoefde de prinses royale nog wel op Honselersdijk, maar geleidelijk werden de dieren uit de menagerie, waaronder een beer, rijpaarden en jachtpaarden overgebracht naar Dieren.

 

Willem III is als enige zoon van Willem II en Maria Stuart in Den Haag postuum geboren op 14 november 1650. Meerdere malen vertoeft hij met zijn grootmoeder Amalia van Solms op Honselersdijk. Vanaf 1669 worden daar regelmatig bezoeken gebracht voor het houden van ontvangsten feesten en jachtpartijen.
Op 14 november 1677 huwt Willem III met Maria Stuart, dochter van Jacobus, van Engeland van 1685-1688. Het huwelijk blijft kinderloos.

Vanaf 1677 worden de interieurs van het huis Honselersdijk, aangepast o.l.v. de architecten Maurits Post, Johan van Swieten en Jacobus Romans.
Vele nieuwe schilderstukken maken het Honselersdijk, tot een waar museum. Ook aan de tuinen wordt alle zorg besteed. In 1673 verzoekt Willem III aan het Hoogheemraadschap Delfland de Oranjesluis te bouwen teneinde rond Huis en tuinen te Honselersdijk een betere doorstroming van het water krijgt. Onder zijn bestuur krijgt het oude Raadhuis van Naaldwijk een zeer fraaie nieuwe voorgevel in 1688. Boven de oude toegangsdeur wordt het wapen van Willem III aangebracht, maar toen was hij al koning van Engeland en ridder in de Orde van de kouseband.

In datzelfde jaar trekt hij op verzoek naar Engeland, verjaagt daar zijn schoonvader Jacob II om zelf op 22 februari 1689 gekroond te worden tot koning van Engeland. Bij die gelegenheid worden de koperen kaarsenkronen uit de kerk van Naaldwijk overgebracht naar de Westminster Abbey te Londen.
In 1691 keert Willem nog eenmaal terug naar Holland voor de totstandkoming van het verbond tegen Lodewijk XlV, koning van Frankrijk. Zijn komst naar Honselersdijk wordt een uitbundig gebeuren. Tengevolge van een val van zijn paard overlijdt Willem III op 19 maart 1702 te Hamptoncourt. Hij ligt begraven in de Westminster Abbey.

In vreemde handen.

Frederik, koning van Pruisen , 1702 - 1713. Na de vrij plotselinge dood van stadhouder-koning Willem III ontstonden moeilijkheden over de erfenis. Er waren twee gegadigden: Frederik I van Pruisen en Johan Willem Friso, resp. kleinzoon en achterkleinzoon van Frederik Hendrik, maar omdat Frederik I de zoon was van de oudste dochter van Frederik Hendrik, meende hij de oudste rechten te hebben.In 1702 brengt hij zijn eerste bezoek aan Honselersdijk. In 1706 koopt hij de herberg 's Lands Welvaren aan, dat na verbouwing de naam kreeg " Het Wapen van Oranje".
Het is het grote huis, schuin tegenover de Nederhof. Frederik I laat talrijke verfraaiingen aanbrengen, zowel in het huis als in de tuinen, en breidt de verzameling portretten sterk uit.
Als Johan Willem Friso naar Den Haag komt voor de definitieve regeling van de erfeniskwestie, verdrinkt hij bij Moerdijk in het Hollands Diep in 1711.
Bij de voorlopige regeling krijgt Frederik I alle Westlandse goederen toegewezen.
Frederik Willem I, koning van Pruisen 1713 - 1740.
In 1720 brengt Frederik Willem, bijgenaamd de Soldatenkoning, een vluchtig bezoek aan Honselersdijk. Geheel in tegenstelling tot zijn vader, die zeer kunstlievend was, doet Frederik Willem I weinig of niets aan het onderhoud. Hij is er op uit zoveel mogelijk voordeel te trekken uit zijn bezittingen en laat zelfs een groot deel van de bossen rooien. Kostbare schilderstukken en fraai meubilair worden afgevoerd naar Berlijn.
In 1732 wordt de erfeniskwestie definitief geregeld: alle Westlandse goederen vallen toe aan het Pruisische koningshuis.

   Frederik II de Grote, koning van Pruisen 1740-1754. De verwaarlozing van het Hof te Honselersdijk gaat mogelijk nog grotere vormen aannemen.

Het gehele complex is totaal verwaarloosd. In 1754 doet Frederik II afstand van al zijn bezittingen in de Nederlanden ten behoeve van Willem V, geboren in 1748 en kleinzoon van Johan Willem Friso.

Met deze overdracht is een bedrag gemoeid van 700.000 gulden, terwijl voor de oude meubelen op de Oude Hof in Den Haag en op het Huis Honselersdijk nog eens 5000 gulden extra betaald moest worden.

De late Oranjes.

Willem V, 1754 - 1795, geboren op 8 maart 1748 te Den Haag, was een zoon van Willem IV, en Anna van Hannover, ook wel Anna de Gouvernante genaamd. Zij koopt voor hem , hij was toen 6 jaar, de vroegere Oranjebezittingen aan voor een bedrag van 700.000 gulden.
Twee jaar later, in 1756, volgt de afbraak van het Domeinkwartier, de Orangerie en een gedeelte van de Nederhof, waarvan het sloop materiaal wordt verkocht naar 's-Gravenzande voor de vernieuwing van de buitenplaats Zuidwindt. In de zestiger jaren werden de restanten van de vroegere lusthof weer opgeknapt en bewoonbaar gemaakt voor prinses Carolina, zuster van Willem V, die gehuwd was met Karel Christiaan van Nassau-Weilburg. Ze moesten wel hun eigen meubelen meebrengen.
Willem V vertrekt in 1795 naar Engeland en hij sterft op 9 april 1806 te Brunswijk

In de Franse Tijd heeft het hoofdgebouw dienst gedaan als staatsgevangenis, militair hospitaal,
cadettenschool en opleidingsschool voor militairen.
Koning Lodewijk Napoleon is er verschillende malen op bezoek geweest.

    Willem VI 1813 - 1815 heeft weinig genoegen beleefd aan zijn bezittingen in het Westland, zijn inhuldiging als Heer van Naaldwijk, Honselersdijk en het Honderdland ten spijt.
In 1814 wordt een onderzoek ingesteld naar de toestand van de uitgewoonde gebouwen. Het besluit valt om het hoofdgebouw te slopen en het gehele bezit in kleine kavels te verkopen. In 1815 wordt het hoofdgebouw met de grond gelijk gemaakt. Gebleven is slechts een gedeelte van de Nederhof.

De nadagen van de Nederhof.

Na het ineenstorten van het Napoleontische rijk stond er bij Honselersdijk een droevige rest van wat eens één van de mooiste gebouwen van de Hollandse stadhouders was. Het paleis was meer dan een eeuw lang verwaarloosd en slachtoffer van een oneigenlijk gebruik. Het park met afzonderlijke siertuinen geplunderd en vernield. Reeds in de 18e eeuw was de vernieling begonnen. Toen is het westelijke complex van dienstgebouwen staande aan de Dijkweg gesloopt, waardoor de symmetrie van Jacob van Campens compositie verloren ging. 
De stenen van de sloop hebben gediend tot de bouw van de buitenplaats "Zuidwind" bij 's-Gravenzande.  Na de sloop van het paleis en de westelijke helft van dienstgebouwen tegen over de Valbrug, bleef er slechts een schamele rest over van de vroegere pracht en praal, niettemin bleven de Honselersdijkers het restant aanduiden als "het Hof" Links van het poortgebouw was de rentmeesterswoning, bewoond (gratis) door de rentmeester Johan David Nicolaas van der Trappen, een familie die nog gedurende de gehele 19e eeuw een invloedrijke rol gespeeld heeft in de gemeente Naaldwijk. Genoemde rentmeester heeft een zeer belangrijke en waarschijnlijk lucratieve rol gespeeld in de afbraak van het paleis en de liquidatie van het grondbezit. Hij zelf kocht de grond rondom het gesloopte paleis op en kocht het gedeelte van de Nederhof dat nu nog aanwezig is. In 1815 werd het rentmeesterskwartier(het voorfront links en rechts van de poort) grondig opgeknapt. De twee torens verloren daarbij hun bovenverdieping. Het badhuis, het noordelijk deel van het bouwwerk werd verbouwd tot arbeiderswoningen, wat ze bleven tot aan het tijdstip van onbewoonbaarverklaring.


Een foto genomen omstreeks 1900, toen de bewaarschool nog in het Hof (links) was gevestigd.

De omgeving van het Hof, met name de Hofstraat, ondervond mede de gevolgen van het tenietgaan van het Huis Honselersdijk. Hier stonden in de glorietijd gebouwen die een nevenfunktie te vervullen hadden, o.a. drie herbergen. Ze boden onderdak aan mensen die voor allerlei zakelijke aangelegenheden tijdelijk in Honselersdijk verbleven, doch niet in aanmerking kwamen om op het huis, of in de bijgebouwen verblijf te houden. Het waren in volgorde van hun betekenis: de Prins van Oranje, later 's Lands Welvaren genaamd. Het gebouw diende levens als rechtshuis. Na de Franse tijd verloor de herberg niet alleen de funktie van rechtshuis, doch ook die van herberg. Een tweede herberg was "De Moriaan", de voormalig ijzerwarenwinkel van J. Gardien aan de Hofstraat. Het is nog tot diep in de 19de eeuw een herberg gebleven. Tenslotte was er nog de herberg, nog in het begin 1900 als café "Sport" van Nederpelt aanwezig. In de twintiger jaren werd er de zaadhandel "Hollandia" in gevestigd. Westelijk hiervan stonden in de vorige eeuw nog enkele bescheiden en oude gebouwtjes, met een bijzondere bestemming. Eén er van was het schoolgebouw van de openbare lagere school annex onderwijzerswoning. Het tweede gebouwtje was het"schuthok". Dat was een ruimte, waarin loslopend en opgevangen vee "geschut" werd, in afwachting tot de betaling van een boete door de eigenaar er van. Het heeft tot 1893 daar ter plaatse gestaan. Enigszins achteraf stond nog een derde gebouwtje, de bergplaats van de brandspuit . Het stond blijkbaar wat moeilijk bereikbaar, want in de raad van Naaldwijk werd in 1875 een voorstel behandeld een nieuwe brandweerkazerne te bouwen naast het schoolgebouw, het zou dit laatste dan tevens tot steun kunnen dienen! Erg solide was het schooltje blijkbaar niet.

Op 12 mei 1826 verkoopt de rentmeester Van der Trappen het door hem bewoonde huis aan de kastelein-landbouwer Christoffel Boech, die het gedeelte wat zich langs de Hofstraat uitstrekte, inrichtte tot een boes of koestal. Drie jaren later in 1829 verkoopt hij deze boes echter weer en wel aan de gemeente Naaldwijk, om de bestemming openbare lagere school met onderwijzers woning te krijgen. Het oude schooltje was onvoldoende bevonden.

De openbare school bleef in de voormalige boes gehuisvest tot 1875 in welk jaar een nieuwe school gesticht werd aan de Dijkstraat op een perceeltje grond aangekocht van de heer W. Steenks. Het oude schooltje werd ingericht tot brandweerkazerne annex arrestantenlokaal. De hoofdonderwijzer bleef echter wonen in het meest westelijke deel van de voormalige boes. De hoofdonderwijzers bleven hier wonen tot er een nieuwe school met onderwijzerswoning gebouwd werd aan de Molenlaan. Voornoemde Boech wendt zich in 1834 tot de burgemeester van Naaldwijk met het plan het poortgebouw grondig te verbouwen. Bij het gemeentebestuur en bij de bevolking rezen hiertegen bezwaren. De twee klokken zouden verdwijnen evenals de tijdaanwijzing. De raad besloot de klokken en het uurwerk aan te kopen en op het dak van de school een torentje te bouwen waar een en ander weer een plaats zou kunnen vinden en Honselersdijk niet verstoken zou zijn van een openbare tijdsaanwijzing en een brandklok. Op minder duidelijke gronden is het plan niet doorgegaan en bleef de oude toestand gehandhaafd. Deze ingrijpende schending van het oude aanzien is de Nederhof gelukkig bespaard gebleven.

Een volgende aanslag was echter het schuin afsnijden van de zuidoosthoek van de zuidelijke hoektorens toen in 1883 de trambaan van de W.S.M. door de Hofstraat moest worden gewrongen. Deze schending is tijdens de recente restauratie gelukkig weer verdwenen. Niettegenstaande genoemde maatregel had de tram het in de Hofstraat toch nog wel eens moeilijk en ontspoorde nog wel eens. Eens reed de locomotief zelfs tegen de voorgevel van café Bij 't Hof. In 1912 verdween de trambaan uit de Hofstraat. 

Deze zakte daarna af van de Nieuweweg naar de Dijkweg bij villa Nova, het woonhuis van dokter Snellen van Vollenhoven, nu dokter Vader. Er werd een tramhaven gegraven om in de behoefte aan los- en laadruimte te kunnen voorzien. Het veilingwezen was stevig in opmars. Aan de Hofstraat was een nieuw veilinggebouw verrezen, later kisten fabriek van Bodegraven. De handel had er belang bij dat exportproduktie ter plaatse in spoorwegwagens kon worden verladen. De W.S. M. lijn die voorheen eindigde aan de Dijkweg te Naaldwijk, werd met een boog westelijk om Naaldwijk gelegd en doorgetrokken naar Maassluis, wat het overgangsstation naar het net van de landelijke spoorwegen werd. In de tuinbouw nam het gebruik van steenkolen en cokes sterk toe. Deze werden in spoorwegwagons aangevoerd en overgeladen in schuiten om zo de weg naar de tuindersbedrijven te vinden.
Ter gelegenheid van het graven van deze haven stuitte men op de fundering van het Huis Honselersdijk en daardoor mede op die van het oude kasteel van de heren van Naaldwijk. Helaas was toen de archeologische belangstelling nog zo gering dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden.

Wanneer in 1874 er een nieuw schoolgebouw aan de Dijkstraat gesticht wordt, gaan er stemmen op de vrijkomende ruimte te bestemmen voor een openbare "bewaarschool"
De bewaarschool te Honselersdijk bleef tot 1911 in het Hof gevestigd, in welk jaar de raadsmeerderheid besloot de kleuterscholen van gemeentewege geëxploiteerd, op te heffen.
De vrijkomende ruimte werd bestemd tot brandweerkazerne. Nog even terug naar Boech, de twee woonhuizen aan weerszijden van de poort waren in zijn bezit.

Deze transporteert ze in 1841 op zijn zwager Joh. de Bruin. Later komt het deel links van de poort aan Chr. van der Velde, verzwagerd aan de familie De Bruin. In de tweede helft van de eeuw als de Van der Velde's en De Bruinen als tuinders woningen stichten op hun tuinbouwbedrijven, raakt het bezit van de oude "paviljoenen" hoe langer hoe meer versnipperd. In 1926 tijdens de burgemeestersvakature van Modderman wordt aan de heer Lipman vergund er een fietsenwinkel in te vestigen, wat opnieuw een aanslag betekende op het aanzien van het oude poortgebouw.


Verval & Herstel.

Bij het ingrijpend sloopgebeuren van 1756 werden de zijvleugels van de Nederhof tot meer dan de helft ingekort. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het verval sterk toegenomen.
Pogingen in 1960 van het studentendispuut Tartaros uit Delft om gelden voor een eventuele restauratie in te zamelen hebben weinig tastbaar resultaat gehad.
Ten einde raad en met de bedoeling een beslissing te forceren heeft oud burgemeester J. de Bruin van Naaldwijk zich in verbinding gesteld met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist. Dit bezoek daar had tot resultaat, dat een restauratie van de Nederhof tot de mogelijkheden behoorde als de bestemming zou kunnen zijn gezinsvervangend tehuis. Onder leiding van architect Jan Walraad uit Brielle werd door het aannemersbedrijf Woudenberg uit Ameide in het jaar 1976 de restauratie ter hand genomen en voltooid.
Het architectenbureau Van der Gaag was belast met de aanpassing en de inrichting van het inwendige; het mag dan ook geen verbazing wekken, dat er ter wille van de bestemming concessies bij de restauratie gedaan moesten worden.  

