Veel van onze verhalen komen uit:

 

 

Hieronder een aantal snelzoekers voor deze pagina:

Garage VIOS   Boerderij Suydervelt Wateringen  Dempen vaart Wateringen

Drollenvangers en borstrokken   Het winkeltje van Mijntje en Truitje

Verliefd, Verloofd, Verloren  Inval Duitsers in Wateringen op film.

Lelijk van buiten, maar mooi van binnen, de RK kerk van Wareringen.

Zwembad De Waterman, idee van voorzitter ijsclub

Leven aan de Zweth rond 1900   De preekstoel. 

 
Stoomspuit blust brand in toren Ned. Herv. Kerk  1940, hoge Duitse officier doodgeschoten


  Historie van Wateringen  De hervormde kerk, de oudste gegevens.  

 
Plein blijft gewoon plein heten   Van buitenplaats tot Hofboerderij.

 Piet Lipman, eerste Westlandse pelgrim 
Katten in Wateringen voor consumptie aangeboden


 

 

Garage VIOS te Wateringen

 


Het gebouw van VIOS werd in 1999 tot gemeentelijk monument uitgeroepen.

Door: Piet van der Valk
Kijk ook op:
www.hethelewestland.nl
 klik op: monumenten voor meer historische verhalen

Een hoefsmederij was er reeds vóór 1750 op het Plein in Wateringen. Deze staat prominent op de historisch prent 'Gezigt van het DORP WAATERING van binnen te zien' van P.C. la Fargue 1729 – 1782. In de travalje werden de paarden beslagen en deze stond rechts voor de Nederlands Hervormde kerk. In 1835 kocht Johannes Lipman de smidse voor de som van ƒ 3.050,=, en vanaf dat moment bleef de familie Lipman van vader op zoon of dochter op het Plein te Wateringen gevestigd. In 1936 werd bij een reconstructie van het Plein de oude smederij afgebroken. Maar we gaan nog even iets verder terug naar de jaren net na de eeuwwisseling. Toen begonnen de broers Jan en Piet Lipman op het Plein naast de Kerk in de oude smederij, aan fietsen te sleutelen. In eerste instantie legden zij zich toe op reparaties, later gingen ze ook onder 'n eigen label fietsen bouwen.

Piet Lipman In 1913 nam Johannes Petrus Lipman (Jan) 1874 – 1942, de smederij van Van Deursen uit Voorburg over en huwde juni van dat jaar met Cornelia Verlaan. Ongeveer dezelfde tijd gaat zijn broer Petrus Hendricus Lipman (Piet) 1887 – 1973 door met de fietsenzaak en verhuisde in 1917 naar de hoek (toen begin) van de Kerklaan. In dit pand was voorheen een mandenmakerij gevestigd, aan de overzijde stonden de 7 woningen die als 'de 7 plagen werden aangeduid'. Piet Lipman trouwde in 29 november 1916 met Elisabeth Maria Jansen 1894 – 1984, zij kregen tien kinderen waarvan er 2 jong stierven. Men bouwde toen naast fietsen ook motorfietsen aan het Plein. Jan en Piet zelf reden in die tijd een stoomfiets, die overigens wel het nodig lawaai veroorzaakte. Jan bouwde later een motorfiets met zijspan voor zichzelf en zijn dochter herinnerde zich de vele ritjes die ze met haar Pa door de streek maakte. Het is ook de tijd van de stoomtram in het Westland en over uitbreiding van het spoor naar Wateringen en Kwintsheul werd toen regelmatig gesproken. In 1916 werd ook de voormalige dokterswoning in de Kerklaan aangekocht, aangepast en in gebruik genomen. Op het pand verscheen de naam V.I.O.S. (Vooruitgang Is Ons Streven) een naam die men zelf had bedacht en al jaar en dag werd gebruikt.

Of er in die tijd verbindingen zijn tussen de Lipmannen en de voetbalvereniging VIOS Den Haag opgericht in 1914, is niet duidelijk. In 1920 werd er weer aangekocht en breidde het bedrijf zich verder in noordwestelijke richting uit, taxidiensten groot en klein was toen corebusiness. De W.S.M. Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij maakte toen definitief bekend dat er geen stoomtram naar Wateringen komt. Voor Piet Lipman die zich ook gesteund voelde door de directie van de W.S.M., een directe aanleiding een verzoek aan het gemeentebestuur van Wateringen te richten, om een busdienst van Kwintsheul over Wateringen naar het spoorwegstation Rijswijk te starten. Na de toestemming en een toegezegde subsidie werd op 1 juli 1922 een begin gemaakt, het werd een groot succes. Zelfs zo dat de Nederlandse Spoorwegen het station Rijswijk omdoopte in 'Rijswijk – Wateringen'. Het station lag toen namelijk bijna even ver van (nu Oud) Rijswijk als van Wateringen. In 1924 wist VIOS Nootdorp van openbaar vervoer te voorzien. Zes jaar later verleende de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland toestemming busdiensten te starten van Delft over Den Hoorn naar Schipluiden, Vlaardingerambacht, Kethel en Abtswoude , maar ook naar Nootdorp en Pijnacker. In 1928 was er al weer een garage achter de oude boerderij van Duyvesteijn gebouwd. Het oudste schoolgebouwtje, dat Wateringen kende uit 1730, werd ook ingelijfd. Deze ontwikkelingen voltrokken zich, zeker voor die tijd, in een sneltreinvaart.

Nieuwbouw Voor onderhoud en stalling van de vele bussen was ruimte nodig en zo verleende Piet Lipman in 1931 architect J. A. Bangert uit Amsterdam de opdracht een garage met drie bovenwoningen te ontwerpen en bij de gemeente Wateringen in te dienen voor bouwvergunning. In 1932 werd een aanvang van de bouw gemaakt van dit expressionistische gebouw. Het toont duidelijke invloeden van de Amsterdamse school. Een stijlvorm die in die dagen door veel architecten als inspiratiebron werd gebruikt. De grotere woningbouw die deze architect in Amsterdam bouwde, steekt mager af ten opzicht van dit Wateringse pand. De aannemer van het werk is niet bekend, hoewel er in 1934 ene Willem Verkaik het bouwbedrijf VIOS, ook met de betekenis 'Vooruitgang is ons streven', in Amsterdam startte, bestaat er geen enkel verband met het bedrijf van Piet. hij was bevriend met 2 broers van deze architect, Henk Bangert Vlootaalmoezenier in Den Helder en pastoor Louis Bangert. Henk scheef Piet een brief in 1937, om de 'roode burcht' in den Helder te komen bekijken. Uit de brief krijg je ook de indruk dat Henk een financieel belang in het bedrijf had genomen. En het fraaie pand in Den Helder werd met 50% van de overige bebouwing op last van de bezetter tijdens de oorlog, net als op andere plaatsen in Nederland, afgebroken. Dit gebouw van VIOS staat er gelukkig nog steeds en heeft in 1999 de status van Gemeente monument gekregen.

Het bedrijf bleef groeien Per 30 september 1932 staakte de WSM met personenvervoer op de stoomtram, deze kon de concurrentie met de veel flexibelere autobusdiensten niet meer aan. Zelfs de W.S.M. reed in die tijd al wat langer met autobussen, vaak om de afstand tussen de stations voor reizigers te verkleinen. VIOS groeide uit tot een van de grootste particuliere busbedrijven van Nederland in die tijd. Men had uiteindelijk 84 persoonsbussen in bezit. De vakbekwaamheid waarmee Piet Lipman iedere keer weer oplossingen aandroeg om de klanten te blijven bedienen en het bedrijf verder uit te bouwen gaf 'n zeer groot vertrouwen in VIOS. De 2de wereldoorlog betekende helaas bijna de nekslag voor het bedrijf, de bussen werden voor een deel geroofd en voor het andere deel gevorderd door de Duitse bezetter. In 1941 werden de lokale busdiensten van VIOS door de WSM overgenomen, dit ging echter niet vrijwillig, maar werd van hoger hand opgelegd. Een deel van het personeel en 4 bussen gingen over naar de W.S.M. Een van die chauffeurs was Andries Loch, een amateur fotograaf en de opa van André Loch. Piet Lipman zat niet bij de pakken neer en nam op zijn beurt in 1941 EDAD uit Wieldrecht in 3 fases over. Daar reed men toen nog wel lijndiensten en in Wateringen legde men zich toe op touringcarritten en vakantiereizen. De oorlog bleef een moeilijke periode, zo stormden op een dag de Duitse soldaten binnen, z'n vrouw Elisabeth leidde de soldaten af door hen naar boven te verwijzen, waardoor Piet tijd kreeg te ontsnappen en gelukkig vertelt Hennie zag hij er toen echt niet uit als een directeur. Piet kon daardoor onopgemerkt naar de overkant van het Plein snellen en verbleef voor enige tijd hoog in de toren van de Nederlands Hervormde Kerk.