Eind maart, begin april 1977 is de Nederhof betrokken door de 24 bewoners, die hier een riant onderkomen hebben, hun aangeboden door de Stichting Gezinsvervangend Tehuis Westland.
7 Juni 1977 heeft Prinses Margriet, nazaat van de bouwheer Frederik Hendrik, de Nederhof geopend door de onthulling van een wandschildering van Matthieu du Bus, de enige die uiteindelijk ter plaatse het verval heeft overleefd.
 

 

 

  

 

 

Bovenstaande informatie komt van de website:
Honselersdijk en de Honselersdijkers, van Jan de Bruin

 

Hieronder een paar afbeeldingen van Huize Endeldijk en Huize Stompersdijk.


Huize Endeldijk


Huize Stompersdijk.

 

 


‘Cultureel erfgoed’ wordt gekoesterd: 
‘Dit mag ‘t nageslacht niet missen’

Natuurlijk ligt er ook een originele veilingschuit in een echte Westlandse vaart.

Honselersdijk - Tuinbouw was en is de grote inkomstenbron in het verleden en in het heden van het Westland. Tegenwoordig is alles computergestuurd, maar ten tijde van onze opa’s, grootvaders en overgrootvaders ging het er allemaal heel anders aan toe. Op welke wijze er in de 17e eeuw en in de eeuwen die volgden komkommers, bloemen en druiven werden geteeld, is te zien in de Historische Tuin die vanaf vandaag, donderdag 18 mei, officieel is geopend. De Tuin maakt deel uit van het Westlands Museum. ‘Een cultureel erfgoed dat het nageslacht niet mag missen’, zo bestempelt museummedewerker Van Eendenburg de tuin die hij samen met zo’n tien vrijwilligers in twee jaar tijd heeft opgebouwd.

Een groene deur leidt naar het pad van het verleden.
Aan de linkerhand is een blauwe brug te zien, waaronder een veilingschuit ligt aangemeerd. De donkerbruine, platte schuit geeft aan hoe het transport in het verleden naar de talloze veilingen in het Westland verliep.

Aan de rechterhand is een overdekte ruimte die met recht het rommelhok wordt genoemd. ‘Als ik eens wat beter selecteer, zou hier niet zoveel troep staan’, aldus Van Eendenburg. Hij haast zich te zeggen: ‘Maar ik vind die oude spullen die we her en der vergaren nu eenmaal zo prachtig. Ik ben net een rat.’ Na vertederd naar de ‘rotzooi’ te hebben gekeken, volgt er een rondleiding door de schuur. ‘Het is een schuur die van oude planken is opgebouwd en waarbij ook de schaftkeet niet ontbreekt.’

Terwijl Van Eendenburg dit vertelt, struikelt de sportief uitziende veertiger bijna over oude, ijzeren schoffels, zonken gieters, houten kruiwagens en andere historische voorwerpen. Het is de bedoeling dat de schuur op den duur geheel in stijl wordt ingericht.

Hobbel.
‘Kijk, deze houten sorteerzeef is een hobbel’, zegt Van Eendenburg enthousiast. ‘Hiermee werden aan het begin van deze eeuw de kleine tomaten van de grote gescheiden.’ ‘En dit is een ijzeren lootbus die in de 18e eeuw dienst deed als nummertjesapparaat, loten om wie er het eerst voor de klok mocht. En weet je waar deze grappige stenen potjes, een soort van eierdopjes, voor werden gebruikt? Daar verpakten ze vroeger aardbeien in, de zogenaamde aardbeienpotjes die opeen werden gestapeld en vervolgens in eigengemaakte houten kistjes werden vervoerd.’

Zeventiende eeuw.
De deur van de schuur valt zachtjes achter Van Eendenburg in het slot. De weg in de Historische tuin met een oppervlakte van 5000 vierkante meter wordt vervolgd. ‘Dit is de tuin zoals wij die kennen uit de zeventiende eeuw’, vertelt Van Eendenburg. Hij wijst naar een tuintje waarin diverse kruidenplantjes staan geplant. Toen was men nog nauwelijks op de hoogte van het bestaan van groente. In latere tijden werden de kruiden ingeruild voor fruit. Dat was in de periode dat men had ontdekt dat je van fruit geen scheurbuik kreeg. En dit is een glasklok, de voorloper van de kas. Je ziet dat er maar een paar kropjes sla onder passen.

Muurkas.
‘Weer wat later in de tijd werd de muur ontdekt waartegen men kon telen en waarmee tevens de andere producten in dezelfde tuin werden beschut.’ Met langzame passen vervolgt Van Eendenburg zijn weg. ‘Je ziet dat alle producten, ook in de verschillende kassen, lange tijd werden geteeld in de aarde, nu gebeurt dat bijna niet meer. Er wordt veelal gewerkt met substraten waarbij het voedsel van de plant vrijwel geheel via een computer wordt geregeld.

Eisen.
Niet alleen de wijze waarop wordt geteeld is veranderd, ook worden er vandaag de dag andere eisen aan producten gesteld en ligt de productie enorm hoog. Van Eendenburg: ‘Vroeger ging het ook niet allemaal van een leien dakje, maar in deze tijd zou ik persoonlijk niet graag tuinder willen zijn. Het is een hard bestaan waarbij je een hoop investeert (niet alleen geld) en waarbij er weinig tijd overblijft voor andere dingen.
Met een weemoedige blik kijkt de ‘historisch tuinman’ naar een hedendaagse tuinder van de overkant van een sloot. Hij zegt: ‘Ik ben gek op het Westland met haar prachtige tuinders historie, een cultureel erfgoed dat vooral de jeugd niet mag missen.’

Authentiek.
Overigens zijn alle opstanden in de tuin authentiek. Op diverse plaatsen in het Westland zijn lessenaars, kop- en kniekassen zorgvuldig afgebroken en na restauratie van de onderdelen weer opgebouwd in de historische tuin. Ook de gewassen die geteeld worden zijn zoveel mogelijk ‘oude rassen’. In het Westlands Museum is een wisseltentoonstelling ingericht, waar aan de hand van foto’s en maquettes wordt uitgebeeld hoe de historische tuin tot stand is gekomen. Het komende weekeinde zijn er extra attracties. Zo zullen imkers de oude techniek van bijenkorven vlechten demonstreren. De tuin is geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 14.00 tot 17.00 uur. Het komend weekend is de tuin ook op zondag geopend van 14.00 tot 17.00 uur.

Route door de tuin uitgezet.
Honselersdijk - Door de historische tuin is een wandelroute uitgezet. Wie deze volgt krijgt het beste overzicht van de geschiedenis van de Westlandse tuinbouw. Via de tuindersschuur loopt men naar de oude tuin van 1650, de boomgaard, de bessenhoek, de rachelschuur en de tuinmuur om via de lessenaar en de kopkas het kwakeltje te passeren richting watertoren. Na de A-kas komt men het ketelhuis tegen, de kniekas en de ramen van het warenhuis om via het platte glas naar de uitgang te lopen.

Er is een boekje te koop, waarin uitgebreid tekst en uitleg wordt gegeven van alle onderdelen van de tuin.

Uit: Westland Post
Editie: Donderdag 18 mei 1995
Type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

Hieronder een aantal foto's en het Westlands Museum.


Honselersdijk Valbrug met Dijkstraat

 

Streekmuseum Honselersdijk

 


 


 


 


 

Slot Honselersdijk

Oude prent van hoe het er vroeger uitzag.


 

Slot Honselersdijk
(Althans van wat er van over is)

 



Het verdwenen dorpsplein van Honselersdijk

Plannen voor een andere Nederhof volgens een tekening uit 1638.

Honselersdijk - Frederik Hendrik is sinds enige tijd geëerd met een eigen monument in Honselersdijk. Het is geen standbeeld dat voor de Nederhof staat, want Frederik Hendrik zit, maar het blijft een hele eer om na zoveel eeuwen nog door de bewoners van een dorp te worden herinnerd, alleen maar omdat je er een nogal flink buitenhuis had staan.

Aan de geschiedenis van het buitenhuis van stadhouder Frederik Hendrik en de inwoners van Honselersdijk is onlangs weer een hoofdstukje toegevoegd. Mevrouw M. Prins-Hoogendam schrijft in het Historisch Jaarboek Westland 1993 over het verdwenen dorpsplein van Honselersdijk.

Dat dorpsplein werd opgeslokt door het tuingebouw dat halverwege de 17de eeuw aan het lustslot van Honselersdijk werd toegevoegd en nu bekend is als de Nederhof. Dat opslokken ging netjes genoeg, want de Dijkenaren die hun huis uit moesten voor deze uitbreiding, kregen een splinternieuwe woning. Vijf op een rijtje werden er gebouwd, aan wat weinig dorps de Prinsengracht werd genoemd.

Enige tijd geleden is in het Algemeen Rijksarchief een kaart gevonden uit 1640. Op die kaart was de oude situatie getekend met de nieuwe plannen voor het tuinhuis annex personeelsonderkomens in stippellijntjes eroverheen. Ook in stippellijntjes staan vijf huizen aan de Prinsengracht, naast de Valbrug. Vijf huizen waarvan werd aangenomen dat ze werden gebouwd als gastenverblijven of logementsgebouwen.

Dat er huizen moesten worden afgebroken om de bouw van de Nederhof mogelijk te maken was al eerder bekend. De acht namen van de mensen die hiervoor moesten wijken stonden ook al vermeld in het door prof. R. Meischke boven water gebrachte bestek van 11 januari 1640, waarop aannemers konden inschrijven.

Het ging onder andere om wielmaker Gerrit Corneliszoon, bakker Cornelis Jacobszoon, schipper Philip Huybert, smid Cornelis Gerritszoon en timmerman Dirk de Milde. Vooral die laatste is geen onbekende. Dirk de Milde heeft namelijk heel wat klussen geklaard in dienst van Frederik Hendrik, waaronder de preekstoel voor de predikzaal in de Nederhof, nu als kansel dienst doend in de Hervormde Kerk van Wateringen.

Vogelvluchttekening.
Ook het huis van aannemer Symon van Catshuysen, rentmeester van de stadhouder, moest sneuvelen. Duidelijk is dat dit geen absolutistische beslissing was over de hoofden van de arme bevolking heen. Aannemer Van Catshuysen vond het waarschijnlijk best dat hij zelf zijn nieuwe huis mocht bouwen tegenover het nieuwe tuinhuis.

Hoe een eerder plan voor een oostelijke uitbreiding van het lustslot eruit zag is ook bekend. Een vogelvluchttekening van Balthasar van Bercken-rode laat zien hoe een dienstgebouw had kunnen worden neergezet zonder dat het oude dorpsplein plaats had hoeven maken. Dat zou een zeer knus geheel hebben opgeleverd van zeventiende eeuwse barok tegenover laatmiddel eeuwse huizenbouw. Het zou de oorspronkelijke kronkelige waterlopen ook intact hebben gelaten.

Mevrouw Prins vindt het in haar artikel in het Historisch Jaarboek overigens alleen maar jammer dat ze niet het hele dorp hebben afgebroken en een eindje verder weer opgebouwd. Waar we nu mee zijn opgescheept is een rechthoekig, door grachten doorsneden dorpsplein, dat een nogal benauwde situatie oplevert.

Voorkant.
Het feit dat de gracht waar de Valbrug overheen is gebouwd later tot stand kwam dan de vijf nieuwe huizen, die tegelijkertijd met de Nederhof werden gebouwd, kan duiden op de wens van Frederik Hendrik om Honselersdijk een nieuw dorpsplein te schenken. De nieuwe huizen stonden niet voor niets met hun voorkant naar de Nederhof toe. Die gracht kwam er dus toch, vermoedelijk rond 1700, met de inderdaad tamelijk benauwende gevolgen van dien.

Wanneer de oude dorpskern bewaard zou zijn gebleven zouden deze huizen overigens net zo zijn aangepast aan nieuwe eisen als de huizen die wel konden blijven staan, terwijl de Nederhof werd gebouwd. De huizen aan de Prinsengracht zijn meer intact gebleven dan de oudere huizen, die de bouw van de Nederhof wel overleefden.

In het bestek van 11 januari 1640 staat dat de Nederhof op 1 maart 1641 af moet zijn en de vijf nieuwe huizen voor 1 november 1641. Werden die data niet gehaald, dan zou de aannemer 1500 gulden minder krijgen dan het afgesproken bedrag. Als alles wel op tijd klaar zou zijn, dan mocht de aannemer, als beloning, iets maken en leveren aan de stadhouder persoonlijk.

Zoals de huizen er nu nog staan is er wel wat veranderd sinds de bouw in 1641. Er zijn een paar huizen in tweeën gedeeld en naar achteren uitgebouwd. Het eerste pand is nog steeds een geheel, maar stond een tijd lang vast gebouwd aan een inmiddels gesloopt hoekpand aan de Dijkstraat. Met name het tweede pand heeft nog veel overblijfselen van de oorspronkelijke bouw. Wim Duyvestein van de werkgroep Oud-Monster heeft metingen verricht aan de hand waarvan hij een reconstructie heeft kunnen maken van hoe de vijf huizen aan de Prinsengracht er oorspronkelijk moeten hebben uitgezien.

De bouw van de huizen kwam op rekening van de aannemer, terwijl de grond in bezit bleef van Frederik Hendrik. De band van de vijf huizen met de Nederhof wordt nu weer nieuw leven ingeblazen door de plaatsing in de Nederhof van een eikenhouten bedstedenschot uit een van de huizen.

Het oorspronkelijke zeventiende eeuwse schot werd gevonden bij onderzoek van de latere bedstedewand van een van de panden. Het schot behoefde nogal wat restauratie vanwege vijf verflagen bovenop de oorspronkelijk verflaag en vanwege het storten van een betonnen vloer tegen de onderzijde van het schot aan.

Het gerestaureerde schot wordt, gesubsidieerd door de gemeente Naaldwijk, binnenkant bevestigd aan een hoge muur in de zuidvleugel van de Nederhof achter het hoekpaviljoen.

Door: Ton van der Scheer Uit: Westlandsche Courant Dinsdag 23 november 1993
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

 

 

FREDERIK HENDRIK HIELD ZEER VEEL VAN HONSELERSDIJK

Honselersdijk - Toen Frederik Hendrik het oude kasteel in het gehucht Hontsholredijck kocht moest hij daar niet minder dan 360.000 gulden voor neertellen. Niet mis wanneer men bedenkt dat die koop in 1612 werd gesloten. En wat kocht hij daar nu helemaal voor? Tot zijn dood in 1647 moest er worden gewerkt door handwerkslieden en beeldende kunstenaars om van de vervallen burcht een waar lustslot van te maken.

Frederik Hendrik, die in 1625zijn halfbroer prins Maurits opvolgde als stadhouder, was met zijn gedachten dan ook vaak in het Westland. Zelfs terwijl de kogels hem om de oren vlogen tijdens zijn talrijke veldtochten tegen de Spanjaarden, hield hij zich bezig met de aanleg van de tuinen, de schilderingen op de muren en de sculpturen die door bekende beeldhouwers werden vervaardigd.

Ook toen Frederik Hendrik voor de eerste keer als de nieuwe ambachtsheer naar het Westland kwam vonden de hoge heren van Naaldwijk en Honselersdijk, dat de prins van Oranje een eerbetoon moest krijgen. Zoals uitgebreid staat te lezen in "Het huis Honselaarsdijk' door Th. Morren. 'Een vereering' zoals dat toen heette. Een formidabele intocht met veel feestelijkheden, zoals prins Maurits een tijdje eerder in Monster te beurt was gevallen, werd het echter niet. Baljuw, schout en schepenen kregen te horen dat het Frederik Hendrik 'aengenaem soude zijn mistdat sulcx geschieden mochte sonder vele ceremonien ende oock mede onnutte costen van maeltijden ende anderssints'.

KASTEELHEER.
Frederik Hendrik had, met andere woorden, liever het geld. De plichtplegingen mocht men houden. Het werd een som geld van 4000 gulden, waaraan door alle vermogende huisgezinnen van Naaldwijk en Honselersdijk moest worden bijgedragen. Een aantal ontevredenen vond dat de hoge heren dat zelf maar moesten betalen. Zo populair was de nieuwe kasteelheer dus ook weer niet. De actievoerders gingen met hun grief zelfs naar de Staten van Holland, maar de hoge heren in Den Haag vonden natuurlijk ook dat ze gewoon moesten meebetalen aan Frederik Hendrik.

Het kasteel in Honselersdijk stond er al tenminste drie eeuwen, toen Frederik Hendrik het kocht. In de late middeleeuwen was het door graaf Willem IV van Holland, Zeeland en Henegouwen verkocht aan Diederik van Brederode, die het overdroeg aan zijn schoonzoon Jan van Polanen. Diens kleindochter Janne van Polanen was weer getrouwd met Engelbrecht van Nassau, zodat het leengoed door erfopvolging aan de prinsen van Nassau kwam.

Toen Frederik Hendrik het kasteel en de landerijen kocht deed prins Maurits ook de bijbehorende heerlijke rechten aan zijn neef over. Dat gebeurde echter niet meteen. Maurits liet wel eerst een paar functionarissen een kijkje nemen, zodat hij wist wat hij weggaf. Hun rapportage luidde als volgt. 'Het heerlijck huys off sloth van Honsholredijck met zijn grachten cingelen, plantagen, neerhoff (nederhoff! red.), boomgaerden, bloemen, cruythoff, duyfhuijs ende visscherije' bracht jaarlijks 500 ponden op.

VECHTLUSTIG.
Frederik Hendrik is voornamelijk bekend als de stedendwinger. Groenlo, Den Bosch, Maastricht, Sittard, Roermond, Venlo en Breda zijn maar een enkele van de steden, die hij op de Spanjaarden veroverde. Hoewel het vaak de grootste moeite kostte om van de Staten van Holland toestemming voor zijn veldtochten te krijgen, was de vechtlustige stadhouder voortdurend in gevecht gewikkeld. Al vanaf 1600 (slag bij Nieuwpoort) liep hij mee in de staf van prins Maurits. a 1625 ging hij er stevig tegenaan in Twente, de Achterhoek, Brabant, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. Hij zou zelfs nog veel meer op de Spanjaarden hebben kunnen veroveren als hij niet was tegengewerkt door Amsterdam, dat een herovering van handelsconcurrent Antwerpen helemaal niet zag zitten.

Als hij eventjes niet aan het hoofd van de legerscharen tegen zwaar ommuurde steden optrok, was Honselersdijk zijn favoriete rustoord. Kosten noch moeite werden gespaard om er een gerenommeerde buitenplaats van te maken. De beste architecten van de zeventiende eeuw werden naar het Westland gehaald. Jacques de la Vallée, Jacob van Campen en Pieter Post, die ook de architect was van Huis Ten Bosch, werkten aan het huis. De boel werd grondig afgebroken en geheel herbouwd. Alleen de grondslagen van het oude kasteel bleven over.

FRANS SPIEGELGLAS.
Het werd een veel comfortabeler huis met een tuin er om heen en een park daar weer om heen. Niet meer van die ongezellige dikke muren en piepkleine venstertjes, zoals in het oude kasteel, maar ramen met lekker grote vierkante ruiten van zogenaamd Frans spiegelglas. Beroemde schilders kregen opdrachten om schilderijen te maken en om muurschilderingen te vervaardigen op plafonds, in trappenhuizen, boven schoorstenen. Hofschilder Gerard van Honthorst maakte veel portretten, Rembrandt leverde voor 1244 gulden twee schilderijen voorstellende de begrafenis en de verrijzenis van Christus, jachttaferelen, landschappen, geschilderde bloempotten, die nooit water hoefden te krijgen om in bloei te blijven.

Frederik Hendrik liet zich door zijn vrouw Amalia van Solms en zijn goede vriend Constantijn Huygens uitgebreid op de hoogte houden. Terwijl hij Bergen op Zoom aan het belegeren was en ook nog de nodige jichtaanvallen moest verduren, liet hij noteren hoe de tuin er moest gaan uitzien. Ook kwam hij daar de Antwerpse schilder Thomas Willeborts tegen. Die schilderde voor zijn huis in Honselersdijk vooral veel figuren uit de klassieke mythologie: Dido, Venus en Adonis, Venus en Mars, Flora, Europa en Andromeda. Venus en Mars, godin van de liefde en god van de oorlog waren zijn favorieten, want Paulus Bor uit Utrecht mocht dit tweetal ook nog eens beeldhouwen voor in de tuin.

Kosten noch moeite werden gespaard om van het oude kasteel een waar paradijsje te maken. 

Er is nu allemaal niets meer van over. De schilderijen zijn naar andere huizen en naar andere musea verhuisd en de beelden hebben misschien ook nog wel een veilige bestemming gekregen. Maar de tuin en het park en het slot zelf, er is niets meer van over. Alleen de Nederhof staat er nog. Een bijgebouwtje eigenlijk. Maar Frederik Hendrik, teruggekeerd in Honselersdijk, weet nog wel hoe het er vroeger allemaal uitzag.

door: Ton van der Scheer
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

 


Honselse Hervormde Gemeente in ‘t goud.

Uit: Westlandsche Courant Vrijdag 1 juli 1994
Door: Aad van Holstein
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

Een feestelijke muziekavond en een gedenkdienst met een sterk oecumenische inslag. Dat zijn de twee hoogtepunten in het komende weekeinde, waarmee het 50-jarig jubileum wordt gevierd van de Hervormde Gemeente van Honselersdijk. Beide bijeenkomsten worden gehouden in De Voorhof.

Honselersdijk - "Even heb ik nog gedacht: is er wel reden om feest te vieren? Het gaat tenslotte om een scheiding. Daaruit is deze kerk toch voortgekomen. Maar toen ik het enthousiasme van iedereen zag om het gouden feest te vieren, ben ik daar snel anders over gaan denken". Aan het woord Leen Lindhout. Jeugdouderling van de Hervormde Gemeente van Honselersdijk en voorzitter van de jubileumcommissie voor de viering van het feit, dat deze gemeente op 1 juli 1944, dus vandaag precies vijftig jaar geleden (anno 1994), werd opgericht. "Het gaat om een jonge gemeente met oude wortels", vertelt Lindhout. "De gemeenten van De Lier (Domkerk), Naaldwijk (Wilhelminaplein), Monster (Kerkepad), ‘s-Gravenzande (Noordwind) en Wateringen (Plein) zijn veel ouder. Honselersdijk telt twee Hervormde kerkgebouwen. In het gebouw "Achter de Bergen" komen de Hervormden die vrijzinnig georiënteerd zijn samen, het gebouw ‘De Voorhof’ wordt bezocht door de ‘rechtzinnig’ Hervormden. Beiden richtingen hebben hun wieg in Naaldwijk staan: in de ‘Oude Kerk’ aan het Wilhelminaplein. Tot diep in de vorige eeuw kerkten alle Hervormden in de gemeente Naaldwijk nog in dat prachtige historische gebouw". In de tweede helft van de vorige eeuw deed zich echter een scheiding voor. De prediking van een dominee werd door een deel van de kerkgemeenschap te vrijzinnig gevonden. Een flink aantal lidmaten heeft toen een eigen vereniging opgericht, de Nederlands Hervormde Evangelisatievereniging.

Eigen gebouw.
Die vereniging belegde samenkomsten in een eigen gebouw aan de Dijkweg, dat al gauw ‘de Evangelisatie’ werd genoemd, Honselersdijkers, die zich tot die rechtzinnige prediking voelden aangetrokken bezochten deze bijeenkomsten ook. Ze wandelden ervoor naar Naaldwijk. Tot in 1926 Honselersdijk een eigen gebouw kreeg in de Amalia van Solmsstraat. "De leden van de vereniging lieten zich niet uitschrijven uit de Hervormde Kerk. Ze bleven in de boeken van de oude kerk van Naaldwijk staan", vertelt Leen Lindhout. "Het had iets van een scheiding van tafel en bed. Geen definitieve breuk, maar ze leidden voortaan wel elk hun eigen leven". Dat hield in dat de lidmaten recht bleven houden op de bediening van de Heilige Doop en de deelneming aan het Heilig Avondmaal. Ook kon hun huwelijk daar kerkelijk bevestigd worden. Van de andere kant behielden zij daardoor natuurlijk ook hun financiële verplichtingen. Lindhout" "De Honselse Hervormden die kerkten in de Amalia van Solmsstraat gingen voor de doop, het avondmaal en het huwelijk naar Naaldwijk, maar ook wel naar Wateringen".

Gemis.
Veel Honselse lidmaten van de Nederlands Hervormde Gemeente (behorende bij de ‘Oude Kerk’) te Naaldwijk voelden het in de jaren veertig toch steeds meer als een gemis, dat er in Honselersdijk geen zelfstandige Gemeente bestond. Vandaar dat zij op 12 november 1943 bij het Classicaal Bestuur van ‘s-Gravenhage het verzoek indienden een eigen Gemeente te mogen stichten. De reglementen voorzagen daarin, al ging het classicaal bestuur in deze kwestie beslist niet over één nacht ijs. Zowel de Kerkenraad als het College van Kerkvoogden van de ‘Oude Kerk’ werden geraadpleegd, maar adviseerden afwijzende op het verzoek.
De Commissie voor predikantstraktementen adviseerde echter gunstig.
"De afstand Naaldwijk-Honselersdijk speelde bij de beoordeling een kleinere rol dan de koers, die de nieuwe Gemeente zou varen. Het hoofdmotief voor de eigen Gemeente was volgens de oude kerkbestuurders de rechtzinnigheid", aldus Lindhout. "Maar het classicaal bestuur bespeurde ook een duidelijke drang naar zelfstandigheid. De Rooms Katholieken en de gereformeerden hadden immers al lang een eigen kerkelijk leven in Honselersdijk. Dat wilden de Hervormden ook. Bovendien was er een school- en verenigingsleven en bestond er een eigen middenstand. Daar kwam bij, dat de Hervormde Gemeente van Naaldwijk best twee predikantsplaatsen kon financieren".

Zelfstandig.
Daaruit concludeerde de classis, dat "de stichting van een zelfstandige gemeente Honselersdijk in een behoefde zou voorzien en in den aard der gemeente, volstrekt niet alleen uit richtingsoogmerken, is gelegen". Zo kreeg Honselersdijk met ingang van 1 juli 1944 zijn zelfstandige Hervormde Gemeente. Een van de lidmaten in Honselersdijk die dat mee heeft gemaakt is W. De Zeeuw. Hij heeft over zijn ervaringen geschreven in het Hervormde kerkblad ‘Kerkkompas’, dat elke drie weken verschijnt. 
De Zeeuw gaat in zijn artikeltjes in op de geschiedenis van de Gemeente, zich verhalen herinnerend over het gebouw aan de Amalia van Solmsstraat. "De historie vermeldt dat de dienst lang duurde en het er bovendien heel koud was, dat men nog geen verwarming had aangebracht", zo schrijft hij.  Hij herinnert zich nog hoe het bordje op het gebouw, dat in 1927 werd aangebracht en waarop stond vermeld ‘Hervormd Evangelisatiegebouw’ werd verwijderd om plaats te maken voor een nieuw bord, waarop nu kwam te staan: Hervormde Kerk. Ouderlingen, diakenen en financiële commissie werden gekozen en men kon gaan denken aan een eigen predikant. De eerste voorganger was G. Koerselman, die was opgeleid als zendingsleraar. Vandaar dat hij na de oorlog al gauw naar Indië vertrok. Ds. D.C. van Wijngaarden uit Hooge en Lage Zwaluwe die in december 1945 het beroep naar Honselersdijk aannam, vertrok alweer in 1948 naar IJmuiden.

De eerste Hervormde Kerkenraad poseert voor de fotograaf: staand van links naar rechts: A. Baars, W. F. Lange, P. Lindhout, Jan Boerman, Henk Valstar. Zittend: Jan voorberg, Jac. Breukel, A. J. Mostert, ds. D. C. Van Wijngaarden, Jacob Koole, Jaap van der Meer, Paul van Rossum.


Klik op de foto voor een groter formaat.


 Ds. D. C. van Wijngaarden op de kansel in 1945
(Klik op de foto voor een groter formaat.)


Foto's familiearchief: D.C. van Wijngaarden IV, Almere 29 mei 2009

Ds. A. Sluiter, gekomen uit het Frisse Midlum, deed in datzelfde jaar zijn intrede in Honselersdijk, waar hij zestien jaar zou blijven. "Zo groeide langzaam de oude evangelisatie uit tot een Gemeente. Het waren jaren van opbouwen", aldus De Zeeuw. Nog onder leiding van ds. Sluiter - die in 1964 godsdienstleraar aan een school in Bussum werd - was er een bouwfondscommissie gevormd met het doel in de toekomst te komen tot de stichting van een nieuwe kerk. Het oude kerkje was voor diverse dominees daarna zelfs een reden om voor een beroep te bedanken. "Het feit echter dat er serieuze plannen bestonden om tot de bouw van een nieuwe kerk over te gaan, gaf tenslotte bij dominee F. Brouwer juist de doorslag en in februari 1965 deed deze zijn intrede in het (kerk)gebouw aan de Amalia van Solmsstraat".

Gedenkwaardig.
Zo werd zondag de 18e augustus 1968 een gedenkwaardige dag, want toen is de laatste dienst in het kerkje aan de Amalia van Solmsstraat gehouden. 
Twee dagen later volgde de opening van de nieuwe kerk, die aan de Dijkstraat gebouwd was naar ontwerp van de architecten Key en van de Akker. Uit de vele namen, die de Gemeenteleden voor de nieuwe kerk hadden bedacht, is de naam ‘De Voorhof’ gekozen. Het waren volgens De Zeeuw beslist ‘zeven vette jaren’, die ds. Brouwer in de Gemeente werkzaam bleef. "Volle kerken en een enthousiaste Gemeente, die mede dankzij haar offervaardigheid de financiële commissie in staat stelde een extra bedrag van haar, bij de nieuwbouw aangegane leningen, af te lossen". In oktober 1973 deed ds. H.B. van ‘t Hof uit De Kaag zijn intrede in Honselersdijk.

Een groeiende oecumenische gezindheid in Honselersdijk maakte het mogelijk, dat de Rooms-Katholieken, toen hun kerk moest worden verbouwd, een paar maanden lang in De Voorhof konden kerken. Ook maakten Katholieken een tijdlang deel uit van een catechisatiegroep, die met medeweten van de pastoor bijeenkwam. De omgang met de vrijzinnigen was aanvankelijk wat moeizamer. Ds. Van ‘t Hof is in 1978 naar Leiden vertrokken waar hij geestelijk verzorger werd van het Diaconessenziekenhuis, aldaar. Daarop deed ds. G. J. D. Versteegh uit Tiel zijn intrede in de Gemeente. Een jaar nadat hij met vut is gegaan en naar Rijswijk vertrok, vestigde ds. H. Van Schaik, afkomstig uit Buren zich in Honselersdijk.
Zijn hoop, dat ook de jongere generatie, ‘die tussen 1944 en 1994 het levenslicht mocht aanschouwen’, deze belangrijke mijlpaal in de historie van de Hervormde Kerk niet achteloos voorbij zou gaan, gaat met het komende feest in de Voorhof in vervulling.

Feest.
Samen met Gerda van de Wetering en Gerard Looije heeft Leen Lindhout een feestelijke viering voorbereid die klinkt als een klok. Morgen, zaterdag 2 juli, begint het gouden jubileumfeest om acht uur met een muzikale avond. Daaraan werken de Honselse koren en Honsels Harmonie mee. Zowel de vrijzinnig Hervormde, Gereformeerde als Katholieke inwoners van Honselersdijk nemen door Kraaijeveld-Knoppert declameert en Alexander Prins bespeelt het orgel. De zondag (3 juli) staat in het teken van een gedenkdienst uit dankbaarheid. Die dienst begint om kwart voor tien en wordt samen met de Gereformeerden gevierd. Dominee H. Van Schaik gaat voor, terwijl de dienst muzikaal wordt omlijst door Bram Meijboom, orgel, J. Van Reeven, trompet en Rianne Kuipers, solozang.