Hoe ging het verder Waar de vele gebouwen van VIOS stonden, zijn nu winkels met bovenwoningen aan het Plein gebouwd. Dit werd in 1996 - 1997 door Forum Invest uit Amsterdam ontwikkeld en door van Mierlo Bouw en Ontwikkeling gebouwd. Op het gemeentelijke monumentale pand uit 1932 na, is bijna alles aan het Plein in Wateringen wat aan VIOS deed denken vernieuwd. Het monumentale pand biedt nu onderdak aan een reisbureau, een dames modezaak en de horecavoorziening Scumpy. Op de plek waar Piet Lipman in 1911 begon, is in de nieuwe winkelstrip reisbureau Travel XL VIOS terechtgekomen dat onder leiding staat van Renate Lipman, een kleindochter van Piet. Er ligt aan de zuidzijde van het reisbureau nog een soort brede poortingang, Piet Lipman noemde het vroeger de 'Doornbosslob'. Hier staan nog een drietal oude panden die vroeger door VIOS werden gebruikt. In het laatste pand heeft een familie Doornbos gewoond. Het touringcarbedrijf van BAB-VIOS staat onder leiding van de Michel en Brigitte Kortekaas-Lipman, ook een kleindochter van Piet en is nu gevestigd aan de Hoefsmid 5 te Wateringen. Zij runnen het oorspronkelijke busbedrijf dat in 1922 door Piet Lipman werd gestart en hebben dat inmiddels uitgebreid met de bijna koninklijke Hofstad Tours in te lijven. Maar ook het huidige touringcarbedrijf EDAD, gevestigd in Dordrecht, staat onder leiding van Wim Lipman, ook een kleinzoon van Piet. VIOS als bedrijf is op deze manier misschien wel een reizend en rijdend moNUment geworden.

Wilt U reageren ? mail dan naar: pamvdvalk@gmail.com

Bronnen: een afstudeerstudie over Wateringen van Joseph Taequan Yo en Piet van der Valk uit 1981, korten geschiedenis van het openbaar vervoersbedrijf VIOS Wateringen op internet van mevr. Hennie van Raaij- Lipman en gesprekken met mevr. Hennie van Raaij- Lipman dochter van Piet Lipman.

Foto's van Hennie Lipman, de Historische werkgroep Oud- Wateringen en André Loch.

 

 

Boerderij Suydervelt te Wateringen

Een grote boerderij met een bijzondere ligging en historie

Uit: Het Hele Westland
Datum: 7 november 2018
Door: Piet van der Valk

In de rubriek 'De Westlander en zijn moNUment' staan karakteristieke en herkenbare bouwwerken in Westland centraal. Zowel het verleden als het heden worden in deze artikelen belicht; vandaar 'moNUment'. Boerderij Suydervelt vormt naast de tegenoverliggende Hofboerderij en molen Windlust, ook aan de Heulweg, al eeuwenlang een parel in de Wateringse geschiedenis. Een verkorte versie van dit artikel stond in Het Hele Westland van 7 november 2018.

Tegenover de Pieter van der Plasschool aan de Heulweg te Wateringen staat “Boerderij Suydervelt”. Het gebouw was van oorsprong een ‘buiten’, een herenhuis voor de zomer in het groen. Het werd rond 1620 gebouwd, in opdracht van de in Delft woonachtige Mr. Dirk Jacobszn. van der Dussen 1591-1658. Zijn neef Jacob Ewouts erfde, maar hij kwam op 34 jarige leeftijd en ongehuwd te overlijden. Het kwam daardoor in handen van z’n moeder, maar zij overleed het jaar daarop in 1666 en zo kwam het in handen van Nicolaas Ewoutszn. van der Dussen. Nicolaas vestigde zich in Dordrecht, hij bouwde daar zijn bestuurlijke carrière op en was o.a. 2 jaar schepen van Dordrecht. Hij erfde het ‘buiten’ te Wateringen dus van de halfbroer van z’n opa, dan een oom van hem via z’n moeder erfde hij en gaf het weer door aan zijn zoon Mr. Jacob van der Dussen 1670 - 1728, hij was burgemeester van Dordrecht. Hij diende de stad 10 jaar in die hoedanigheid. Zie onderstaand gedetailleerd bericht: “Vermits de Heer en Mr. Jacob van der Dussen, Heere van Oost-Barendrecht eenige weeken op deszelfs Hofstede Zuydervelt, gelegen in Delfsland, by den Dorpe van Watering, ziek geweest, en van lichaam zeer swak zynde, op den twintigsten October 1728. zich had laaten transporteren binnen de Stadt Dordrecht, alzoo met de Maand October deszelfs Presidium van drie maanden als Burgermeester was ingegaan, op den eersten November daar aan volgende aldaar is overlede, ongehuwt, oud 57 jaaren, 7 maanden en 17 dagen, ende aldaar op den negenden der voornoemde maand ter aarde is gebragt,”. Jacobs enige zus op dat moment was Catharina Alida van der Dussen, zij was gehuwd met Damas van Slingeland, erfde Suydervelt en bewoonde het tot haar dood in 1745. Hierna werd het pand op 28 november 1746 voor 16.900 Gulden verkocht aan de zwagers Jacob Gael 1731 – 1781 en Gerard van Vredenburch 1710 - 1784. Jacob Gael woonde toen met zijn vrouw Cornelia Jacoba van Schuylenburch op de toenmalige buitenplaats “’t Hof te Wateringe” en ook Gerard Vredenburch bezat onder andere buitenhuizen in ’s-Gravenzande en Rijswijk.

Hofstede
Het is aannemelijk dat de eigenaren het pand als boerderij met veel ha grond lucratiever konden verpachten dan het als een buitenplaats in bruikleen weg te zetten. Uit de acte van 1746 bleek dat dat toen al een omvangrijke boerderij was “De Hofsteede genaamd Zuijdervelt, bestaande in een Heeren Huijsinge en Koetshuijs en een Stallinge, alsmede Tuijnmanshuijs en werkhuijs, Tuijnen, Laanen, Houtgewassen en verdere Plantagie, bovendien Speelhuijs, orangie huijs, managerie, Kommen, vijvers, grotwerken, en dergelijke; nog een aparte Boerenwoninge met Koestal, Twee Hooij Bargen en een wagenschuur ende nog vier partijen Weijlandt alles staande ende gelegen annex den anderen in de Oudewateringveldse Polder af, en aan den Dorpe van Wateringen, ende te samen groot vijftien mergen en vijfhonderd Roeden”. Verder behoorden bij Suydervelt nog 21 percelen veenland die bij elkaar ruim twintig margen omvatten en een stuk tuin of boomgaard van ruim een margen. Het bijbehorende land werd geleidelijk verkocht aan veenstekers, dat waren lieden die plaggen veen (turf) uit de bodem haalden. Johannis Janszoon de Bruijn nam de pacht van Suydervelt over van z’n vader Jan, die het na 1748 als eerste generatie de Bruijn pachtte van de heren Gael en Vredenburch. Johannis Janszoon, was kerkmeester en schepen in 1772 van Wateringen en gehuwd met Gerritje Pietersdochter van Heemskerck. Bekend is verder dat hun zoon Arij de Bruijn geboren 22 december 1763 te Wateringen, ca 1810 nog op Suydervelt woonde. Hij was gehuwd met Magdalena Cornelia van Rhijn geboren eind 1766 te Wateringen als dochter van Arnoldus van Rhijn, eigenaar van de wipmolen Windlust en was in 1772 ook schepen van Wateringen. Moeder was Cornlia Copper, en 3de vrouw van Arnoldus, zij was een dochter van de Wateringse Chirurgijn Johannes Copper.

Nieuwe boerderij
Willem Hendrik Gael 1748 – 1803 zoon en erfgenaam van Jacob, waren beide overleden en zo kwamen de bezittingen in handen van Willem Hendriks 2de vrouw Anna Martina van Kretschmar. Ook haar dochter Charlotte was in 1802 al op 22 jarige leeftijd overleden. Zij trouwde voor de tweede maal op sinterklaasdag 1804 met Apollo Johan Cornelis (Apollo) Baron Lampsins Heer van Swieten en het stel woonde in ’s-Gravenhage. Kinderen uit dit huwelijk overleden jong. De buitenplaats “’t Hof te Wateringe” had zij in 1806 verkocht voor de sloop. Suydervelt bleef verpacht aan Arij de Bruijn. Anna Martina van Kretschmar heeft van het geld dat zij ontving bij de verkoop van ’t Hof te Wateringe, een nieuw boerderij Suydervelt laten bouwen maar niet op de plek waar de oude boerderij had gestaan. De oudste zoon Johannes van Arij en Magdalena werd verliefd op zijn nichtje Antje van Rhijn en daarom  verhuisde hij naar Hazerswoude, waar het stel op 24 juli 1825 in het huwelijk trad. Arij en Magdalena vertrokken in 1833 ook richting Hazerswoude, Arie was toen 70 jaar. Anna Martina was  januari 1832 gestorven. De veensteker Martinus van Leeuwen kocht Suydervelt van de erfgenamen van Anna. Een uitgebreide geschiedenis over Suydervelt kunt u binnenkort lezen in een nog uit te geven boek over de Westlandse buitenplaatsen. De Wateringer Chris Batist, voorzitter van de Historische Vereniging Wateringen Kwintsheul, schreef het concept voor de buitenplaatsen Suydervelt en  Hofboederij.

Harry Hoek
Henricus Johannes Hoek, beter bekend als Harry Hoek 1839-1919, kocht Suydervelt nadat z’n moeder, vader en stiefmoeder al waren overleden. Zijn vader Petrus Martinus aanvankelijk ook veensteker en moeder Anna Maria Meijer hadden Suydervelt waarschijnlijk van Martinus van Leeuwen gekocht. Harry was van beroep bouwman (boer en landbouwer) en werd bekend als groot voorstander van het veilingwezen. Hij wist de tuinders en kooplieden te overtuigen van deze wijze van (ver)kopen bij afslag. Hij was voorzitter van de "Vereniging Westland" en spoorde de tuinders aan zich te verenigen. Hij was ook voor de opzet van een proeftuin en bepleitte de vestiging van de latere boerenleenbank. Door zijn afkomst en positie genoot hij groot vertrouwen. De Harry Hoekstraat nabij boerderij Suydervelt herinnert nog aan hem. Zijn opa Cornelis Hoek, zijn vader Petrus Martinus Hoek en broer Cornelis Petrus Hoek waren allen gedurende een periode in de 19de eeuw burgemeester van Wateringen. Echt iets unieks en Harry’s broer Cornelis Petrus bleef zelfs 35 jaar lang tot zijn dood het ambt ononderbroken uitoefenen.

Verkoop
November 1898 besloot Harry het leven op de boerderij te beëindigen, hij was 59 jaar. Op 21 december dat jaar werd het complex van Suydervelt in een openbare veiling, in logement Het Huis ten Hoek van de heer J. de Boer, gelegen aan het Plein te Wateringen, voor een bedrag van 132.500 gulden verkocht. Het complex bestond uit de bekende statige boerderij, met bijgebouwen en 72 ha landerijen. Het geheel werd gekocht door Johannes Janknegt, maar hij gaf aan van het recht gebruik te maken om binnen 24 uur met zijn opdrachtgever, waarvoor hij het bod had gedaan, op het kantoor van de notaris te verschijnen. Hij maakte die volgende dag notaris Meijlink uit Den Haag duidelijk dat hij Suydervelt gekocht had, in naam van het Burgerweeshuis, een instelling voor weeskinderen van Nederlands Hervormde signatuur te 's-Gravenhage. De boerderij was op dat moment verpacht aan boer Jan van der Wel uit de Lier. De pacht werd door het bestuur van het Burgerweeshuis gerespecteerd en doorgezet. Boer Jan deed kort daarop de pacht over aan zijn zoon Willem, hij vond de 72 ha grond wel wat veel en zo ontstond het idee om het geheel in tweeën te knippen. Dit idee viel ook goed bij het bestuur van het burgerweeshuis..

Nieuw-Syudervelt
Een jaar later gebeurde dat ook en zo werd op het andere deel de boerderij Nieuw-Suydervelt gebouwd. De pachter van die boerderij werd Bruin Noordam een zwager van Willem. Deze pacht ging van vader op zoon, Jan Noordam naar uiteindelijk kleinzoon Bruin Noordam. Ca 20 ha van deze grond werd rond 1970 voor tuinbouwbedrijven geschikt gemaakt en het restant werd in 1971 verkocht aan André van Mierlo en de gebroeders Vincent en Nico Disselkoen. Zij vestigden er “Stal Westland” een renpaarden-manege met een dependance als -stoeterij in Baarle Nassau. Gerard van Eijkelenborg was de bekende pikeur die onder andere met het paard Kees Verkerk veel prijzen op de Nederlandse en Belgische renbanen, o.a. Duindigt in de wacht wist te slepen. Eind vorige eeuw was er een grootte behoefte aan nieuwe woningen, mede als gevolg van de babyboom na de tweede wereldoorlog. En zo werd een deel van deze gronden voor woningbouw bestemd. Op het laatste deel werd na de afsplitsing van de Wateringveldse Polder voor Den Haag, het nieuwe sportcomplex van KMD gerealiseerd en stijf ernaast bleef ruimte voor de grote ontsluitingsweg de Wippolderlaan, als verlenging van de Lozerlaan. In “Nieuw-Suydervelt” vinden we nu een kinderdagverblijf en diverse ruimten voor dagbesteding van licht dementerende Ouderen.

Eind van boerderij Suydervelt
Een zoon van Willem van der Wel, Willem Cornelis ziet meer heil in het tuindersleven dan in het boerenleven, dat door stijgende grondprijzen ten gevolge van grondgebrek, met name in het Westland onder druk komt te staan. Een andere zoon van Willem, Jan van der Wel neemt het pachtcontract over, en in 1972 is het een kleinzoon, tevens Jan van der Wel die de laatste pachter was van Suydervelt. De woning met 5000 m2 grond werd door van der Wel al in 1960 gekocht van het burgerweeshuis. Boerderij Suydervelt werd 11 juni 1969 onder nummer 38409 in het register van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed als Rijksmonument ingeschreven. Vanaf 1974 toont de gemeente Wateringen interesse in de grond achter boerderij Suydervelt. Het resultaat daarvan werd de woonwijk Suydervelt, die eind jaren zeventig begin jaren tachtig werd ontwikkeld en gebouwd. In 1987 verkoopt Jan van der Wel de woning aan de familie Selis die een aanzienlijke restauratie liet verrichten. Ook het interieur van de woning werd toen eigentijds aangepast, waarbij lichttoetreding en een niet te donkere kleur voor een aangenaam gevoel zorgt. De boerderij staat te koop, de locatie en het totale oppervlak van het onroerend goed bieden goeie mogelijkheden voor verschillende creatieve invullingen, waarbij een bestemmingswijziging niet uitgesloten is.

Wilt u reageren op dit artikel of bent u bezitter of bewoner van een monument? Mail dan naar pamvdvalk@gmail.com  Deze rubriek kwam tot stand in samenwerking met de Monumentencommissie van gemeente Westland. Bronnen: Fotoboek Rijksmonumenten Westland van het Genootschap Oud-Westland, het boek “Goed Rentmeesterschap geschreven door A.P.J.M. Lelieveld, gesprek met de familie Selis, Chris Batist en Internet.

 

 

Drollenvangers en borstrokken in de vorige eeuw.

 

Uit: WestlandToen
Door: Joop Alleblas
Editie: jaargang 4 januari 2018

Halverwege de vorige eeuw kwam de plusfour, overgewaaid uit Engeland, in de mode. Wij noemden hem drollenvanger. Ondingen waren het. En van het dragen van een kamizool werd je ook niet erg gelukkig om over de prikkende zelfgebreide truien maar te zwijgen.

Plusfour of drollenvanger.
Ook in het Westland was de plusfour in zwang: een soort kuitbroek (voor jongens en jonge mannen) met grote bloezende broekspijpen die in de volksmond drollenvanger werd genoemd. Het was een gedrocht om te zien. Benamingen zoals pofbroek, closetpot en kakbroek pasten goed bij de vorm ervan. Maar het was volgens sommigen een broek met een hoog comfortgehalte omdat hij nogal wijd was en dus nergens knelde. Opmerkelijk dat in die tijd van schaarste zo royaal met de stof werd omgegaan. Schertsend werd wel eens opgemerkt dat de drager ervan zonder op te vallen er zijn behoefte in kon doen. Vanaf 12 á 13-jarige leeftijd moest ik ook zon ding dragen. De overgang naar puber of jongvolwassene werd er mee gesymboliseerd. Je kon er mee voor de dag komen en hoorde er dan helemaal bij. Met een klein gespje of knoopje zaten de pijpen vast onder de knie net boven de kuit. De ruime pijp bloesde daar overheen waardoor de broek de indruk gaf een soort zak te zijn. Daarom werd hij ook wel aardappelzak genoemd. Veel kuit had ik als magere puber niet, zodat de broekspíjp gemakkelijk uitzakte. Bij het voetballen hingen de pijpen slonzig over de geblokte kousen tot op de schoenen. Je struikelde er over of haakte aan allerlei obstakels waardoor er gemakkelijk scheuren en winkelhaken in kwamen. En met fietsen zaten die verrekte pijpen steeds tussen de ketting.

Borstrok of kamizool.
Een ander hinderlijk kledingstuk uit mijn jeugd was de borstrok ook wel kamizool genoemd: een extra warm kledingstuk dat in koude periodes over het onderhemd gedragen werd, lang en gebreid tot over de billen. Ook wel wolletje genoemd. Naar goed katholiek gebruik zat op de borstrok, vastgemaakt met een veiligheidsspeld, een medaille van Maria. Dat beschermde je tegen het onheil in het leven. Zodra het buiten begon te vriezen kregen we een borstrok aan. Ik heb er nare herinneringen aan. Het prikte en kriebelde als de hel en je kreeg het er benauwd van. Ik zie nog mijn broer met zijn armen wijd staan te jammeren toen hij voor het eerst zo'n borstrok aan kreeg. Hij trok hem onmiddellijk uit en gooide het ding in een hoek. Mijn vader droeg in de winter een lange Jaeger onderbroek. Bij erge kou hield ik overdag gewoon mijn pyjamabroek onder mijn gewone broek aan. Borstrokken werden weken achter elkaar gedragen zonder te wassen. Wol stoot immers vuil af. Het kledingstuk moest voorzichtig op de hand worden gewassen, want anders zou het snel krimpen en verharden. Maar op den duur was er geen houden meer aan en voelde de borstrok steeds onaangenamer aan. Bij grote gezinnen gingen ze bij de groei van de een op de ander over en vervilte de wol die op den duur steeds harder werd. Dat schuurde irritant tegen het kinderlijf.