Na afloop van de gedenkdienst is er gelegenheid om onder het genot van een kop koffie herinneringen uit te wisselen. En dat zullen er, gezien de rijke geschiedenis van de kerk, ongetwijfeld vele zijn.

 


HONSELERSDIJKSE  SCHUILKERKEN.

door: Mw. M. Prins-Hoogendam
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

In Honselersdijk zijn twee schuilkerken bekend: de boerderij met de naam "De Lage Doortoge" in de Bospolder en de boerderij van de fam. C. van Schie aan de Middelbroekweg. We kennen deze plaatsen uit het prekenboek van pastoor Franciscus Verburch. Pas wanneer de mensen worden betrapt bij de uitoefening van hun geloof en het tot een rechtszaak komt, vindt men in de rechterlijke archieven namen en plaatsen plus de strafmaat vermeld. In Honselersdijk zijn we tot nu toe geen rechtzaken tegengekomen, zodat we het moeten doen met de aantekeningen van pastoor Verburch, die vooral in 1647 en 1648 zijn gemaakt. De boerderij van C. van Schie staat op een zeer oude plek. Al in 1620 vinden we in het kaartboek van Naaldwijk een boerderij getekend met twee hooibergen. De toenmalige eigenaar was Cornelis Vrancken. Volgens de gegevens in het kaartboek was de boerderij groot 38 morgen en bewerkte men nog 12 morgen huurland. Dat is in totaal ongeveer 45 ha. De naam die later is bijgeschreven vermeldt ene Jan Vrancken en in de tekst vinden we ook Jan Vrancken van Rijt. In het prekenboek staat "Gerrit Vrancke in den Broec", en omdat er aan de Broekweg geen andere Vranckens wonen, mogen we aannemen dat dit de boerderij was, waar schuilkerkdiensten werden gehouden. Gerrit Vrancken was eigenaar en kon dus zelf beslissen, wat er op zijn boerderij gebeurde. Op dezelfde plaats staat nog steeds een boerderij. Door een brand in 1987 heeft het pand veel aan oude schoonheid ingeboet. Er moeten echter nog zeer oude delen in het overgebleven gedeelte aanwezig zijn.

De Lage Doortoghe en De Hoge Doortoghe waren twee oude grote boerderijen in de Bospolder. Ze lagen tussen Kleine Gantel, Gantel en de Zwartendijk. In het Kaartboek van Naaldwijk dragen ze beide de naam "Dortwech". Op de kaart van Kruikius heten ze Hoge en Lage Doortoge. De naam komt waarschijnlijk voort uit het feit, dat men bij de overstroming van de Gantel daar een doortocht kon vinden naar de weg van Naaldwijk naar Monster. De twee boerderijen zijn zeer oud. Beatrijs, de dochter van Dirc van der Doortoge, werd in 1323 met de boerderijen beleend. Door vererving komen ze achtereenvolgens in handen van de fam. Van Egmond, fam. Van der Leck, fam. Van Naaldwijk, fam. Van Assendelft en de fam. Van Veenhuiysen. Beide boerderijen hadden ca. 32 morgen land (in bezit) en zijn direkt achter de huizen van de heren M. en J. Penning. Het laantje ten zuiden van deze huizen is de oude entree van de boerderij.
De lage Doortoge stond op de hoek van de huidige Bospolder en de Stuartlaan. Op de Lage Doortoge zat in ca. 1620 ene Pieter Baerthout als pachter. Als zijn pachtbaas, de heer Van Veenhuysen, protestant geweest was, dan had deze Pieter grote risico's gelopen, door op zijn boerderij schuildiensten toe te staan. Soms werd in het huurcontract opgenomen, dat dit de huurder verboden was.

Van de buitenplaats Stompersdijk is een huurcontract bekend, waarin staat, dat het de huurder verboden is op de plaats "paapsche missen" te houden.

 



Pieter Nap, nieuwe predikant in Honselersdijk.

Uit: Westlandsche Courant, zaterdag 22 juni 1996
Door: Dick Dijkhuijzen

‘Kerk vol of leeg, ik sloof me altijd uit’
Dominee Pieter Nap is aan zijn volgende uitdaging toe. Hij verhuist van ‘s-Gravenzande naar Honselersdijk om daar in de Nederlands hervormde gemeente zijn laatste jaren als predikant te slijten. Hij heeft er nog steeds zin in, zo blijkt uit het gesprek met hem.

Honselersdijk - Timmerman wilde hij eigenlijk worden. Uiteindelijk is het na en aantal omzwervingen toch maar dominee geworden en ach, van timmerman naar dominee is niet eens zo’n heel grote stap, zo zal iedereen die een beetje bekend is met de inhoud van de bijbel onderkennen.
Het is er niet van gekomen voor Pieter (Piet) Nap. Hamer en spijkers bleven in de kast. In die kast, of liever gezegd kasten, staan nu bijbels. En niet zo maar een paar, nee honderden. We schromen dan ook een beetje om te bekennen dat wij er maar twee hebben, eentje uitgereikt na het verlaten van de lagere school en eentje uitgereikt na het huwelijk. "Is genoeg", zegt Nap, "eentje is al genoeg, maar bijbels verzamelen is nu eenmaal een hobby van me. Kijk", wijst hij naar een enorme bijbel i n de huiskamer van zijn nieuwe woning in Honselersdijk, "dit is wel het pronkstuk. Dit is de familiebijbel, stamt uit 1730, mooi hè."

Zijn nieuwe woning in Honselersdijk is de pastorie van de hervormde gemeente. Daar waar Nap aanstaande zondag ds. G. Van Velzen uit Wateringen hem zal bevestigen als opvolger van ds.H. van Schaik. Het is de achtste keer dat Nap van standplaats verwisseld het het zal tevens de laatste keer zijn. De 61-jarige predikant zal er over vier jaar mee moeten ophouden, dus ligt het in de lijn der verwachtingen dat hij die laatste vier jaar in Honselersdijk werkzaam zal zijn. "Ja, dan moeten we toch nog een keer verhuizen, want de pastorie is natuurlijk voor mijn opvolger. Maar dat is pas op 1 mei 2000, dus we hebben nog wel even te gaan".

Nap, geboren in Woerden in 1935 als vijfde kind van een gezin dat uiteindelijk tien kinderen zou kennen is kruidenierszoon. Met de crisisjaren en de daarop volgende oorlog was het niet altijd even gemakkelijk op het hoofd boven water te houden. "Het was armoede in die dagen ja," zegt de nieuwe dominee van Honselersdijk, "ik heb ook nog twee jaar bij mijn vader in de zaak gewerkt. Dat was pezen. Boekjes met bestellingen ophalen, dat soort dingen moest je doen. En ‘s avonds studeren. Dat was bij ons thuis de gewoonte".

Belevenis.
Door het hoofd van de lagere school werd hem geadviseerd, bijna bevolen om naar het gymnasium in Utrecht te gaan. Dat weigerde Nap echter, hij ging liever naar de mulo, dat was wat dichterbij. Daarna naar de mts. Een vriend van zijn vader had een aannemersbedrijf en Piet Nap werd gezien als de gedoodverfde opvolger van de aannemer. Tot die plotseling stierf en Nap besloot om toch maar onderwijzer te worden. Leek hem ook wel wat. Hij werkte een paar jaar in de water- en wegenbouw, voornamelijk om zijn studie te betalen. Onderwijzer werd hij in Noordwijk, maar als godsdienstleraar doemde hij voor het eerst op in De Lier. Toen was hij tevens al hulppredikant. Daarvoor was hij hoofd van een school in Harmelen geweest, waar hij in 1963 de grootste treinramp uit de vaderlandse geschiedenis meemaakte.

"Mijn eerste preek", weet Nap zich nog haarfijn te herinneren, "was in de Dom in De Lier. Was tijdens kerstnacht. Een prachtige belevenis natuurlijk". In 1978 werd Nap dan uiteindelijk bevestigd als predikant. Via Woerden en Rotterdam, kwam hij als dominee uiteindelijk terecht in ‘s-Gravenzande. Daar was hij medepredikant van wijk 2. Een wijk waar ook verpleeghuis De Kreek onder valt. Daar maakte hij wellicht de mooiste maar ook de moeilijkste jaren van zijn leven als predikant mee.

"De Kreek was een heel bijzondere ervaring", vertelt hij. "Kijk, mensen denken altijd dat als je ziek bent, dat je weer beter wordt. Een logische gang van zaken. Maar in zo’n tehuis als De Kreek ga je, nee, moet je daar anders tegenaan kijken. De term ‘ziek zijn, beter worden’ is daar niet van toepassing. Mensen komen daar en sterven daar. Dat is de gang van zaken. Om daar als dominee op in te spelen, dat is heel moeilijk, maar wel dankbaar. Vooral mensen met Alzheimer, zeg maar de dementen, blijken dan toch een groot vertrouwen in de dominee te hebben. Het merkwaardige was, dat ze vaak wel wisten dat ik de dominee was, maar dat ze hun eigen kinderen niet herkenden. Toch zeg ik wel merkwaardig, maar zo is het niet helemaal. Deze mensen kennen de dominee nog uit de tijd dat ze jong waren. En dat geheugen van vroeger, dat laat ze niet in de steek. Van vroeger weten ze nog alles, maar hoe verder je in het heden komt, hoe minder ze zich nog weten te herinneren. En weet je wat het is, ik heb mensen daar zo gelukkig gezien dat ik wel eens denk dat je in De Kreek rijker bent dan in een mooi huis in Honselersdijk".

Uiteraard kreeg Nap in De kreek te maken met relatief veel sterfgevallen. Hij heeft het daar altijd moeilijk mee gehad, sliep er zelfs ‘s nachts niet van. Want het leiden van een uitvaart is voor hem nooit een routine geworden, zoals wel eens wordt gedacht van geestelijken die mensen naar hun laatste rustplaats brengen. "Ik heb mijn beide ouders begraven", verklaart Nap, "dan kan je je in andermans gevoelens wel verplaatsen".

Roeping.
Een echte roeping tot het ambt heeft Nap eigenlijk nooit gehad. Uiteraard verdiepte hij zich in de bijbel. Hij studeerde nooit echt theologie, was eigenlijk autodidact. Dat kon toen nog. Hij kon, toen hij nog hulppredikant was, uiteindelijk bevestigd worden tot dominee, daarna moest je er wel degelijk voor hebben gestudeerd. "Maar waarom ik nu uiteindelijk dominee ben geworden, ach, ik weet het niet meer. Ik vind het mooi om een ander iets duidelijk te maken. Duidelijk zijn over de inhoud van de bijbel en dan moet men daar zelf maar een invulling aan geven. Ik kan alleen maar helpen. Ik zeg wat er in de bijbel staat. Geef daar zo goed en zo kwaad als ik kan mijn uitleg over, meer kan ik niet doen. Het is onzin als mensen tegen me zeggen dat ze altijd in de kerk komen en dus niet ziek worden, of sterker nog, dat ze niet doodgaan. Als mens sta je machteloos tegenover dat soort zaken. Wat mijn grote doel is in het leven, is om de mensen liefde mee te geven. Als zo lief heeft God de wereld gehad en wie God bewaart, is wel bewaard. Daar gaat het mij om".

Het zijn zaken waar Nap het morgen ten overstaan van de hervormde gemeente in Honselersdijk over wil hebben. Hij zal dat doen, niet zonder daarbij te denken aan zijn vader en moeder. Daar denkt hij altijd aan als hij op het preekgestoelte staat. "Mijn moeder zei altijd, Piet, als de kerk vol zit, dan kijk je maar naar dat moedertje op de eerste rij en doe je net alsof je het tegen haar hebt. Als ‘ie leeg is, dan doe je maar alsof. Maar het maakt mij echt niet uit of er nu tien mensen of duizend mensen in de kerk zitten. Ik sloof me gewoon uit voor alle mensen".

type werk: Nicole Schoutens-Koppenol

 


Van der Pot eerste projectontwikkelaar.

Westland - Honselersdijker Willem van der Pot was in het midden van de achttiende eeuw de eerste projectontwikkelaar van het Westland. De mensen die op zijn stukjes grond werkten, mochten het geld wat zij verdienden zélf houden. Wie was deze promotor van de tuinbouw? 

Willem van der Pot werd geboren op 6 januari 1704. Hij was het vierde kind van Cornelis en Catharina van der Pot die in totaal zeven kinderen kregen. In het jaar dat Willem werd geboren overleden de eerste drie kinderen van Cornelis en Catharina. Aletta werd slechts vijf jaar oud, Willemina drie en Cornelis jr. slechts één jaar en acht maanden. Ook Willems jongere broers en zijn jongere zus werden niet oud. Thomas Cornelis werd slechts twee maanden oud, de tweede zoon met de naam Cornelis werd 21 jaar, Alida tenslotte werd 22jaar. Willem van der Pot zelf bereikte wel een respectabele leeftijd. Op 28 maart 1783, 79 jaar, overleed hij. Tijdens zijn leven drukte hij zijn stempel op het Westland. De familiegeschiedenis maakt. duidelijk dat Willem van der Pot niet uit een armlastige familie kwam. Willems vader was lakenkoopman. Lakense stof was een viltachtige, wollen stof waarvan kleren werden gemaakt die door het meer welgestelde deel van de bevolking werd gedragen. Het beroep ging vaak van vader op zoon. Ook. Willem verdiende later als lakenkoopman een goeie boterham, waardoor hij later stukken grond kon aankopen. 

Remonstranten. 
Willem is voortgekomen uit een geslacht van overtuigde Remonstranten. Willem ging er zeer bewust vanuit dat de mens een onderdeel is van de natuur, de mooiste schepping van God. Ook geloofde hij dat alle mensen gelijk geschapen zijn en verantwoordelijk zijn voor elkaar. Een nadeel van het lidmaatschap van de Remonstrantse Broederschap was, dat het officieel verboden bleef, evenals het lidmaatschap van de roomskatholieke kerk. Het belijden ervan werd oogluikend toegestaan. De Nederlandse Hervormde kerk was en bleef staatskerk, zodat alleen leden van deze kerk officiële ambten konden bekleden. Zo zullen we leden van de familie Van der Pot niet vinden in openbare beroepen en ambten. Pas bij de Franse Revolutie, verschenen ze op officiële posten. 

Misschien is dit de reden dat ze, hun bezigheden zochten in de kunst en het sociale leven, voor zover dat in die tijd bewust werd geleefd. Willem van der Pot bijvoorbeeld, vormde van 1726 tot 1746 met enkele andere jonge mensen, onder wie zijn broer Cornelis, een Rotterdams Dichtgenootschap 'Natura et arte'. Misschien ook is het officiële verbod op het Remonstrantse Broederschap indirect de reden dat Willem anders omging met zijn bezittingen in het Westland, dan in.die tijd gebruikelijk was. Op 4 december 1741 kocht hij de buitenplaats Endeldijk in Honselersdijk. Bijna een jaar later kreeg hij ook buitenhuis Stomperdijk in zijn bezit. Daarna volgde het het stuk land tussen de Wollebrand en de Zweth. Tenslotte kocht hij in 1762 uit de boedel van de burgemeester van Rotterdam, Hendrik Gevers, een stuk land aan de Mariëndijk: Omdat dat stuk land van de familie van Johan van Oldebarneveld was geweest, noemde Van der Pot dat 'Oldebarneveld land'. 

Voor Honselersdijk waren de gronden rondom Endeldijk het belangrijkst. Ten oosten van het huis lagen kavels tussen de Mariëndijk en de Grote Gantel, samen zo'n dertig hectare groot. De weg voor het huis en een gedeelte van de sloot waren eigendom van Willem. Het moet een echte stinksloot zijn geweest, aangezien er op , de stoep' gewassen en afgewassen werd en er geen riolering was. Heerlijk in de zomer voor het huis, op de batik genieten van de natuur was er dus niet bij. " Willem had het volgende plan. Het eind van de Dijksloot wilde hij verbinden met de Grote Gantel, een natuurstroom. Dat zou doorstroming en verfrissing betekenen. Het gebied is beter ontsloten en er is dan meer mee te doen. Voor het graven van een sloot had Willem geen toestemming nodig. Hij moest echter wel toestemming vragen aan het Hoogheemraadschap van Delfland om de Mariëndijk te doorgraven en een brug aan te leggen. Die toestemming kreeg hij in 1758. 