Naaien, breien en verstellen.
Moeder breide en naaide bijna ieder avond. Daardoor liepen alle tien de kinderen er volgens haar altijd knappies bij. Er werd veel tijd gestoken in het zelf breien van sokken, sjaals, handschoenen, truien en zelfs badgoed. Ik had een zwembroek van gebreide zwarte wol. Na een paar keer zwemmen lubberde die om je benen en gaven de pijpen een beschamende inkijk. Gaten in sokken werden-met eindeloos geduld gestopt. De kapotte sok werd over een drinkglas getrokken. Dan volgde het precisiewerkje. Zelfs toen ik allang en breed op mezelf woonde kreeg ik van mijn moeder op mijn verjaardag nog sokken met kunstig ingebreid teen-en hielstuk cadeau. Maar met kleding was het niet allemaal kommer en kwel. Op een dag (waarschijnlijk was de kinderbijslag net binnengekomen) mocht ik een splinternieuwe trui uitzoeken bij de textielzaak van Noort in de Herenstraat in Wateringen. Ik maakte mijzelf wijs dat-ie een stuk warmer was dan de zelfgebreide truien. Oude jassen van mijn grote broers en zussen, werden met een scheermes in losse lappen uitgetarnd. De stof werd dan gekeerd en van de beste stukken werden voor de kleintjes “nieuwe” jassen gemaakt. Je was de koning te rijk met je nieuwe jas met brede ceintuur en (te) grote glimmende knopen. Voor speciale gelegenheden werd er door mijn oudere zussen stof gekocht voor een jurk die ze zelf naaiden. De vloer lag bezaaid met draadjes, stukjes stof en vooral ook kopspelden waar je je lelijk aan kon bezeren als je er in trapte. Ik herinner me vooral de trotse lach op het gezicht van mijn zussen als de jurk klaar was. Als mannequins showden ze hun creaties op zondag in de huiskamer voor familie, vrienden en vriendinnen. Daar werd zelfs het klaverjassen even voor stilgelegd.

Door:


Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

 

 

Het winkeltje van Mijntje en Truitje

Uit: WestlandToen
Door: Joop Alleblas
Jaar 3 - Editie 7 – Dinsdgag 12 September 2017

De tantetjes verkochten er simpele spullen voor het huishouden zoals koffie, suiker, zout, chloor, chocola en snoepgoed. De meeste klanten waren familie, wat toevallige passanten en schoolkinderen die voor ‘n cent drop kochten. Door hun sobere manier van leven konden de tantes van hun nering rondkomen.

Allebei hadden ze een grijs knotje. Mijntje boven op haar hoofd, bij Truitje hing het in haar nek. Grijze en vaalblauwe bloemetjesjurken droegen ze, met daarover een schort waar ze steeds hun handen aan afveegden. Onder hun jurk: afgezakte kousen in te grote pantoffels. Mijntje was de jongste en de kwíekste van het stel.
De zoete geur rond de tantes was die van kaakjes en zuurstokken.

Veel werd los verkocht en moest worden afgewogen voordat het in een puntzak werd geschept. Uit een groot vierkant blik kwamen de chocolaatjes, die daar vaak al weken in zaten waardoor ze dof uitgeslagen waren.
Maar dat gaf niet. Elk chocolaatje werd op borsthoogte aan het schort opnieuw op glans gewreven.
'Het is allemaal nog goed spul”, werd me gezegd ‘k mocht er alvast een proeven.

Ze hadden weinig school gehad, rekenen en schrijven ging hun slecht af.
Alle boodschappen moest ik op laten schrijven". De boodschappenbriefjes van moeder werden overgeschreven in een langwerpig boek met een gemarmerde kaft. Bonbons werd “boebon”, vermicelli “vermeli” en zout “zot”. Wonderbaarlijk genoeg lazen ze het zo op dat het weer gewoon Nederlands werd. Eén keer per twee weken kreeg ik de huishoudportemonnee mee om af te rekenen. Hypernerveus waren de tantes dan. Achter de toonbank botsten ze herhaaldelijk tegen elkaar, mopperden en gaven korte venijnige aanwijzingen. Ik vermaakte mij om hun gestuntel en wachtte af.

Tante Mijntje in tellen, een belangrijk werk, dat haar uiterste concentratie eiste. Eerst werd op een stuk karton alles uit het grote pofboek overgeschreven. Elk cijfer werd door de een hardop uitgesproken voordat het goor de ander met de natte gunt van een stompje potlood in koeienletters werd overgeschreven. De heiligen onder de glazen stolpen werden aangeroepen als de tantes tot verschillende bedragen kwamen. Uiteindelijk moest ik ze uit hun benarde situatie redden. Snel telde ik de cijfers op, de crisis op zijn hoogtepunt bezwerend. En dan werd er afgerekend. De stukken karton kreeg ik als bewijs mee. Moeder kon weer met een schone lei beginnen.

's Zondags gingen de tantes naar de kerk. Mijntje voorop. Ze droeg haar mooiste hoed mét vaaltje.
Uit de mouwen van haar slanke jas staken haar handschoentjes. Om haar rechterarm hing een leren tas.
Met de andere arm nam ze Truitje op sleeptouw. Truitje liep wat krom en haalde moeilijk adem. Naar iedereen die de tantetjes tegenkwamen knikten ze vriendelijk. Vlak naast elkaar zaten ze, in de zijbeuk aan de vrouwenkant voor de bíechtstoel. In de driecenten banken.

Mijntje is als eerste gestorven. Het werd een sobere begrafenis. Twee jaar later ging ook Truitje. Oud, krom en bijna blind. Het waren eenzame laatste jaren geweest zonder haar zuster die wel wat bazig was, maar ook warmte en zekerheid voor haar betekend had. Het winkeltje werd gesloten. De boodschappen haalde ik voortaan bij Piet Brabander op de hoek van de Kwaklaan en het Oosteinde. Chocolaatje proeven was er sindsdien niet meer bij.

Door:

Verliefd, Verloofd, Verloren.

Uit: Wetsland Toen
Editie: Jaargang 3, Oktober 2017
Door: Joop Alleblas

Verkeringstijd duurde in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw gewoonlijk erg lang. Dat was zo vanwege de woningnood maar ook om aan elkaar te wennen. Het was regel dat jongens elke woensdagavond naar hun meisje gingen. Stierenavond noemden ze dat. Na jaren kwam eindelijk de verloving en het ”bevrijdende" huwelijk in zicht.

Verlovingsfeest
Ter voorbereiding op het toekomstige huwelijksleven werden er in de pastorie door priesters (zelf ongehuwd..!) cursussen voor achttien jarigen gegeven. Die waren bedoeld als investering in de toekomstige stabiliteit van een relatie. Na jaren van verkering werd er eindelijk verloofd. Een keerpunt in het leven. Bij een verloving hoorden officieel verlovingsringen; veelal gekocht bij de plaatselijke juwelier. De ringen werden met trots gedragen en aan iedereen getoond om deze belangrijke stap luister bij te zetten. Katholieken droegen de verlovingsringen aan de rechterhand. Bij het trouwen verhuisden de ringen naar de linkerhand. Protestanten deden dat net andersom. Het verlovingsfeest vond plaats bij de ouders van het meisje. Dat was meestal de eerste keer dat wederzijdse families met elkaar kennis maakten. Het had iets weg van een kleine volksverhuizing toen ons hele gezin met aanhang met de bus naar een ander Westlands dorp trok, waar de verloofde van een van mijn broers ons stralend toe zat te lachen. Er werden algemeenheden uitgewisseld over het werk en de religie werd onder de loep genomen. Daarna werd er veelal een stevig borreltje gedronken.

Bouwen aan een uitzet
Bij verlovingsfeesten van mijn zussen was ons kleine huis aan de Vlietlaan overvol. Er hing een plakkaat aan de schoorsteen met Hulde aan het verloofde paar. Al weken van tevoren was er een verlanglijstje gemaakt dat circuleerde in de familie, bij ooms en tantes en bij de buren, die een keus konden maken uit al die praktische wensen. Vervolgens werd alles op dat lijstje afgevinkt. Een uitzet was kostbaar. Daar moest je voor sparen en schafte je door de jaren heen aan of kreeg je mondjesmaat cadeau. Het textielmerk Walra speelde hier uitstekend op in en stuurde deskundige adviseuses op de jonge stelletjes af. Zij kwamen gewoon aan huis, brachten een koffer met showmaterialen mee en gaven waar nodig advies over de nieuwe Walra uitzet.
Na het verlovingsfeest werd nog dagen over de uitzet gesproken. Stapels lakens werden beoordeeld op hun kwaliteit, bevoeld en uitgevouwen. Nog weken daarna herhaalde zich dat in het bijzijn van visite. Kussenslopen, handdoeken, koffiemolen, strijkijzer en zelfs bestek werden cadeau gedaan. Mijn zussen kregen telkens te horen dat ze goed in de spullen zaten en zich in ieder geval dáár geen zorgen meer over hoefden te maken. Het had er alle schijn van dat het leven alleen maar bestond uit het treffen van voorzieningen om latere zorgen te voorkomen. Alleen de grootste zorg, het toekomstige huis, was moeilijk op te lossen.

Wachten op een huis
De woningnood was groot. Er waren voor al die jonge mensen niet op stel en sprong huizen beschikbaar. Zes jaar wachten was geen uitzondering. Als het te lang duurde, werd er ”ingewoond”. Het jonge paar trok dan in bij een van de ouders, waar als ze geluk hadden een apart kamertje voor hen gereserveerd werd. Soms werd er een creatieve oplossing gevonden voor het huisvestingsprobleem. Een van mijn vijf zussen kocht samen met haar verloofde een verroeste Westlander. De oude schuit werd in enkele maanden omgetoverd tot woonboot.
Ergens in een Pijnackerse polder werd een ligplaats gevonden en de problemen waren daarmee voorlopig uit de wereld. Maar vrijwel altijd werd er gewacht op een huurwoning en brachten jonge stellen hun tijd werkend en kuis door. En er werd voortgebouwd aan de uitzet. Na verloop van tijd verdween de hele verzameling uit ruimtegebrek naar een alleenstaande oude tante die een kamertje over had. Dat was pure luxe. Daar werd het, in verschillende lagen papier verpakt en opgeslagen. De kleine frutsels bleven achter in dozen onder het bed van mijn zussen in ons eigen huis. Regelmatig werden die dozen tevoorschijn gehaald en zag ik mijn zussen met wazige blik mijmeren over de nabije toekomst en de geheimen van de liefde.

Ondertrouw en huwelijksplichten
Als er eindelijk zicht op een huurhuis was, werden er voorbereidingen getroffen voor het huwelijk. Er moest voor de wet getrouwd worden én voor de kerk. Voor de wet trouwen werd bij gelovigen als een formaliteit gezien.
Pas na het kerkelijk huwelijk was er echt getrouwd. Maar eerst ging men in ondertrouw, ook wel aantekenen genoemd: het kenbaar maken van het voornemen om te trouwen. Voor de wet gebeurde dat bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in de woonplaats van de bruid of de bruidegom. Ondertrouw voor het Rooms-katholieke kerkelijk huwelijk vond plaats in de pastorie. Dat ging gepaard met een pastoraal gesprek (!) en vond gewoonlijk plaats in de woonplaats van de toekomstige bruid. Het bruidspaar besprak het voorgenomen huwelijk en stelde de huwelijksdatum vast. Ondertrouw duurde meestal enkele weken waarin werd nagegaan of het voorgenomen huwelijk rechtsgeldig was. Een ieder die geldige bezwaren had tegen het voorgenomen huwelijk kon dat in die periode met redenen omkleed kenbaar maken. Pas als het kerkelijk huwelijk achter de rug was, mocht het jonge paar in hun nieuwe onderkomen het huwelijk ”consumeren”. Op de voortgang van het huwelijk (aantal kinderen) werd door de kerkelijke ambtsbekleders nauwlettend toegezien. Gezinnen werden regelmatig thuis bezocht en zo nodig nadrukkelijk gewezen op de huwelijkse plichten. In het katholieke Wateringen werd dat kort en krachtig duidelijk gemaakt door te stellen dat er nog wel een plaatsje aan tafel vrij was.

Door:

 

Inval Duitsers in Wateringen op film.

Uit: Het Hele Westland 5 april 2007
Door: Martinus Duiventoren


Nederlandse militairen in de St. Jozefschool in Wateringen 1939

Om kwart voor zes in de ochtend van de tiende mei 1940 vertrok chauffeur Qrien Jansen met de auto vanuit Wateringen naar Delft. Zoals elke dag maakte hij het ritje om daar de post, die bestemd was voor Wateringen, op te halen. Maar ver kwam hij niet, want Duitse luchtlandingstroepen schoten onderweg zijn voorbanden aan flarden. Zo begon voor hem de Tweede Wereldoorlog Hij had het die morgen al opgemerkt. De zware draailuiken en deuren van het aan de Herenstraat gevestigde postkantoor waren hermetisch gesloten en met ijzeren stangen gebarricadeerd. Dat was niet voor niets gedaan, want binnen in het kantoor waren mensen van de verbindingsdienst ingekwartierd. In het boek '10 mei - 15 mei 1940' lezen we, dat die verbindingsmensen fungeerden als centralisten die berichten ontvingen en doorgaven. Dat gebeurde allemaal onder commando van luitenant Beverdam van de staf, die al vroeg in de nacht had vernomen dat de oorlog met Duitsland was uitgebroken. Geronk van vliegtuigen maakte al gauw duidelijk dat het echt menens was. De barricades van het postkantoor waren echter effectief, want de Duitsers slaagden er later die dag niet in het postkantoor binnen te dringen. Het gemeentehuis en de VIO$ garage op het Plein werden wel door de Duitsers veroverd. Intussen waren overal op de tuinderijen de tuinders ook gewoon aan het werk. Vliegtuigen of niet: het werk moest doorgaan. Ze vonden het ook wel een vreemde morgen, maar het werk ging voor. Hoewel opgeschreven door Octaaf Spinnewijn uit Schipluiden worden de gebeurtenissen van die ochtend - neerstortende vliegtuigen, veel geschiet en hier en daar een bombardement - in feite verteld door Henk Brabander en Gerard Lipman.

Zij hebben die de eerste dagen van de oorlog als schoolvriendjes van zeven jaar meegemaakt en hebben alles jaren later met veel onderzoek en nauwkeurig noteren, gereconstrueerd. Ze waren zo door de oorlogshandelingen rondom Wateringen gebiologeerd, dat zij - na hun pensioen - besloten dat te doen. Ze verzamelden zoveel gegevens dat er zelfs een boek over geschreven kon worden, geïllustreerd met mooie Wateringse foto's. Dat, boek is in 2000 verschenen, maar dat betekende niet het einde van de activiteiten van de twee Wateringers, die nu 74 jaar oud zijn. Ze besloten al gauw er ook een film over te laten maken. waarvoor zij de Videogroep 's-Gravenzande in de arm namen. Op zaterdag 14 april gaat deze film voor een flink aantal genodigden in première in de raadszaal van het Wateringse gemeentehuis aan de Dorpskade. Het is de bedoeling dat de film op dvd wordt uitgebracht en via boekhandel Vingerling voor acht euro in de verkoop wordt gebracht. In het verfilmde boek - waarvan nog een beperkt aantal exemplaren bij dezelfde boekhandel verkrijgbaar is - worden de gebeurtenissen in en rondom Wateringen op de voet gevolgd. Het zijn getuigenissen van meest Wateringers, die dat zelf hebben meegemaakt. Maar ook uit de archieven in Scheveningen en Amsterdam opgediepte verslagen, die als leidraad hebben gediend voor de twee historisch geïnteresseerde vrienden.

Zo geeft sergeant H. Groenendaal zowel in het boek als in de film verslag van wat hij op de tweede oorlogsdag meemaakte aan de Zwethbrug bij café De Bonte Haag. Duitsers die met een witte vlag zwaaien om zich over te geven en smeken om niet te schieten. Zo weet men de Duitsers soms nog aardig in toom te houden. Maar op de derde dag - Pinksteren 1940 - kwamen berichten binnen dat de groep Von Sponeck Wateringen was binnengedrongen. Wateringse eenheden kregen opdracht om via Naaldwijk de aanval op de Duitsers in te zetten. Toen een sterke afdeling lopend in Wateringen arriveerde begon er een felle strijd, waarbij de Duitsers lichte en zware mitrailleurs en handgranaten inzetten. Opvallend is het relaas van Andries van Mierlo, broer van de Wateringse aannemer, die op de fiets de schade was gaan opnemen aan een aantal huizenblokken, die ze aan de Kerklaan bouwden. Op de terugweg werd er bij het Harnasch flink geschoten en moest hij dekking zien te zoeken in een greppel. Toen hij zijn weg weer kon vervolgen vond hij twee gesneuvelde Duitse soldaten. Een derde was ernstig gewond. Dat beeld is hem altijd bijgebleven, zo meldt het boek. "Ter plekke heeft hij er een weesgegroetje gebeden. Ze waren nog zo jonge" De beschrijving van de twee laatste dagen van de oorlogshandelingen in Wateringen - de Tweede Pinksterdag en de 14e mei - staan in het teken van de Capitulatie. Hoe luitenant Slits de mannen liet verzamelen en het treurige nieuws officieel meedeelde. Daarop hielden allen enige ogenblikken stilte om de gesneuvelden te herdenken. Daarna marcheerde de groep terug naar Wateringen. Het bombardement op Rotterdam had de wanhopige strijd doen beëindigen "De in het Westland gevoerde oorlog had vreemde aspecten", aldus het boek. "Zo vocht men op bepaalde plaatsen. Even later doken dan de daar verdreven Duitsers weer ergens anders op. Er werd gevochten in straten, huizen, tuinen, overal. Tussen dat alles door bewogen zich de burger Westlanders, om de gevechten van nabij te bekijken. Om naar het dagelijks werk te gaan, maar ook om Nederlandse militairen tijdens de gevechten van koffie en brood te voorzien.