In totaal werd er zo'n 15.000 kubieke meter grond verzet. Ook de dwarssloten werden uitgediept en verbreed voor een betere afwatering. Bovendien kon Willem de vrij laag liggende grond ophogen met de verworven aarde, wat de vruchtbaarheid ten goede kwam. Daarna liet hij het gebied van dertig hectare verdelen. Op ieder stukje land werd een huis gebouwd en werden vruchtbomen geplant. Van der Pot had in die tijd natuurlijk niet de beschikking over apparatuur en gereedschappen van nu. Willem maakte zijn plan zelf en met hulp van bewoners van het dorp en omliggende plaatsen werd het uitgevoerd. 

Geen armoe.
Het bijzondere van deze manier van grondinrichting was, dat in die tijd grootgrondbezitters hun land verhuurden aan andere grote boeren en landeigenaren. De mensen die dat land bewerkten waren dagloners. De mensen aan wie Willem het land verhuurde, woonden en werkten op hun eigen stukje land en mochten het geld dat zij verdienden houden. Van der Pot was er heel trots op dat deze mensen geen armoe hoefden te lijden. Als we dit stuk ontginningswerk met hedendaagse ogen bekijken, mogen we Willem van der Pot gerust een toenmalige projectontwikkelaar noemen en een promotor van de tuinbouw. 

Dit verhaal is een uittreksel van een lezing van mevrouw M. Prins-Hoogendam uit Honselersdijk. Zij heeft het onderzoek naar het leven van Willem van der Pot voortgezet na het overlijden van de Westlandse historicus Van Adrichem. 

Voor u gelezen in de Westlandsche Courant van dinsdag 16 januari 1996

 


Geschiedenis van tuinbouw uitgebreid in beeld
Unieke expositie in historische tuin.

De kopkas en het Kwakeltje, markante beelden van het Westland van toen..

Westland - Het Westlands Museum voor Streek- en Tuinbouwhistorie in Honselersdijk opent aanstaande donderdag de historische tuin, die in kort bestek de geschiedenis laat zien van de tuinbouw in het Westland.

Plannen voor de aanleg van de tuin waren er al lang. In 1970 was de Stichting Tuinbouwhistorie opgericht. Doel was het inrichten en in bedrijf houden van een tuin, waarop voorheen geteelde gewassen, vroegere opstanden en oude teelwijzen bewaard zouden blijven. Ook het uit tuinbouwhistorisch oogpunt verzamelen van voorwerpen en materialen was een van de doelstellingen. Lang voor de oprichting van de stichting was al geprobeerd de tuin van J. Duijvestijn te Poeldijk over te nemen. Deze tuin gold als het prototype van een historische tuin. Dat aankoopplan mislukte echter.

Ook het door de gemeente Den Haag ontwikkelde plan om een zogenaamde ‘Kijktuin’ in het recreatiegebied Madestein in Loosduinen in te richten, mislukte. In 1980 werden de inmiddels verzamelde voorwerpen en materialen in het Tuinbouwmuseum in de boerderij ‘Cruijsbrouk’ in Naaldwijk tentoongesteld. In 1991 fuseerden het Tuinbouwmuseum, het Westlands Streekmuseum en het Westlands Centrum voor Streekhistorie. Door die fusie kon het Westlands Museum voor Streek- en Tuinbouwhistorie aan de Middel Broekweg in Honselersdijk in gebruik worden genomen. En overmorgen is het dus zover dat de fel begeerde historische tuin in gebruik kan worden genomen.

De tuin laat van de streek de geschiedenis zien die soms wel teruggaat tot het begin van de zeventiende eeuw. Het is een historisch zeer waardevolle en zeker ook compleet overzicht van wat er in de Westlandse tuinbouw sinds die tijd is veranderd. Dat is nogal wat. Dat blijkt al bij binnenkomst in de ‘eerste tuin’. Eenmaal door de poort valt onmiddellijk de imposante schuur op, dik in de teer en bedekt met oud-Hollandse rode dakpannen. In de nok van de schuur hangt een bel. Daarmee werd in het verleden het werkvolk gewaarschuwd wanneer theetijd of schaft (het nuttigen van meegenomen boterhammen) was aangebroken. Ook werd de bel gebruikt om het einde van de werktijd aan te geven.

In de schuur zijn allerlei werktuigen te zien die in de tuin werden gebruikt. Door de brede schuifdeur kon de tuinder zijn groente, fruit of bloemen op een schuit laden en vandaar naar de grote stad vervoeren om de waren aan de man te brengen. Dat gebeurde tot 1880. Toen werden immers de eerste veilingen opgericht. Naast de schuur is een tuin aangelegd zoals die rond 1650 veel voorkwam op buitenplaatsen. Op het landgoed van Frederik Hendrik (de stedendwinger) in Honselersdijk bevond zich een identieke tuin. De markante muren die in het Westland nog altijd te zien zijn, zijn ruimschoots vertegenwoordigd in de historische tuin. Dat varieert van de gewone stenen muur, nog zonder glas, tot de muur met schietglas, de muur met lessenaar en de muur met de kopkas. Bijna nergens is te achterhalen wie al die muren heeft bedacht. De muur met de kopkas lijkt nog het meest op de kassen die nu in het Westland worden gebruikt. In eerste instantie werd de gewone muur, nog zonder glas, vooral gebouwd om de teelt tegen de wind te beschermen.

Kwakeltje
In de ‘eerste tuin’ zijn ook de oude varkensschuren te zien met de daarbij behorende mestputten. Want varkens werden niet alleen gehouden om het vele tuinbouwafval een bestemming te geven, maar uiteraard ook voor de mest die de beesten produceerden. Het Kwakeltje, smalle bruggetjes met over het algemeen slechts één leuning, was vooral bestemd voor de stokers, die zo gemakkelijk van de ketel van een tuin aan de ene kant van de sloot naar de andere kant konden komen. De Kwakeltjes zijn inmiddels bijna allemaal verdwenen. Via datzelfde Kwakeltje in de ‘eerste tuin’ komt men vanzelf in de ‘tweede tuin’. Deze tuin laat vooral de snelle evolutie zien van het kassencomplex in het Westland die varieert van de A-kas, de ijzeren kniekas, het platglas tot het uiteindelijke Westlands warenhuis. Over de naamgeving bestaan nog steeds verschillen van mening. De een beweert dat het genoemd is naar een groot warenhuis dat in 1905 in Den Haag werd gebouwd en zich kenmerkte door een groot glazen dijk. Een andere verklaring voor het woord warenhuis is een stuk eenvoudiger. Men kon in het glazen gebouw allerlei groenten verbouwen en die groenten werden wel waren genoemd, vandaar.

Naast het Kwakeltje was er nog een bijzonder fraai bruggetje in het Westland waarvan veel gebruik werd gemaakt. Dat was de zogenaamde draaiplank, gelegen over een bredere sloot of vaart die werd benut voor de scheepvaart, als was het maar met de veilingschuit. Een draaiplank had twee bruggehoofden, een kleine aan de wegkant en een lange, evenwijdig aan de vaarkant, bij het huis. Op de laatste draaide plank met de enkele houten leuning. Aan de wegkant lag meestal een zeer lange stok met aan het einde een beugel om de gedraaide plank weer op zijn plaats te leggen. Ook de draai is in de historische tuin in Honselersdijk te zien.

Voor deze rubriek werd gebruik gemaakt van het boekje dat door het museum is uitgegeven en dat is ontleend aan een eerdere publicatie van de in 1973 overleden M. C. M. van Marrewijk.

Uit: Westlandsche Courant Dinsdag 16 mei 1995
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol


Liever drie kerken in de buurt dan drie bioscopen. 

Deze maand is het tachtig jaar geleden dat in Honselersdijk het idee ontstond om in dit dorp een eigen gereformeerde kerk te bouwen. Hoe dat ondanks veel tegenwind toch lukte wordt vandaag in Ouder Westland uit de doeken gedaan. 

Uit: Westlandsche Courant 21 april 2001
Door: Aad van Holstein
Foto: uit Westlandsche Courant


De gereformeerde kerk aan de Endeldijk in Honselersdijk.

HONSELERSDIJK
Op een avond in april van het jaar 1921 ontstaat het idee. Twee - in de documenten niet met name genoemde - maar wel invloedrijke gereformeerden uit Honselersdijk willen in hun dorp een eigen kerk stichten. Ze zijn het beu om voor de uitoefening van hun kerkelijk leven wekelijks steeds heen en weer naar de Naaldwijkse kerk aan de Dijkweg te moeten. En omdat het aantal gereformeerden in Honselersdijk sterk groeit, vinden ze dat er iets moet gebeuren. De heren besluiten daar eens serieus met andere gemeenteleden over verder te praten. Dat heeft tot gevolg, dat nog dezelfde maand zeven wel met name genoemde mannen om de tafel zitten, te weten P. M. Hogenboom, M. van der Hout, F. J. Looye, B. Ridder, B. Vermeer, P. Weststeijn en L. Stigter. De pioniers van gereformeerd Honselersdijk. Het is Looye die de leiding van het gesprek op zich neemt en erop Wijst, dat inmiddels niet minder dan tachtig gezinnen uit Honelersdijk tot de kerk van Naaldwijk behoren. "Zou het niet tijd worden om het institueren van, een eigen kerk voor te bereiden?" is zijn heldere vraag. De andere zes zijn het daarmee eens en stellen ter plekke een brief op, gericht aan de kerkenraad. Daar stellen zij vast dat de verzorging der Dijkse Gereformeerden, als Honselersdijk apart zou staan, beter tot zijn recht zou komen". De afstand tot het Naaldwijkse kerkgebouw en Honselersdijk wordt door iedereen te groot gevonden. "Vooral voor ouden van dagen”, zegt een van hen. Het kerkgebouw begint ook te klein worden voor de groeiende Naaldwijkse gemeente.

Afstandelijk
Het schrijven wordt in Naaldwijk nogal afstandelijk beantwoord. Weliswaar met een uitnodiging voor een gesprek, maar als de Honselersdijkers daarop ingaan, horen ze tot hun schrik, dat de Naaldwijkse kerkenraad al heeft besloten tot een negatief advies. “Zie maar van de plannen af, want er zijn te grote financiële bezwaren", is de goedbedoelde raad die de raad meent te moeten geven. Maar de mannenbroeders van Honselersdijk laten niet meteen kluitje in het riet sturen en besluiten, na veel discussie, de kerkenraad onder druk te zetten. Ze willen een nadere toelichting komen geven en stellen voor een comité op te richten dat met meer bevoegdheid aan het werk kan gaan. Maar al tijdens een vergadering van manslidmaten op 17 oktober in de kerk van Naaldwijk blijkt, dat de Honselersdijkers op geen enkele medewerking vanuit Naaldwijk hoeven te rekenen.

Teleurgesteld gaan zij elders advies inwinnen. In Den Haag woont de gezaghebbende predikant dr.  K. Dijk en als ze het geval aan hem voorleggen, komt hij met een even lumineus als voor de hand liggend idee: 'Ga met een lijst rond om handtekeningen te verzamelen. Dat lost meteen de financiële consequenties op'. Daar wil de commissie wel op ingaan, maar om de mensen een goed inzicht te geven in die financiën belegt de commissie op 26 oktober 1921 zelf eerst een lidmatenvergadering waarbij ook de kerkenraad wordt uitgenodigd. Zeventig belijdende leden komen daarop af met als vertegenwoordiger van de kerkenraad ds. K. K. Troost. Op één na is iedereen het er in die vergadering over eens dat er een eigen kerk moet komen, maar als het op de centen aankomt blijken er toch nog wel bezwaren te bestaan. Uiteindelijk kan iedereen zich vinden in het compromis om de kerkenraad te verzoeken in Honselersdijk een wijkkerk te bouwen. Op twee na, tekenen dan alle leden hiervoor. Maar het haalt niets uit. In december blijkt, dat de kerkenraad niet te vermurwen is.

Van Woerden
De Honselersdijkers laten zich echter nog steeds niet uit het veld slaan en benoemen een permanente commissie, die doorzet en gewoon op zoek gaat naar grond voor de bouw van een eigen kerk, De naam Van Woerden valt en zal daarna voor altijd aan die van de gereformeerde kerk van Honselersdijk verbonden blijven, want F. van Woerden heeft een terrein beschikbaar, dat gelegen is aan de Endeldijk en het Poeldijkschepad. Die plek wordt uitermate geschikt geacht voor het plan. Van Woerden stelt na enig praten de grond volledig ter beschikking van de kerk voor een lijfrente van 800 gulden per jaar, te voldoen in twee halfjaarlijkse termijnen van 400 gulden. Het huis van Van Woerden wordt pastorie en iets verderop wordt voor hem een nieuw huis gebouwd, dat later wordt bestemd tot kostershuis. Intussen blijft de kerkenraad van Naaldwijk bezwaren maken, maar is tenslotte toch bereid namens de Honselersdijkers de classis te verzoeken de nodige ambten in Honselersdijk te mogen instellen. Op 21 juli 1922 komen namens de classis kerkvisitatoren naar Honselersdijk, voornamelijk om zoals blijkt de financiële zijde van het vraagstuk te bespreken. Van de negentig biljetten die zijn uitgereikt om de jaarlijkse vrijwillige bijdrage in te vullen, komen er 65 terug met een toegezegd totaalbedrag van 4000 gulden. De overige biljetten zijn niet ingevuld. Er wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat er van die 25 gezinnen nog eens 1000 gulden binnen zal komen, zodat op 5000 gulden wordt gerekend.

Omdat de deputaten vinden dat er eigenlijk 7000 gulden nodig is, komt men ineens 2000 gulden tekort. Er wordt opnieuw gerekend en als dan beloofd wordt dat er extra collectes worden gehouden, zien de cijfers er weer wat rooskleuriger uit. Van de 'classis zelf valt geen financiële steun te verwachten, zo wordt nog meegedeeld. Honselersdijk moet zichzelf maar bedruipen. Bij een stemming in de classis onthoudt Naaldwijk zich diplomatiek van stemmen, de Test stemt voor. Dus de kerk kan er komen. In Naaldwijk mag met instemming van de kerkenraad toch een huis aan huis collecte voor de nieuwe kerk worden gehouden, maar niet iedereen doet daar van harte aan mee. "Ik vind het ver- schrikkelijk, dat op zo'n kleine afstrand als die van Naaldwijk – Honselersdijk - Wateringen drie kerkgebouwen staan", is de mening van een van de gemeenteleden. Als hem echter de vraag wordt gesteld of het niet beter is drie kerkgebouwen te hebben dan drie bioscopen, blijft hij het antwoord schuldig. In een vergadering onder leiding van dominee Troost worden op 14 december 1922 de ouderlingen Jac. van Alten, W. de Bruijn, J. van den Engel en F. J. Looye gekozen en tot diakenen P. M. Hogenboom, L. Stigter en F. Wessteijn. Een lid uit Honselersdijk zegt liever lid van de kerk in Naaldwijk te willen blijven. In de eerste kerkenraadvergadering op 11 januari 1923, gehouden in de School met de Bijbel wordt Looye benoemd tot preases en Van Alten - die tot 1940 hoofd van die school is geweest - tot scriba, De Laan van Persoon en de Kesterselaan worden aangewezen als grens met Naaldwijk. Op vrijdag 11 mei 1923 legt het oudste kerkenraad lid J. van den Engel de eerste steen voor de nieuwe kerk; die op 10 oktober 1923 in gebruik genomen wordt. Drie jaar later wordt een klein pijporgel dat in het begin de gemeentezang begeleidt, vervangen door een sierlijk kerkorgel, van de firma Spiering te Dordrecht, kosten 6200 gulden.

Dominee
Het vinden van een dominee is nog een hele klus. De een na de ander bedankt voor het beroep. Na drie negatieve reacties, wordt op 3 november 1924 ds. P. van Hoven gekozen, die op 15 maart 1925 zijn intrede doet als eerste predikant van de gereformeerde kerk van Honselersdijk. Hij betrekt de geheel gerestaureerde woning van Van Woerden aan de Endel dijk, die vroeger bekend stond onder de naam Landzigt. Ds. van Hoven blijkt zeer geliefd in Honselersdijk, maar moet na vele jaren zijn beste krachten te hebben gegeven in 1944 om gezondheidsredenen met emeritaat. Terwijl de gereformeerde kerk buiten Honselersdijk getroffen wordt door kerkscheuring en andere ellende, blijft de Dijk daarvoor gespaard. Bij het 25-jarig bestaan is de kerk vervolgens uitgebreid onder lei- ding van architect A. Warnaar te Maassluis en krijgen de gereformeerden een eigen verenigingsgebouw 'Rehoboth'.


Dorpsrel bij opening van het gebouw Rehoboth in 1951.

 Het oude gebouw Rehoboth in Honselersdijk brandde 23 jaar geleden tot de grond toe af, naar later bleek als gevolg van brandstichting. Het stond er toen 27 jaar. Maar iedereen is vergeten dat het er eigenlijk niet eens had mogen staan. In 1981 werd het huidige, veel veiliger Rehoboth in gebruik genomen.

Uit: Westlandsche Courant 28 april 2002
Door: Aad van Holstein
Foto's uit: Westlandsche Courant

 
Foto links: De zaal van gebouw Rehoboth gefotografeerd tijdens een feest van veiling Honselersdijk.
Foto rechts: G. L. van Woerden legt in 1980 de eerste steen van het nieuwe Rehoboth.

Vijftig jaar geleden werd het rustige Honselersdijk opgeschrikt door een ware dorpsrel. Het ging daarbij om het gereformeerde verenigingsgebouw Rehoboth. Een verplaatsbaar gebouw dat in 1950 aan het Poeldijksepad is neergezet.
Natuurlijk moet het hele verhaal over Rehoboth worden beoordeeld tegen de achtergrond van tijd waarin het tot stand is gekomen. Een periode van grote schaarste. Het was kort na de oor- g ook heel moeilijk om vergaderruimte te vinden, zeker in Honselersdijk. Nog lastiger was het om toestemming van hogerhand te krijgen om iets te bouwen. De woningbouw had voorrang. Het lag echter voor de hand, dat men toch probeerde één en ander uit de grond te stampen. Dat daarbij de regels niet zou nauw werden genomen, is bekend. Sterker nog: er werd zelfs op gerekend, dat de overheid dat wel een beetje door de vingers zou zien. Dit lijkt dus wel een beetje op de Volendamse toestanden van nu. Pas toen het gebouw Rehoboth al lang en breed was geopend, lazen de Honselersdijkse leden van de kerkenraad van de gereformeerde kerk tot hun verbazing en ontsteltenis in de krant de reden waarom wethouder Jan Emmens (PvdA) bij de opening was weggebleven, hoewel hij wel was uitgenodigd. Via een open brief kwam plotseling de hele voorgeschiedenis van het verenigingsgebouw op straat te liggen. De kerk had, zoals ze dat zelf omschreef, 'een modus gevonden om aannemelijk te maken dat vergunning kon worden verleend'. Maar volgens Emmens was dat gebeurd door een gefingeerde bouwaanvraag in te dienen. Hij was echter van mening dat hij een andere taak had, 'dan te kijken hoe de re- gels het beste ontdoken konden worden'.

Bedenkelijk
Dit kwam bij de Honselse gereformeerden hard aan. Op 28 december kwam de kerkenraad van de gereformeerde kerk bijeen om daarover te beraadslagen. Met name viel de raad over de zinsnede uit het stuk van Emmens waarin hij uitlegde waarom hij niet was komen opdagen. Hij had het daarin over 'bedenkelijke zaken, niet met een deugdelijke moraal overeenkomende'. Zoiets moet je tegen gelovige mensen niet zeggen, vonden ze. Wat was er dan eigenlijk de afgelopen anderhalf jaar allemaal in Honselersdijk gebeurd dat niet door de beugel kon? In mei 1949 had de kerkenraad een aanvraag bij de gemeente ingediend voor de stichting van een semi-permanent gereformeerd jeugdgebouw. In Rotterdam hadden gemeenteleden een bestaand gebouw ontdekt, dat voor 3500 gulden afgebroken kon worden en in Honselersdijk weer opgebouwd. Om het de gemeente Naaldwijk mogelijk te maken voor de bouw ervan bouwvolume te verlenen werd de prijs van het gebouw zo laag mogelijk gehouden. Het zou gaan om een verplaatsbaar gebouw, waarin geen nieuwe materialen zouden worden verwerkt. Voor timmerwerk zou alleen zogenaamd stuwhout worden gebruikt. Wethouder Emmens ging daarmee akkoord, niet vermoedend dat hij een beetje om de tuin werd geleid. In Honselersdijk gingen de gereformeerden intussen enthousiast aan de slag. Het stuwhout kon gemakkelijk worden verkregen, het viel immers buiten de toen nog steeds geldende distributiemaatregelen. De kelder kon worden gebouwd van oude stenen uit tuinmuren aan de Mariëndijk, die door de jongens van de gereformeerde kerk eigenhandig werden gebikt. Een heel werk dat met zijn allen werd uitgevoerd.

Voorbeeldig
Hoe voorbeeldig dit alles ook is, de wethouder voelde zich toch verongelijkt. Hij was er zich tevens verbazend over de omvang van het gebouw, later achter gekomen dat de werkelijke kosten van Rehoboth zeker 30.000 gulden hadden bedragen. Een bedrag dat de kerkenraad - naar eigen zeggen - echter ook in de aanvraag aan B en W had vermeld maar dat dit de wethouder ontgaan was. Volgens de kerkenraad zou dat bedrag ook bij alle overheidsinstanties die eraan te pas waren gekomen bekend zijn geweest. De leges die is betaald bedroeg dan ook 36 gulden en niet 7, welk bedrag zou moeten worden betaald als er sprake was geweest van 3500 gulden. De wethouder was het niet met de gang van zaken eens, omdat hij namens de gemeente als lage- re overheid slechts bouwvolume kon verlenen tot een bedrag van 10.000 gulden en meende dat hij dat ook had gedaan.

"Ik had niet bevroed dat onze geste beloond zou worden met het stichten van een gebouw, dat niet verplaatst kan worden, maar een fonkelnieuw' vast gebouw dat niet 3500 gulden maar zelfs een veelvoud van 10.000 zal hebben gekost", zo reageerde hij. De kerkenraad bracht daartegen weer in het midden, dat alle overheidsinstanties ermee akkoord waren gegaan, behalve achteraf dan nu Emmens niet. Maar het was volgens de kerkenraad niet de hoogte van het bedrag dat Emmens dwars zat, maar - 'en daar mee komt de aap uit de mouw' - het feit dat de bouw volgens de wethouder 'is bekroond met het vestigen erin van een christelijke kleuterschool'. Iets wat naar de mening van de Honselersdijkers helemaal tegen het zere been was van de PvdA-wethouder, die de schoolstrijd nog eens nieuw leven wilde inblazen.

"In de officiële Rijksgoedkeuring staat, dat het gebouw gebruikt kan worden voor de eredienst, opvoeding, cultuur en ontspanning. Dat wij daar ook een christelijke school bij rekenen is onze zaak", reageerde de kerkenraad boos. "Te goeder trouw hebben wij het hele college van B en W uitgenodigd bij de opening. Dat de wet- houder daarbij niet aanwezig was, vatten wij nu op als een protest. Als gastheer hadden wij dat tijdig willen weten", vonden ds. C. van der Tas als preses en H. van den Bos als secretaris van de kerkenraad. Wethouder Emmens reageerde op zijn beurt met de mededeling, dat hij door zijn 'nog steeds vereerde vader in het gezin waar hij uit voort kwam, als belijder van een ongetwijfeld christelijk geloof en in school als hoofd ener openbare school is opgevoed in christelijke en maatschappelijke deugden'.

Verzet
"Geen enkel gemeentebestuur is gerechtigd een bouwvolume uit te geven waar meer dan 10.000 gulden mee gemoeid is. Als ik geweten had dat het om een groter bouwvolume ging, had ik mij er ten stelligste tegen verzet", liet hij weten. De kerkenraad had volgens hem de gemeente nimmer in het overleg hierover betrokken. "Een kelder van liefderijk afgebikte oude steen is onvoldoende om een gebouw als Rehoboth niet nieuw te mogen noemen", aldus de wethouder die zei geen last te hebben van zere tenen, maar wel vond dat onderwijs geven iets anders is dan opvoeden. De wethouder liet fijntjes weten, dat "de bouw bij de meerderheid van het college" achteraf toch niet de sympathie had". Zevenentwintig jaar later - op 14 september 1978 - ontdekte een passerende taxichauffeur uit Poel- dijk 's nachts om half twee dat gebouw Rehoboth in brand stond. Via zijn mobilofooninstallatie waarschuwde hij direct de Naaldwijkse politie en brandweer, die snel ter plaatse waren. Er werd meteen groot alarm gegeven. De voertuigen van Honselersdijk, Maasdijk en Naaldwijk arriveerden binnen tien minuten na de melding. Het vuur werd met achttien stralen bestreden. Door het nathouden van de kosterswoning kon deze gespaard blijven, ondanks het feit, dat de harde wind het vuur flink aanwakkerde. Twee jaar na de brand op 29 augustus 1980 - legde G .L. van Woerden de eerste steen voor het nieuwe Rehoboth, dat op 20 januari 1981 in gebruik kon worden genomen en er nu dus al weer twintig jaar staat.

Bronnen: Gemeentearchief Naaldwijk
Dagblad “Het Binnenhof”
Westlandsche Courant


Hoger platglas geeft in 1912 grotere tomatenoogst. 

Met de Westlandse tuinbouw gaat het zijn gangetje in 1912. In het voorjaar komt er;een nieuwigheid in de tomatenteelt in zwang ,want tuinders in het Westland zijn vanouds echte uitvinders. Deze keer tomatenteelt in hoge bakken

Uit: Westlandsche Courant 13 april 2002
Door: Aad van Holstein

Weet U wat de tuinder links aan het doen is ?  Dit tuindersgezin is aan het peen bossen.
Klik op de afbeeldingen om ze groter te zien.
Weet U wat de tuinder links aan het doen is ? mail dit s.v.p. naar ons door!
Het gezin rechts is aan het peen bossen.
(Volgens mij gewoon aan het aardappel rooien)

Honselersdijk
De veiling Honselersdijk mag dan de eerste veiling in het Westland zijn, die over een elektrisch afmijntoestel beschikt, in 1912 blijkt dat alweer verouderd te zijn. Andere veilingen hebben intussen een veel moderner toestel in gebruik en dus verzet men aan de Dijk de bakens om bij te blijven.
Het toestel hoeft niet weg, maar wordt wat je tegenwoordig noemt gerenoveerd. In het voorjaar van 1912 wordt het grondig nagekeken en gewijzigd. Het nummerbord, dat zich voorheen opzij van de wijzerplaat bevond, is nu in de plaat zelf aangebracht en wel zo, dat bij het afdrukken door de kooplieden met een lichtje het nummer zichtbaar wordt. De bel is daarmee vervallen.
Het verzetten van de wijzer, dat tot dan toe nog met de hand gebeurde, gaat nu automatisch. Dat gebeurt door de afslager, die een binnen zijn bereik staand wiel in beweging brengt. Een hele vooruitgang dus.
Aan beide zijden van de wijzerplaat zijn ook nog eens glazen schermen aangebracht, waarachter de personen zitten die de veiling leiden. Zo heeft men ook op de hoekplaatsen van de koopliedenbank een onbelemmerd uitzicht op het afmijnbord.

Notities
Het nummerbord telt zeventig nummers die in rijen onder elkaar op de wijzerplaat te zien zijn. Ook de banken voor de kooplieden zijn veranderd en van doorlopende lessenaars voorzien. Een koper kan zo onder het veilen door notities maken. De nummers bevinden zich zowel op de voorkant van de banken als er bovenop, zo dat de afslager en de kopers onmiddellijk het nummer kunnen aflezen. Het gaat om een grondige verbetering, waarvan leden, bestuur en kopers nog veel plezier zullen hebben.
De producten die deze klok passeren zijn overigens van geheel andere aard dan later in het Westland gemeengoed zal worden. Het gaat nu nog om aardappelen, aardbeien en andersoortig fruit, zoals in toenemende mate de druif, waar het Westland een groot deel van de vorige eeuw zijn bekendheid aan te danken heeft. De tomatenteelt speelt in 1912 eigenlijk nog geen rol.
Maar natuurlijk praten de tuinders vooral op verjaardagen onderling graag over wat ze links en rechts bij hun collega's hebben zien gebeuren, want de tomaat wint wel steeds een stukje terrein. In 1912 worden ze echter - net als meer nog de komkommers - gewoon onder platglas geteeld. Om de teelt te bevorderen worden er dit jaar voor het eerst hoge, houten bakken getimmerd, waar de ramen van het platglas op gelegd worden. Zo komen ze wat hoger te liggen dan normaal. De op die manier aangepakte teelt blijkt in de praktijk betere vruchten voort te brengen en ook nog eens voor een betere oogst te zorgen. De ramen kunnen later weer dienst doen voor de voor- en navrucht.
"Deze nieuwigheid levert het bewijs, dat het belang der tomatenteelt steeds duidelijker wordt ingezien, zodat deze teelt eerlang wel onder de grote cultures zal gerekend kunnen worden", vermelden publicaties van negentig jaar geleden met een wel heel sterk vooruitziende blik.

Grote flop
Maar intussen gaat de aandacht van veel telers meer uit naar de vroege aardappelen, die op het eiland Jersey al de koppen boven de grond beginnen te steken. En dit voorjaar blijkt al overduidelijk: De aardbeienteelt in het Westland wordt dit jaar een grote flop. De eerste aardbeien zie je weliswaar zo zoetjesaan wel al boven de grond komen, maar het ziet er voor deze teelt over het algemeen heel treurig uit. De streek heeft in het najaar van 1911 immers te kampen gehad met een ernstige droogte, waardoor veel tuinders er maar helemaal niet toe zijn overgegaan nieuwe aardbeien te poten.

Ze hebben daarmee over het algemeen gelijk gehad, want nu blijkt toch dat veel aardbeien het in het geheel niet zullen doen en veel telers hebben besloten de planten maar om te spitten. Als het maar enigszins kan laten weer anderen de planten toch staan, omdat ze daarmee in elk geval plant kunnen winnen. Maar als het over de afzet in het groot gaat dan telt het Westland dit jaar wat de aardbeien betreft niet mee. Die zullen de mooie vernieuwde Honselse veilingklok dit jaar maar mondjesmaat passeren.

Druiven
Maar dat geldt niet voor de druiven. Die hebben - sinds ze niet meer in een zonnig hoekje tegen een muur, maar steeds meer in kassen worden geteeld - minder van het Westlandse klimaat te duchten. In Honselersdijk is het de grote kwekerij Nieuw Honsel, die - eigenlijk voor het hele Westland - wat deze teelt betreft de toon aangeeft. Het grote, schitterende tuinbouwbedrijf ligt op de plek, waar ooit het voormalige lusthof Honselaarsdijk lag. Na afbraak van dit hof, is de grond eerst gebruikt als weiland, maar in 1899 is het de Naaldwijkse tuinder C. van den Berg, die niet minder dan vijf hectare grond koopt en er het moderne Nieuw Honsel sticht. Hij is gewend groot te denken, want hij heeft in Nederlands-Indië gewerkt.