Bij het vallen van de avond is de verre omgeving rood gekleurd door de vuurzee waarin Rotterdam ten onder gaat. Het maakte een diepe indruk. De doodse stilte na vijf oorlogsdagen met op de achtergrond de enorme brand, Waarvan men zich de omvang niet kon voorstellen. De post werd toch nog door de chauffeurs Loch en Meyburg met gevaar voor eigen leven in Delft opgehaald. De brug bij het Kalverbos was opgehaald. Ze moesten over het terrein van de Oliefabriek Calvé omrijden.

Reacties zijn welkom per e-mail via mduiventoren@yahoo.com  
Deze rubriek kwam tot stand Het medewerking van het Historisch Archief Westland.

 

Lelijk van buiten, maar mooi van binnen, de RK kerk van Wateringen.

In de serie waarin de Westlandsche Courant op kerkenpad gaat. deze week aandacht voor de rooms-katholieke Sint Josephkerk aan de Harry Hoekstraat van Wateringen. Hoewel van buiten lijkt alsof er geen zonnestraaltje naar binnen kan vallen. is de lichtinval juist het opvallendst. 

Door: Evelyne Lammerding
Uit:
Westlandse Courant 14 augustus 2004

WATERINGEN
In de categorie lelijkste Westlandse kerken zou de Sint Josephkerk aan de Harry Hoekstraat van Wateringen zeker hoog eindigen Zelfs secretariaatsmedewerkster Tinke Zaat vindt de kerk ronduit lelijk om te zien. Van buiten heeft de kerk opgetrokken uit donkerbruin baksteen, geen enkel raam. Hij is groot en de toren lijkt op een schrootsteen. Niet voor niets heeft de kerk de bijnaam Kolenkit. De parochiezaal draagt die naam. “Hij wordt ook wel de biddende non genoemd”, zegt Zaat in de secretarie, de voormalige woning van de pastoor, over de kerk uit 1966. Verrassend is dan ook het interieur van de kerk. Niets van de donkere buitenkant is hierin te, rug te vinden. Het licht straalt van boven de kerk in. Op verschillende plekken in het dak zijn lichtkoepels gemaakt. Het licht is in deze kerk dan ook het opvallendst. Er is een lichtkoepel boven het doopvont, boven het altaar is een grotere koepel aanbracht die ook de vorm van het altaar heeft en boven de tabernakel achter het altaar schijnt het licht gedoseerd naar binnen. Het deel waarin de tabernakel staat kan worden afgesloten. De deuren kunnen via de rails worden dichtgeschoven. Het heilige gedeelte is dan geïsoleerd als er evenementen in de kerk worden gehouden.  

Ontmoetingsplek
"Deze kerk is bedoeld als ontmoetingsplek", legt Zaat in het donker uit om zo de lichtinval beter te kunnen laten zien. Ze doet daarna de lichten in de kerk aan en legt uit hoe die gedachte in de bouw van de kerk tot uiting komt: "Het altaar staat in het midden, de banken staan er in een driekwart kring omheen. Daardoor ben je meer bil de viering betrokken." Die betrokkenheid bij de kerk komt verder tot uiting in de staties aan de muur. "Die zijn door vrijwilligers geborduurd. Deze kerk heeft nu nog 240 vrijwilligers", zegt zij trots. Daarnaast is de kerk ook een plek voor een ontmoeting met God. Die gedachte is uitgebeeld in een as die door de kerk loopt. "Dat is zeg maar de levensweg. Die begint bij het doopvont, dan communie, vormsel, eucharistieviering en huwelijk voorin de kerk bij het altaar. Overledenen worden voorin de kerk opgebaard." De Sint Josephkerk met vier ingangen bestaat niet alleen uit een grote zaal waar 840 gelovigen bij elkaar kunnen komen. Aan de zijkanten van de kerk bevinden zich allerlei kleine gangetjes en aparte bidruimten. "Dit was de Johanneskapel", wijst de rondleidster. "Maar hij wordt niet meer als kapel gebruikt", voegt zei eraan toe. De voormalige Johanneskapel is nu opslagruimte. De Mariakapel aan de andere kant is nog wel in gebruik. Die is klein en ligt verscholen achter een grote muur. Links en rechts van het houten Mariabeeld staan kaarsen. Vier houten bankjes staan achter elkaar voor Maria en aan de muur van het kapelletje hangt de rozenkrans. "Hier komen net getrouwde bruidsparen vaak bloemen leggen", zegt Tineke Zaat

Biechtstoel
Twee houten deuren doen vermoeden dat er kasten zijn ingebouwd, maar niets is minder waar: "Dit waren de biechtstoelen." 'Pastoor' staat er in witte letters op de deuren. Maar de biechtstoel heeft plaatsgemaakt voor de boeteviering en persoonlijke gesprekken met de pastoor. Daardoor zijn deze nisjes ook niet meer in functie. Aan de overkant van de Mariakapel bevindt zich achter het muurtje de dakkapel. "Die is intiem van sfeer. Hier worden vieringen gehouden op dinsdagochtend en vrijdagavond", zegt Zaat Naast de dakkapel is er een ruimte achter een opengewerkte muur "Vroeger zat hier het koor. Maar omdat ze achter die muur zaten, werd er te veel geginnegapt tijdens de mis. Dus is de muur inmiddels dichtgemaakt en dient de ruimte nu ook als opslagplaats." Aan de zijkant achter het altaar bevindt zich de kleedruimte. Pastoor, misdienaar en diaken kleden zich hier om. En ook is hier de kluis. "Dit is geen kerk van schatten", zegt Zaat, "maar we hebben dan wel een mooie monstrans met edelstenen: Dat is dat voorwerp dat op een voet staat met daar bovenop een soort ronde schijf, daarin wordt een hosti getoond. Maar de monstrans wordt er niet zo vaak meer uitgehaald." Wateringen is de enige Westlandse kern met twee rooms-katholieke kerken. Was de hervormde kerk aan het plein in Wateringen tot de Reformatie in de achttiende eeuw de katholieke kerk, daarna werd de Sint Jan de Doper gebouwd. "Maar die werd te klein", verklaart Zaat de komst van de Sint Joseph. "Hier achter kwam een nieuwe wijk. Mensen gingen eerst naar het clublokaal van de voetbalclub om te kerken. Later werd voor hen deze kerk gebouwd." De klokkentoren staat buiten naast de kerk en is er pas sinds 1980. Tussen 1966 en 1980 werd er voor de vieringen altijd een cassettebandje gedraaid. Luidsprekers verspreidden het geluid van klokgelui in de buurt. "Gezamenlijk is geld ingezameld voor echte kerkklokken." De Kolenkit is van buiten dan geen lust voor het oog, maar van binnen is hij zeker mooi. En net als bij mensen draait het uiteindelijk allemaal om de binnenkant.

 


Lelijk van buiten, helaas hebben we geen foto van het interieur, U soms ?
Wij houden ons aanbevolen.

 

Zwembad De Waterman idee van voorzitter ijsclub.


Klik op bovenstaand logo voor een bezoek de website van De Waterman.

Het enige nog uitsluitend openluchtzwembad van Westland ligt aan de Dorpskade in Wateringen.
Het is vanaf l mei al open. Vorige week werden er de schoolzwemwedstrijden gehouden. Dit jaar is het zeventig jaar geleden. dat het officieel werd geopend. Toen nog een sober bouwwerk. Bij sommigen helemaal niet welkom. Maar later door hen wel geduld als werkverschaffing in de crisistijd.

Uit: Ouder Westland 18 juni 2005, Zwemliefhebber J. Verbakel
Door:
Aad van Holstein

Het klinkt misschien vreemd, maar zwembad De Waterman komt voort uit een ijsclub. Het was immers voorzitter J. Verbakel van de schaatsvereniging 'De Wateringse ijsclub', die op het lumineuze idee kwam een zwembad aan de Dorpskade te bouwen, dat in de winter dienst kon doen als ijsbaan. Burgemeester A. J. Verhoeven fronste wel even de wenkbrauwen, toen hij op 13 februari 1933 het verzoek van het bestuur van de ijsvereniging op zijn bureau kreeg. Gevraagd werd om mee te werken aan de benoeming van een commissie uit de gemeenteraad die plannen moest bestuderen voor de oprichting van een zwembassin annex ijsbaan. Dat die ijsbaan er moest komen was al enige tijd bekend, want de oude ijsbaan kon de vereniging niet langer meer inhuren. Maar het idee van het zwembad was er nu bij gekomen. Eigenlijk louter en alleen omdat voorzitter Verbakel zelf een echte zwemliefhebber was. hij was van mening, dat Wateringen grote behoefte had aan een eigen zweminrichting. Want, zo verkondigde hij aan wie het maar horen wilde: 'er is maar een klein percentage van het Nederlandse (dus ook Wateringse volk) dat kan zwemmen.' Hij hoopte dat een zwembad ertoe zou leiden, dat iedere Wateringer lid zou worden van de tegelijkertijd opgerichte vereniging De Waterman. De burgemeester wist wel, dat er eigenlijk niet geld genoeg in de gemeentekas was voor het opzetten van nieuwe projecten als een zwembad en ook was er weiland in de omgeving genoeg om voor een ijsbaan 's winters onder water te zetten. Daar kwam bij dat zwemmen altijd nog kon in de Zwet, waar het eigenlijk niet mocht, maar waar het wel oogluikend werd toegelaten. Dus keken hij en de wethouders met - zoals dat destijds werd uitgedrukt - enige bevreemding en aarzeling' naar het verzoek.