Veilinghaven
Op dat grote, stuk grond komen tal van glazen kassen te staan, waarin uiteraard druiven worden  geteeld. Andere tuinders die ook druiven telen, kijken al jaren tegen dit enorme bedrijf aan, bang als ze in het begin vooral zijn geweest dat dit hun wel eens het brood uit de mond zou kunnen stoten. Maar Van den Berg weet al even lang wat hij doet en teelt maar één druivenras Gros Colman. De oogst gaat naar Engeland.
Hij loopt nu - in het voorjaar van 1912 - alweer met plannen rond om volgend jaar zijn bedrijf nog weer eens flink te vergroten door een grote naast het bedrijf liggende vijver te dempen met grond, die straks wordt afgegraven in Poeldijk als daar een nieuwe veilinghaven moet worden aangelegd.
Van den Berg is tien jaar eerder al begonnen met het telen van asparagus als onderteelt voor de druiven. Ook chrysanten zijn er jarenlang gestekt. Ze worden in grote stenen potten buiten gezet, groeien de hele zomer en worden pas onder het glas gezet als de druiven geoogst zijn. Van den Berg heeft deze manier van telen in Engeland ontdekt en hier nagedaan. Weinigen weten, dat dit bedrijf er in feite voor heeft gezorgd dat de bloementeelt later in het hele Westland is ingevoerd.


Als toegift nog een fraaie pentekening van de Dijkstraat
van voor de demping van de Dijksloot, dus van vóór 1927.

 

Hij loopt harder dan de Uiver.
Robur nog steeds trots op eerste wagentje. 

Het Westlandse uiverwagentje, uitgevonden tijdens de roerige crisisjaren, wordt vereeuwigd in een kunstwerk. Het is straks te zien in Kwintsheul. Het bedrijf Robur, waar het wagentje werd ontworpen, is er nog steeds trots op.

Het eerste uiverwagentje dat onder meer werd gebruikt voor het vervoeren van kistjes groenten naar de veiling.

Door: Ellen Lengkeek
Uit Westlandsche Courant januari 1999

Honselersdijk / Poeldijk
Het is bijna zestig jaar geleden dat bij buiswagen fabrikant Robur van de gebroeders Rodenburg in Honselersdijk het eerste uiverwagentje werd gebouwd. Het wagentje, dat ook Roburwagentje, ramenwagentje of één bander werd genoemd, is daarna met duizenden exemplaren tegelijk over de denkbeeldige toonbank gegaan. Aanvankelijk werd er over dat  gekke karretje van Robur met een luchtband' een beetje lacherig gedaan. 'Dat wordt toch niets', zo werd gefluisterd. De oude Westlandse tuinders kregen ongelijk.
Het bleek een baanbrekende uitvinding te zijn: Niks geen gesjor meer met karren met houten wielen, waarmee de groenten naar de veiling werden gebracht. Sterker nog, het karretje van de broers Rodenburg, toen zo'n 20 en 30 jaar oud, kon worden afgeladen en ook nog gemakkelijk worden opgetild. 'Hij loopt nog harder dan de Uiver', klonk het al gauw, waarmee werd verwezen naar het gelijknamige vliegtuig dat als eerste rechtstreeks naar Indonesië vloog.
Nu het wagentje door Niek Kortekaas is vereeuwigd in een kunstwerk, dat in april aan de Kerkstraat in Kwintsheul wordt onthuld, komen de herinneringen weer boven.
Jan van Staalduinen (44) is sinds 1995 directeur van Robur, dat momenteel na wat omzwervingen is gevestigd aan de Monsterseweg in Poeldijk. Enthousiast pakt hij een gedenkboek dat is gemaakt ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van NV Robur 'transportwagen en transportwagenfabriek'. "Kijk", zegt Van Staalduinen terwijl hij het vergeelde album openslaat, "hier heb je nog een oude foto van de medewerkers bij het vliegtuig. Dat is toen als een grappig uitje georganiseerd vanwege de uitvinding van het wagentje". Op het vliegtuig is nog de oude naam van Martin Airways te lezen: 'Martin's Air Charter'.
In het fotoalbum staan de Robur oprichters, Krijn en Cor Rodenburg, nog als kleine jongens afgebeeld. Krijn werd geboren op 24 augustus 1892
en volgde de lagere school, 'die hij met goed gevolg had doorlopen', leren de annalen. Omstreeks zijn twintigste jaar volgde hij de Academie voor Technische Wetenschappen in Rotterdam. In de jaren 1907 tot 1915 is hij met korte onderbrekingen in dienst geweest bij de Gemeentelijke Elektrische Centrale in Naaldwijk. Daar bleek hij ook al over technisch inzicht te beschikken. 'Hij bediende de machine tot volle tevredenheid en verrichtte zelf de nodige reparaties hieraan', vertelde zijn baas.
Broer Cor werd geboren op 20 november 1902. 'Hij kwam op een heel andere manier op het punt waarop de firma Rodenburg werd gevestigd', leert de geschiedenis. Hij doorliep met succes de mulo en hbs. Een studie aan de Technische Hogeschool in Delft, afdeling mijnbouw, kon hij niet voltooien 'om redenen van financiële aard'. Wel volgde hij later privé wiskunde bij professor Schuh.

Herstelplaats
Na verschillende baantjes te hebben gehad namen de broers op 7 januari 1922 een grote sprongen begonnen in een loods achter het woonhuis aan de Endeldijk in Honselersdijk een eigen bedrijf. Volgens de vergunning van de Hinderwet ging het officieel om een herstelplaats voor machines met een draaibank, één slijpsteen en één boormachine.
In de crisistijd, begin dertiger jaren, kreeg ook het bedrijf Robur het bijzonder moeilijk. "Alle zeilen moesten worden bijgezet", weet Van Staalduinen. "Zelfs de administrateur van het bedrijf moest verf gaan maken. De gebroeders Rodenburg zagen toen ook goed hoe hard de tuinders in deze crisis"' jaren moesten werken om hun gezin te kunnen onderhouden. Elke morgen kwamen de tuinders langs de werkplaats met kisten vol groenten op een zware houten kruiwagen. Ze gingen zo op weg naar de veiling".
Het zien van al dat gesjouw zette de broers aan het denken en zo kwam en zij met het plan om een stalen buiskruiwagen te ontwerpen.
"Van lasdraad werd de vorm van het frame uitgeprobeerd waarbij goed naar de plaats van het wiel werd gekeken. Hierna werd met een geïmproviseerd buigbaar houten schijfje het frame van de elektriciteitsbuis precies nagebogen en gelast. In plaats van het houten spaakwiel werd bovendien een veel lichter lopend luchtbandwiel gemonteerd. Rond 1934 was de bekende uiverwagen een feit", aldus Van Staalduinen nog altijd een beetje trots is op de uitvinding.
"Het echte succes kwam kort na de Melbournerace in 1934.
Stel je voor. Eerst zeulden ze die zware houten karren voort en toen wandelde er heel demonstratief een man het veilingterrein op met een volgeladen buiswagentje. En dan met z'n pinken losjes in de uiteinden van de handgrepen! Toen werd er echt niet meer gefluisterd!".
Het wagentje bezorgde het bedrijf Robur feitelijk een gezonde toekomst en voor het vervoer van tuinderproducten, was het een enorme verbetering. In 1935 werden al 400 wagens gebouwd. Eind 1962 waren dat er al ruim 8700. Hierna breidde het aantal wagens zich steeds meer uit. Er kwamen ook steekwagens, gemaakt van stalen buizen en wagens met meer wielen.

Tragisch
In 1949 werd de vennootschap onder firma opgeheven en Robur transportwagenfabriek opgericht. In 1950 opende Robur een fabriek aan de Stationsweg. Op 27 oktober 1952 maakte een tragisch verkeersongeval op de huidige A20 nabij Maassluis een einde aan het succesverhaal van de heren Rodenburg. Beide broers kwamen daarbij om het leven.
Vrienden van het tweetal en de Rotaryclub Westland zorgden er voor dat het bedrijf bleef bestaan. Onder leiding van Van Staalduinen gaat Robur nu door als innovatief ontwerp- en fabricagebedrijf op het gebied van interne transportsystemen voor de industrie-, tuinbouw- en handelssector.

 


Het eerste uiverwagentje dat onder meer werd gebruikt
voor het vervoeren van kistjes groenten naar de veiling.

Onderstaand bericht op 25 april 2005 ontvangen van Adriaan Rodenburg, zoon van Krijn Rodenburg:

"Het verhaal in de Westlandse Courant klopt niet helemaal. De naam is inderdaad ontleend aan de Londen-Melbourne-race waaraan het Nederlandse vliegtuig de Uiver o.l.v. Parmentier deelnam. Mijn vader Krijn bedacht de naam toen hij met zijn broer Cor ging kijken naar de tussenlanding op Schiphol."

Hartelijk dank Adriaan Rodenburg voor de aanvulling.

 

‘Sompig’ schooltje in 1963 onbewoonbaar verklaard.

Veertig jaar geleden ontstaat er opschudding in Honselersdijk, wanneer het oude schoolgebouw aan de Dijkstraat 'onbewoonbaar verklaard' wordt. De tekeningen van een nieuwe school zouden bovendien zoek zijn. Dus is het tijd voor ingrijpende maatregelen.

Uit: Westlandsche Courant 10 mei 2003
Door: Aad van Holstein


Het oude schoolgebouw (links) aan de Dijkstraat in Honselersdijk. Menig bruiloft is er gevierd.

Het heeft ongeveer op de plek gestaan, waar je nu in de Dijkstraat een Videotheek en een café aantreft: het architectonisch opvallende, oude gebouwtje van de openbare lagere school (OLS II) in Honselersdijk. In het voorjaar van 1963, als het in gebruik is als R.K. kleuterschool, verkeert het echter in buitengewoon desolate staat. De tand des tijds heeft er zo ernstig aan gevreten dat de autoriteiten het niet langer verantwoord achten de kleuters er in onder te brengen. Veel mensen hebben er slapeloze nachten van. Moeten we onze kinderen daar heen brengen? Anderen vinden dat weer overdreven. Maar wie de school objectief binnenstapt, kijkt toch wel even op van de trieste toestand waarin de vier klaslokalen verkeren. Als je erdoorheen loopt, krijg je werkelijk het idee dooi een drassig weiland te sompen. In een van de lokalen zit zelfs een groot gat in de vloer, waaruit blijkt dat die door en door vochtig, verrot en vermolmd is. Gelukkig kan niemand er echt doorheen zakken, want het hout ligt plat op de eronder liggende plavuizen. Dat daar geen ruimte tussen is nu juist de oorzaak van het rottend hout. Van buitenaf ziet het er nog niet zo zorgelijk uit, maar het bijna negentigjarige gebouw zelf is -zeggen deskundigen- eigenlijk hard aan sloop toe. En als dat enkele jaren later ook gebeurt, verdwijnt er wel weer een karakteristiek pand uit de negentiende eeuw uit de gemeente Naaldwijk, waar dat ook al het geval is geweest met de eveneens openbare lagere school (OLS I) in de Molenstraat tussen de Prinses Julianastraat en de Martinus Dorpiusstraat. Die moet wijken voor moderne winkelpanden.

Plechtig
Burgemeester J. A. van der Goes, die van 1851 tot 1881 zijn ambt in Naaldwijk bekleedt, heeft op plechtige wijze in 1875 de eerste steen van het schooltje aan de Dijkstraat gelegd. De grond is gekocht van W. Steenks en het gebouw is door aannemer A. van Klaveren uit Krimpen aan den IJssel opgetrokken voor de somma van 12.000 gulden. Nog hetzelfde jaar kan de school in gebruik worden genomen en kunnen de bewoners van de Dijkstraat genieten van het gezang van de schooljeugd. Tot de helft van de jaren dertig heeft het gebouw ten dienste afgestaan van het openbaar onderwijs in Honselersdjjk. Als het te klein wordt, besluit de gemeente tot de bouw van een nieuwe school aan de Molenlaan, die in 1935 in gebruik wordt genomen. Het gebouwtje aan de Dijkstraat komt dan in Katholieke handen en verliest zijn onderwijs bestemming. Als gezellenhuis van het patronaat blijkt het echter zeer goed te voldoen. Later wordt de muur tussen twee lokalen weggebroken en vervangen door een zware ijzeren stutbalk om ruimte te creëren voor een feestzaal. Menig Honselelsdijks echtpaar, dat in de nabijgelegen kerk trouwt, viert daarna de bruiloft in dit gebouwtje, dat uiteraard ook voor tal van andersoortige feestelijkheden wordt benut. In de Tweede Wereldoorlog kunnen de Honselersdijkse parochianen er bovendien hun leeshonger stillen, want dan wordt de bibliotheek erin gevestigd. Zolang de oude zolder met rust wordt gelaten, heeft dat geen merkbare gevolgen voor het gebouw. Maar als na de oorlog -in 1949- de zusters er met de kleuterschool in trekken, komen er grote veranderingen. De zolder wordt ingericht als naaiklas. Als de zusters die later opheffen, omdat zij Honselersdijk weer gaan verlaten, wil de parochie het zaaltje niet ongebruikt laten en wordt het benut voor het jeugdwerk. Maar daar was deze omgebouwde zolder totaal ongeschikt voor.

Genadestoot
In 1963 blijkt dat het gebouw mede daardoor al te gauw aan het einde van zijn krachten is geraakt De strenge winter geeft uiteindelijk de genadestoot, want na het invallen van de dooi blijken sommige muren gewoon bol te staan en heeft men te kampen met ernstige lekkages. Teil, pannen en emmers staan overal het druppelende water op te gangen om daarmee te proberen de boel droog te houden. Het pleisterwerk brokkelt steeds meer af en de toiletten zijn niet meer te gebruiken, omdat daarin hele plafonds zijn gevallen. Hoewel de gemeente Naaldwijk direct in actie komt en de muren nog wil stutten om het schoolgebouw toch nog te kunnen gebruiken, keurt de inspecteur van het kleuteronderwijs van de negende inspectie, waar Honselersdijk onder valt, het gebouw af. De inspecteur is een beetje geïrriteerd naar Honselersdijk gekomen, want hem wordt verweten dat de plannen die de R.K. kleuterschool in Honselersdijk heeft ingediend voor nieuwbouw op zijn inspectie zijn zoekgeraakt. Hij ontkent dit ten stelligste.

Bureaucratie
Uit zijn woorden valt af te leiden dat het gewoon door een staaltje bureaucratie komt dat het schoolbestuur nog steeds niets vernomen heeft. In maart 1962 was al een urgentieverklaring afgegeven voor de bouw van twee nieuwe lokalen, maar door het betreffende bureau per ongeluk op 1961 gedateerd, zodat er geen aandacht meer aan geschonken is en zo de vertraging kon ontstaan. Voor het nijpende Honselse probleem voor de kleuters is echter een oplossing gevonden. Om hun onderwijs toch zo veel mogelijk te laten doorgaan wordt besloten de kinderen voorlopig maar in het houten verenigings gebouw Hofwijck onder te brengen. De parochie is bereid de kleuters daar tijdelijk onderdak te bieden. Dat brengt wel grote moeilijkheden en veel ongerief met zich mee, maar dank zij een roulatiesysteem kunnen de kinderen toch weer naar school. De ene week zijn de klassen van juffrouw Ria Hartman en juf Irene Knijnenburg aan de beurt, de andere week de klas van juf Leny van Dijk en iuf Leny Sosef. Maar of er bezoekers van de huidige videotheek en het café in de Dijkstraat zijn, die zich dat nog kunnen herinneren valt sterk te betwijfelen.

 

Amalia van Solmsstraat, Ned. Herv. Kerk vlak voor de sloop in 1985, foto's op 21-06-2011 ontvangen van: Rik Laernoes & Adriaan Rodenburg, waarvoor onze hartelijk dank.

 

 

 

Het onderstaande artikel ontvingen wij van Dhr. Lucas Koorneef,
waarvoor onze hartelijke dank !

        *   DE  WILDE  ZEE   *

Naaldwijk, september 1968                        uit Oud Westland                                  Jan Emmens 

                     

Op blad 8 van de atlas van Delfland, vóór 1712 vervaardigd door de gebroeders Kruikius, staat onder Honselersdijk aan de Mariëndijk een boerderij  aangegeven met als bijschrift "De Wilde Zee".