Maar, zo dachten zij toch al gauw, waarom zouden we geen commissie benoemen om te zien wat de plannen eigenlijk omvatten en wat voor kosten die met zich mee brengen. Er waren ook nogal wat werklozen in Wateringen en die zouden bij de bouw van een zwembad hun handen flink uit de mouwen kunnen steken. De benoeming van zo'n commissie moest natuurlijk wel eerst nog door de raad worden goedgekeurd. Dus kwam er een voorstel aan de orde in de eerstvolgende raadsvergadering op 23 februari 1933. Met de hak ken over de sloot werd dit aangenomen, namelijk met één stem meerderheid. De commissie ging daarna razendsnel aan het werk en liet er dus weinig gras over groeien, want al op 11 september 1933 kreeg de raad het rapport van de commissie in handen. Die commissie had het overigens helemaal niet zo makkelijk ge- had, want er bestond grote tegen- stand in de gemeente tegen een zwembad. Er werden heel wat argumenten aangevoerd om de bouw te voorkomen, maar ze werden allemaal door de commissie weerlegd. Het was dan ook een groot succes voor Verbakel en de zijnen, dat de gemeenteraad op 14 september 1933 het voorstel om tot stichting van het zwembad over te gaan met maar twee stemmen tegen aannam. Het waren vooral de werkverschaffing en de rijkssubsidie die daaraan vastzat, waardoor de tegenstanders uiteindelijk toch naar de uitvoering van het plan overhelden. De billijke prijs, die voor de aankoop van de grond, gelegen aan de Dorpskade werd gevraagd gaf daarbij de doorslag. Toch duurde het nog een jaar voor alles door de nooit te snel malend ambtelijke molen van Den Haag was gegaan. Op 2 juni 1934 kwam de ministeriele goedkeuring af. In oktober 1934 ging de eerste spade de grond in. Het stichten van hel bad zou, na een raming van ruim 12.000 toch 19.000 gulden gaanr kosten, waarvan echter dertig procent door het rijk werd gesubsidieerd. Precies een jaar na de toestemming kon de gemeente Wateringen het nagenoeg gereed gekomen zwembassin annex ijsbaan aan de Dorpskade overdragen aan de zwemvereniging De Waterman.

Stromende regen
Dat gebeurde tijdens zulk mooi zomerweer, dat het bestuur van de De Waterman uiteindelijk besloot maar een oogje dicht te knijpen en de leden al ruimschoot! voor de opening, namelijk op l juli al in het bad toe te laten. De officiële opening zelf was pas op 20 juli. De dag waarop bleek, dal het ledental van 45 tot 361 was gestegen. Het ideaal 'iedere Wateringer zwemmer, iedere zwemmer lid van de Waterman' lag daaraan ten grondslag. Op de opening dag was het aanvankelijk helemaal niet zulk mooi weer. He bad deed zijn naam wel overdreven veel eer aan, toen het regel water met stromen naar bende kwam. Zelfs de optimisten gaven na geruime tijd zelfs de moed op en twijfelden sterk aan het welslagen van deze zorgvuldig voorbereide dag, waarop propaganda gemaakt moest worden voor de zwemsport Maar ineens brak de zon door en was het leed geleden. Het groot: zwemfeest kon - na toespraken van de autoriteiten, ingeleid door
voorzitter Scheffelaar van De: Waterman - voluit worden gevierd. Het waren Wateringse zwemsters die de eerste lessen demonstreerden. Een optreden van de lede van de Nederlandse Centrale Reddingsbrigade uit Den Haag dwongen bewondering van het publiek af, dat zich om het bassin had verzameld. Er werd geblinddoekt gezwommen door de leden van de Waterman, er werd aan pop-, kegel, bordjes- en zakjesduiken gedaan. Er was hinderniswemmen en een ballonnenjacht, waaruit bleek hoe geoefend velen al waren in het onder water zwemmen Dat de demonstratie schoonspringen een minder mooi resultaat op leverde kwam niet door de deelnemers maar omdat de springplank niet goed veerde, Hierdoor mislukte menige fraaie sprong. Een komisch tintje ontbrak niet aan de opening van het bad. 'Het duo Wat en Halfwat liet het publiek lachen en het ligt voor de hand, dat dit optreden met een nat slot werd besloten. Ook het optreden van een oud paartje, een verliefd politieagent, een dienstmeisje en een 'bengel van een jongen eindigde onder groot gejuich van de aanwezigen in het zwemwater.


Zwemfeest in het in 1935 nieuwgebouwde zwembad De Waterman in Wateringen.

Reacties zijn welkom via: aadvanholstein@hotmail.com

 

 


Leven aan de Zweth rond 1900

Uit: AD Haagsche Courant Westland Dichtbij donderdag 6 juli 2006
Door: Aad van Holstein

De is de jongste dochter van Jan van der Heuvel, Clazien Duijvestijn-van der Heuvel. Naar buiten kijkend op het Tolland, weet ze in het gedeelte van Wateringen te wonen dat niet al te ver van de Zweth af ligt.

Daar speelde zich het grootste deel van het leven van haar vader af. Dit jaar is het 125 jaar geleden, dat hij in Wateringen werd geboren. Hij overleed in 1966.

Ze herinnert Zich hoe hij vaak aan Zijn zelfgemaakte bureautje ging zitten en daar ijverig in schoolschriften zat te schrijven. Hij heeft daarmee tal van bijzonderheden over Zijn leven in Wateringen schriftelijk vastgelegd. Ze vindt het jammer dat hij nu niet meer kan zien dat zijn dochter uit die aantekeningen nu het boekje “Het leven aan de Zweth in Wateringen rond 1900” heeft samengesteld.

En dat, terwijl Jan van der Heuvel zelf alles met een voortdurend in de inkt te dopen kroontjespen wist te noteren. ,,Hij schreefveel over vroeger, maar hij schreef ook tal van voordrachten en versjes op, die hij samen met zijn zwager voordroeg op bruiloften en partijen,” vertelt ze, want hij was een veelzijdig man. ,,Ik zou er nog een heel boek mee kunnen vullen.” Haar boekje, in A4-grootte uitgevoerd, heeft ze samengesteld als eerbetoon aan haar vader, die naar haar mening destijds zijn tijd al ver vooruit Was. Hij was, gezien zijn vakbekwaamheid in de tuinbouw, altijd sterk geïnteresseerd in de vooruitgang van de techniek. Al kon hij in een zwartgallige bui ook weleens zeggen, dat de mens op weg is naar zijn eigen vernietiging.

Zijn tuinders vakmanschap wordt in 1904 erkend als hij op de groente- en fruittentoonstelling in de Wateringse veiling een tros druiven (Alicante) aanvoert van zeven pond en een ons.

Jan van der Heuvel meldt niet zonder trots: ,,Zelf heb ik die grote bos gekrent. Ik knipte er nog 560 korrels uit om vooral binnenin ruimte te geven zodat de bos goed door kon groeien. Toen de bos begon te kleuren Werd er dag en nacht een lichtje gestookt voor het drooghouden en tevens om goed tot rijpheid te komen. Er was voor die kolossale bos een speciale mand gemaakt, met een groot hengsel waar de bos aanhing. Na de tentoonstelling is de bos zo vervoerd in de trein naar Dusseldorf, alwaar hij ook pronkte tussen andere groente en fruit hetgeen was ingezonden door de Vereniging Westland. Dat was toen ook een grote Groente- en Fruittentoonstelling. Later kwam ons ter oren dat de bos daar verkocht was voor tien gulden aan iemand die een groot landgoed had in Echternach.”


Veiling Wateringen anno 1905.

Tuinder Van der Heuvel pioniert tussen de boeren.

De buurtschap De Zweth in Wateringen Wordt aan het begin van de twintigste eeuw nog voornamelijk bewoond door boeren. Tuinders Zijn er dan nog niet zo bekend. Maar dat verandert in een periode van nog geen vijftig jaar drastisch. Vader Van der Heuvel is in 1897 een van de eersten die er het vak van tuinder gaat uitoefenen als bedrijfsleider van H. van Schaik. Rond 1900 staan er dan nog drie watermolens langs de Dorpskade, die naar de Zweth leidt. Ze zijn gebouwd in 1847 en malen het water uit de polders over in het boezemwater. De Wateringveldse polder ligt ongeveer vier meter beneden Delflands peil, zodat het niet mogelijk is het verval van polder naar buitenwater anders dan in drieën op te malen. Van der Heuvel heeft het in zijn aantekeningen over de Grote en Kleine Kolk, die later drooggemalen Worden. Die molens kosten veel geld, maar een machine ook. Dus gebeurt er niets, totdat in 1887 tijdens een zwaar onweer een van de molens uitbrandt.