Wanneer deze benaming niet op genoemde kaart voorkwam,  zouden ongetwijfeld bijzonder weinig mensen er van op de hoogte zijn, dat eens in onze streek deze naam voortkwam. In de kringen der agrarische bevolking waar oude veldnamen en boerderijnamen met grote hardnekkigheid plegen voort te leven, was de naam "De Wilde Zee"zo goed als vergeten. Aangezien sinds enkele jaren de boerderij afgebroken is, en over niet al te lange tijd elke herinnering er aan uitgewist zal zijn, lijkt het nuttig nog eens één keer aandacht te besteden aan de ontwikkeling die zich hier in de loop der tijden heeft voltrokken.

De Mariëndijk vormde eens een deel van de zuidelijke waterkering van de tot in de vroege middeleeuwen actieve getijrivier de Gantel, die gevoed werd vanuit een zijarm van de Maasmond, door dr. A.A. Beekman "de Hey"genoemd. De activiteiten van de Gantel vormden in een gebied dat allengs weer bewoond en ontgonnen werd, in wijde omtrek een geduchte hindernis, die een rationele explotatie van de gronden bemoeilijkte. Slechts het temmen van deze kwelgeest zou perspectief kunnen bieden aan een verdere ontwikkeling van de streek, veilige vestigingsplaatsen en productie van voedsel voor mens en vee mogelijk maken. In eerste instantie-en wel vóór het tot stand komen van de zogenaamde Zwartendijk, die vanaf de hoge geestgronden oostelijk van Monster, aansloot op een toen reeds bestaande oude bedijking van Maasland, nu de Oude Campseweg heeft men aan de noordzijde van de Gantel een dijk gebouwd ( de Poeldijk ), terwijl  eveneens vanaf de hoge geestgronden nabij de Baakwoning onder Naaldwijk, langs de zuidzijde van de Gantel een dijk werd gelegd.
De tegenwoordige wegen in Honselersdijk: Dijkstraat, Endeldijk en Mariëndijk, geven daar ter plaatse nog het beloop van deze dijk aan.

Ter hoogte waar later "De Wilde Zee" gebouwd zou worden, boog deze dijk af in zuidelijke richting om halverwege "De Wilde Zee" en de Middelbroekweg wederom af te buigen naar een punt waar laatstgenoemde weg een zijweggetje in noordelijke richting heeft, dat wij nu abusievelijk het Slimpad noemen. Van hieraf liep de dijk naar een punt aan de Kwintsheulweg te Wateringen, ongeveer 400 meter oostelijk van de Heulbrug. Daar ter plaatse verbond een dwarsdijk, door Kruikius als de Hoge Dijk aangegeven, de noordelijke en de zuidelijke Ganteldijk. Als gevolg van deze werken was het gestuwde Gantelwater beperkt geworden; de latere aanleg van de Zwartendijk zou de turbulente getijrivier beteugelen tot een stilstaande Poel.

 

Noch het tijdstip waarop deze twee dijkstelsels tot stand gekomen zijn, noch wie het initiatief tot aanleg ervan ter  hand genomen heeft, c.q. de kosten ervan te dragen heeft gekregen, zijn bekend. Slechts de in de archivalia voorkomende namen zouden misschien een aanwijzing kunnen geven in welke richting gedacht kan worden.   

Wat wij nu de Mariëndijk noemen, komt oorspronkelijk voor onder de naam Monstersdijk, plaatselijk ook wel de Stomperdijk genoemd; deze vormde eeuwenlang de scheiding tussen de rechtsgebieden van Monster, Naaldwijk en Wateringen. Is vanuit het kerspel Monster -we zullen namelijk het tijdstip van de aanleg wellicht moeten zoeken vóór de opkomst van de ambachtsindeling- dit werk ter hand genomen? Dit in overweging nemende moet men er wel op bedacht zijn dat er waarschijnlijk zowel van de kerspel- als van de vroegere ambachtsorganisaties weinig bestuurskracht is uitgegaan, terwijl het tot stand brengen van een primair dijkstelsel in die tijden toch wel een groot werk moet zijn geweest.

De Zwartendijk wordt in de 14e eeuw nog wel eens "des Graven dijk"genoemd. Dit geeft voet aan de gedachte dat mogelijk een van de Dirken uit het Hollandse Huis iets met de aanleg van deze dijk te maken heeft gehad, al zal het moeilijk zijn hiervoor deugdelijk bewijsmateriaal aan te voeren.  

De heer Edward van Bergen uit Naaldwijk, een beschrijver der lokale historie in het eerste kwart van deze eeuw, meent de naam Mariëndijk in verband te moeten brengen met de aan Maria gewijde kapel die het kapittel van Naaldwijk onder Honselersdijk zou hebben bezeten. Hij steunde waarschijnlijk op de opvattingen van de hoofdonderwijzer H. van den Berg, die in 1842 een alleraardigst beknopt boekje over Naaldwijk schreef. Deze schrijver op zijn beurt, gaat blijkbaar weer uit van schrifturen van de koopman-dichter Willem  van der Pot, die in de tweede helft der 18e eeuw te Honselersdijk de buitenplaats "Endeldijk" bezat. Uit niets blijkt echter, dat de Kapittelheren van Naaldwijk een kapel te Honselersdijk bedienden, terwijl de mening van Van der Pot tot stand is gekomen als gevolg van een onjuiste interpretering van termen voorkomende in oude transportbrieven.

Bovendien is het nog de vraag of de naam Merriëndijk iets uit testaan heeft met de maagd Maria. Het is een jongere vervorming van het eeuwenlang voorkomende Merriëndijk, welke benaming zeer wel van andere herkomst kan zijn geweest. Tot voor enkele tientallen jaren spraken de oudere bewoners van Honselersdijk steeds over de Merriëndijk. Aan deze Merriëndijk nu verwierf de Cisterciënser Abdij van Loosduinen, gesticht in 1231, grondbezit hetwelk in 1378 groot was 31 morgen of bijna 26 ha; en aan  het einde van de 16e eeuw 39 morgen 3 hont besloeg ( 34 ha ). De leden van genoemde orde legden zich naast het betrachten van hun geestelijke regels toe op het exploiteren van landbouwgronden. Zij hebben dan ook op het belangrijkste bezit aan de Merriëndijk een "uithof"gesticht, die middels de toen reeds gegraven wateren, de Wennetjessloot en de Holle Watering, per schuit gemakkelijk bereikbaar was, evenals de "uithof" die dezelfde Abdij had liggen in Dijkpolder nabij de Wateringseweg.  

Omtrent de juiste ligging van het bezit bij Honselersdijk geeft het Kaartboek van de Abdij, maar vooral het Kaartboek van Naaldwijk uit 1620 een juist inzicht, evenals van de bezitters en gebruikers uit die tijd, De landerijen waren inmiddels door de beheerder van het Geestelijke Kantoor te Delft op last van de Staten van Holland verkocht en in diversen handen overgegaan. Ze worden in het Kaartboek van Naaldwijk genoemd in het tweede deel van het 6e kwartier in de artikelen 32 tot en met 37. Het grootste gedeelte was toen in het bezit van de weduwe van de overleden Haagse koopman Hendrik van Bueren, die in het van de 17e eeuw in de omgeving van Poeldijk veel grond aankocht en onder andere het jachthuis "Torenzicht" stichtte. Ten onrechte wordt dit laatste gebouw vrijwel steeds aan Johan van Oldenbarneveldt toegeschreven.

Het huis-perceel met 8 hont land, toen grotendeels boomgaard, was in gebruik bij Claes Dircxzn Cuvenhoven, in welke naam  we duidelijk de in het Westland welbekende naam Kuyvenhoven herkennen. Omstreeks 1620 was verder 8 morgen van de voormalige uithof bezit van de erfgenamen van "Barneveldt in den Hage". De stad Rotterdam kocht in 1581 dit land van het geestelijke kantoor; het werd op 15 maart 1582 voor schout en schepenen van Monster getransporteerd en op diezelfde dag voor dat college wederom getransporteerd op Johan van Oldenbarnevelt. Bezit en ligging van dit land heeft aanleiding gegeven tot een wijd verspreid misverstand.

Na verkoop in 1624 door de weduwe van Van Oldenbarnevelt, komt het na enige transporten en verervingen door aankoop in 1762 in handen van de eerder genoemde Willem van der Pot. Deze dichtte een Hofdicht op zijn buitenplaats Endeldijk. Daarin nodigt hij zijn denkbeeldige gasten, Prinses Carolina en haar echtgenoot vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, die in de zomermaanden van 1760/1765 op het Slot Honselersdijk verbleven, uit om varende in zijn jachtje zijn bezit te gaan bezichtigen. Daarbij belandt men op de Gantel om na korte tijd roeien te komen aan het land hetwelk eens aan "de grote Barnevelt" toebehoorde. Het onvoldoende kritisch lezen van de regels 773/791 door de hoofdonderwijzer Van den Berg van dit Hofdicht is de oorzaak dat deze het land van Endeldijk en Torenzicht voor bezit van Van Oldenbarnevelt aanziet  Vanaf 1842 waart dan de legende rond dat Endeldijk bezit van Van Barnevelt zou zijn geweest, en dit niettegenstaande de rechterlijke archieven van Monster duidelijk andere gegevens bevatten.  

Tot voor een kleine halve eeuw stonden aan de toegang van deze 8 morgen, bij het tuindershuis van de familie Van der Knaap, twee zware gemetselde dampalen; op één er van was nog vaag het opschrift Endeldijk te lezen: een laatste herinnering aan Willem van der Pot.  

De boerderij "De Wilde Zee" was een laat 16e of vroeg 17e eeuws  Zuid-Hollandse krukwoning. Het moet in zijn goede tijd een fraai en aantrekkelijk boerenhuis zijn geweest met goede verhoudingen en een vriendelijk aanzien. Het gebouw is later door verbouwingen lelijk geschonden en verkeerde reeds vrij geruime tijd in ernstig verval. Het werd het laatst bewoond door de landbouwersfamilie Van Staalduinen, die door verkoop van land ten behoeve van te stichten  tuinbouwbedrijven langzamerhand de boerderij geliquideerd heeft.  

De Mariëndijk was tot voor een 40 tal jaren geleden nog een landelijk koolas weggetje, met langs de zuidzijde knotwilgen en een uitzicht op bouw- en weilanden. Het had toen nog het aanzien zoals Willem van der Pot het in hoogdravende taal in 1762 geschilderd heeft. Langs de noordzijde bevonden zich naar de huidige maatstaven gemeten in oppervlakte vrij grote tuinbouwbedrijven. Bij de woning van Staalduinen was de weg met een draaibaar hek afgesloten, met ernaast een zogenaamd "klaphek", voorheen algemeen voorkomende op boerenbedrijven in het Westland, waarvan voetgangers en fietsers gebruik konden maken. Door de schuine ophanging van het hekje viel dit automatisch met een harde klap achter de passanten dicht. De techniek van dit hekje maakte het onmogelijk dat het vee er gebruik van maakte. Aan het einde van de laan van Staalduinen aan de Middelbroekweg, was een soortgelijke afsluiting aangebracht en de voetgangers en fietsers bewogen zich gedurende zomermaanden tussen het rustig  grazende vee. De gehele omgeving ademde toen nog de rustige sfeer van het Westlandse boerenbedrijf.

"De Wilde Zee" zou door Monumentenzorg geplaatst worden op de voorlopige monumentenlijst. Helaas, vóór deze in het openbaar kon verschijnen was de hoeve gesloopt en van het toneel verdwenen. Slechts één van de bijgebouwen vormt nu (sep  1968) nog de achtergrond van een weinig gelukkig stedenbouwkundig tafereel, daar ter plaatse te aanschouwen. Tussen bedoelde oude schuur en enkele nietszeggende bouwsels van de jongste tijd is ten dienst van een expeditiebedrijf een autoberging verrezen. Na het niet slagen van deze onderneming wordt in deze grote garageruimte een Cash en Carrybedrijf uitgeoefend, met de funeste invloed  daarvan op de omgeving.

De eens zo landelijke Mariëndijk moet nu plaats bieden aan tientallen auto's van een van heinde en verre komend koopgraag publiek. En als de weg onvoldoende ruimte biedt aan al deze voertuigen, welnu dan is deze te vinden op het aangrenzenden stukje weiland, daar waar eens volgens van der Pot: "bij deze koe de melkmeid zit gebukt en, zingende, den room uit de uier drukt".  

Hoe anders is dit beeld en dat van de cisterciënzer monniken, die eens in deze uithof hun arbeid voor het stoffelijk welzijn van de leden van hun orde hebben verricht als een Gods welgevallig werk, en wat de Wilde Zee ons nu te zien geeft. Verdwenen zijn de uitgestrekte akkers en weiden, verdwenen ook de omringende boomgaarden die in een later tijdperk Kruikius hier tekende. De nuchtere bouwsels van de glazen stad zijn er voor in de plaats gekomen. Waar eens in sierlijke voornaamheid het werk van een 16e eeuwse bouwmeester en ambachtsman troonde,  staat nu een schamel exempel van de 20ste  eeuwse architectuur. Welk een culturele verarming! Met verbijstering vraagt men zich af hoe zo iets mogelijk is in een tijd van een herlevende cultuurbewustheid, in een land waar cultuurbezit in de vorm van gebouwen en landschappen beschermd wordt, waar in de vorm van streek- en bestemmingsplannen de overheidsorganen het instrument, het gereedschap in handen is gegeven deze ontwikkelingen te keren. 

Laat hetgeen hier heeft plaatsgevonden een aansporing zijn voor een ieder die het bewaren van oud cultuurbezit ter harte gaat, het werk van heemschutters en historici te steunen.  

Hoe kwam "De Wilde Zee"aan deze, voor een boerderij vreemd klinkende naam? Onze oud-secretaris de heer A. van der Marel heeft gewezen op de mogelijke samenhang tussen deze naam en de gelijkluidende van de woning van de Haagse burgemeester Jacob Corneliszn. van Wouw, die leefde van 1545 tot 1627. Hoe deze relatie precies gelegen heeft is wegens het incompleet zijn van de rechterlijke archieven in het laats der 16e en begin der 17e eeuw, nog niet te bewijzen.  

De volgende punten vragen echter de aandacht:
In het Kaartboek van Naaldwijk wordt "De Wilde Zee"met name genoemd en is volgens de tekst eigendom van de weduwe Van Bueren in Den Haag. De naam stond toen dus reeds vast.  

Uit een kaart van 1595 van landmeter Floris Jacobszn. A.R.A. T. folio 21 blijkt dat toen nog 21 morgen van de voormalige uithof, waaronder het perceel met huis, stond ten name van het convent, d.w.z. nog onder het beheer stond van het geestelijk kantoor te Delft. Ongeveer 18 morgen waren toen reeds aan diverse personen verkocht, o.a. 8 morgen aan Van Oldenbarnevelt.

In 1615 verkoopt Joost Janszn. Vos de Hoochwerf, wonende in Monster-ambacht, aan Hendrik Janszn. koopman in Den Haag 14m. 3h. 34r. teelland omtrent de Merriëndijk. Onder de belenders van dit land wordt echter geen Van Wouw genoemd, noch de naam Uyrendael, die van de vrouw van Van Wouw waarvan verondersteld wordt dat zij De Wilde Zee in de familie Van Wouw zou hebben gebracht. Eerst in 1645 komt een jonkheer Andries van Wouw voor als belender aan de Mariëndijk, echter niet nabij De Wilde Zee.

De weduwe Van Bueren verkoopt in 1650 aan Andries Jacobszn. van Wouw twee percelen land samen groot ruim 4 morgen. Deze percelen hebben blijkens de transportacte deel uitgemaakt van het transport in 1616 door Joost Janszn. Vos een deel ervan lag volgens de belendingen ten noorden van de Woning. In het Kaartboek van Naaldwijk staat in een later handschrift, tegen de Gantel, geschreven : Van Wouw

  Van Wouw 1545-1620

In 1686 wordt De Wilde Zee met 32 morgen 2 hont land in zijn geheel door een erfgenaam van de familie Van Wouw, de weduwe Frederik Vosters, getransporteerd op Barent van Hanschot en Jacob van Leeuwen, beiden in Den Haag.
Het is duidelijk dat voor onderzoekers het terrein van De Wilde Zee nog niet afgegraasd is.
Note! De allerlaatste bewoning is door de familie: P. Kool (1965 )