Een nieuwe machine neemt alle taken van de molens over, waarna ze worden gesloopt. De kolken worden drooggemalen en veranderen in teelland, waarop weldra aardappelen, bieten en spruiten goed gedijen. Later stelt Harry Hoek, de voorzitter van het polderbestuur, voor de grond te verkopen aan H. van Schaik uit Delft, die er een tuinderij van wil maken. De jonge Jan van der Heuvel wordt daar in 1897 bedrijfsleider. Er worden kassen gebouwd en een schuur en ook konden er enkele rijen eenruiters. Er verrijst een perzikenkas, ook andere fruitbomen vinden er een plekje. Tenslotte wordt er een huis gebouwd, waarin Van der Heuvel en zijn vrouw in 1899 gaan wonen. Nog maar nauwelijks aan de Dorpskade gesetteld merkt Van der Heuvel al hoe goed wonen het er is. Ondanks dat hij ver van het dorp en de kerk woont, is het er gezellig. Een buur biedt aan wekelijks met hem mee te rijden naar de kerk. Een boer levert goedkoop boter en kaas. En andersom Wordt 00ook weleens een komkommertje weggegeven.

“Zo leeft men van de eene dag in de andere”

Jan van der Heuvel doet in zijn geschriften ook verslag van de eerste oorlogsdagen in 1940. Op de dag van de Duitse inval in Nederland, 10 mei 1940, wordt de familie Van der Heuvel gewekt `door een aantal Duitsche vliegmachines, die op grote hoogte door elkaar cirkelen’. De radio meldt telkens hoeveel vliegmachines over de grens komen, zodat de luisteraar eruit kan opmaken, dat Nederland nu ook bij de oorlog betrokken is geraakt. Op eerste pinksterdag, 12 mei wordt er strijd geleverd in Wateringen, omdat daar de Hollandsche wacht door de Duitsers is beschoten. Hierbij zijn zowel Hollandse als Duitse militairen gesneuveld. Op 15 mei wordt, nadat Nederland zich na het  bombardement op Rotterdam heeft overgegeven, verordonneerd, dat alles ’s avonds verduisterd moet worden. Per radio meldt het ANP dat diezelfde nacht al de zomertijd wordt ingevoerd: de klok gaat met 1 uur en 40 minuten vooruit. Begin juli komt een Engelse bommenwerper ’s nachts boven het Westland in moeilijkheden. Hij moet zich ontdoen van bommen en die vallen in de omgeving van de woning van Jac. van Schie, wat voor een behoorlijke verwoesting zorgt.

Van der Heuvel schrijft: “Zondag 7juli ben ik met mijn zoon naar1 Rotterdam geweest en hebben we de puinhopen gezien van de eens zo mooie straten en winkels. Als dit allemaal eens opgeruimd is, zullen we wel een paarjaartjes ouder zijn. Het is nu begin Augustus en steeds worden we wakker van Duitsch afweergeschut dat de Engelschen beschiet. Overal is het stikdonker en er gebeuren veel ongelukken op de weg. Veel artikelen Zijn niet meer te krijgen. Ook textiel is nu op de bon. Op de veiling gaat alles ook niet naar wens. Druiven (stock) worden verkocht voor 25 cent per kilo! Zo leeft men van de eene dag in de andere. Een is er die dc storm kan bedaren. Maar ja, de menschen denken dat Ze het zonder hem wel af kunnen. Vrede is maar vijf letters...”


Het huis van de fam. v d Heuvel aan de Zweth.

 

 


Gezicht op Wateringen anno 1650


Wateringen anno 1793


deze ansicht ontvingen we van Riana Luiks uit Utrecht op 12 december 2005
Wateringen, Christelijke school,
deze ansicht hebben we ontvangen van Riana Luiks uit Utrecht op 12 december 2005,
waarvoor onze dank.

deze ansicht ontvingen we van Riana Luiks uit Utrecht op 12 december 2005
Wateringen Heerenstraat,
deze ansicht ontvingen we van Riana Luiks uit Utrecht op 12 december 2005,
waarvoor onze dank.

 

GEMEENTE WATERINGEN:
HART VOOR HET WESTLAND

De gemeente Wateringen ligt in een aantrekkelijke omgeving waarin het 'goed wonen en werken' is. Hierbij hoort natuurlijk ook ontspanning in de meest uitgebreide zin van het woord. Het is frappant om te zien hoeveel ruimte en mogelijkheden de Wateringse omgeving hiertoe geeft.

Als tuinbouwgemeente voelt Wateringen zich van oudsher verbonden met de rest van het Westland. Vandaar dat ze steeds haar 'hart voor het Westland' laat spreken. In alle uitingen: gesproken, gedrukt en digitaal. Een zinvol bezoek toegewenst aan onze website !

Op deze pagina laten wij U alvast even proeven wat er zoal te zien en doen is in Wateringen, maar U kunt onderaan deze pagina ook doorklikken naar verschillende verhalen die betrekking hebben op Wateringen.

Molen De Windlust
De korenmolen Windlust aan de Heulweg 8 dateert van 1869 en is na de restauratie in 1972 weer in gebruik genomen. Iedere eerste zaterdag van de maand is de molen volop in beweging en voor het publiek toegankelijk.
Stichting Vrienden van de Wateringsche Molen
Secretaris: Postbus 245, 2290 AE Wateringen, telefoon 225600

Boerderij Suydervelt
Adres: Heulweg 18, Wateringen
Fier aan het water van de Heulweg staat boerderij Suydervelt, restant van de 17e eeuwse buitenplaats. Aan deze boerderij is de naam ontleend van een uitbreiding van de gemeente Wateringen: Plan Suydervelt.

Hofboerderij

Adres: Heulweg 9, Wateringen
Tijdens het beleg van Leiden door de Spanjaarden in 1573 werd het (klooster geworden) slot door de staatse troepen die gelegerd waren in Delft, om militaire redenen verwoest. Nadien ging het landgoed over aan de staat. Op de plaats van het slot werd een prachtig verblijf naar Bouwmanstrant gebouwd. Na eerst in eigendom te zijn geweest bij de families Warendorp en Eendenburg en het Burgerweeshuis in Den Haag, kwam het Hof in 1952 in eigendom van de gemeente Wateringen.
De Hofboerderij is nu gedeeltelijk voor culturele aangelegenheden bij verschillende plaatselijke verenigingen in gebruik. In de Hofboerderij worden maandelijks wisselende exposities gehouden. Deze tentoonstellingen kunnen op zaterdag en zondag van 13.30 uur tot 16.30 uur worden bezocht. De toegang is gratis.
Hervormde Kerk
Plein 9, Wateringen
Restant van een uit de Middeleeuwen stammende kruiskerk.

Toren van de Hervormde Kerk
Adres: Plein 9, Wateringen

Het oudste bouwwerk van Wateringen, in eigendom van de gemeente Wateringen. De toren en een deel van het kerkgebouw zijn in 1979 gerestaureerd. De stichting Wateringse Beiaard heeft zich toentertijd met succes beijverd de gelden bijeen te brengen voor een carillon in de toren, waardoor de gerestaureerde toren nu met een welluidend klokkenspel is verrijkt.

De kerk bezit een meubelstuk, waarop men in Wateringen met recht trots is en daarom bewaard gebleven:
de preekstoel
.


HISTORIE VAN WATERINGEN.

De geschiedenis van Wateringen gaat terug naar de Romeinse tijd. In die tijd woonden de stam der Canninefaten in de omgeving van Wateringen. De Canninefaten mochten hier wonen als zij de Romeinen hielpen bij het verdedigen van de Noordgrens van het Romeinse rijk.

In de Middeleeuwen werd er een slot gebouwd op de plaats waar nu het Hofpark is. De eigenaren van het slot waren de Heren van Wateringen, genoemd naar de vaart die destijds door Wateringen heen stroomde. Na het uitsterven van hun geslacht namen de Heren van Naaldwijk hun plaats over en stichtten zij er in 1485 een slot onder de naam Onze Lieve Vrouwe in Betlehem klooster. Het slot had echter geen lang leven, want het werd in 1573 tijdens de gevechten tussen de Watergeuzen en de Spanjaarden verwoest. Tijdens de republiek woonden er in Wateringen en omgeving belangrijke regentenfamilies, die zich al bezighielden met wat later de tuinbouw zou worden. In de tuinen van hun buitenplaatsen in de omgeving van Wateringen hadden ze boomgaarden geplaatst, waar zij fruit aan lieten groeien. Dit waren de eerste tekenen van een tuinbouwgebied, wat later het Westland zou gaan heten. Tot ongeveer de laatste kwart van de 19e eeuw gebeurde dit nog op kleine schaal totdat de Wateringer Harry Hoek (later kreeg hij zelfs een straat naar hem vernoemd, de Harry Hoekstraat die nog steeds bestaat !!) de eerste groente- en fruitveilingen organiseerde. 

In 1889 werd de eerste veiling in Wateringen gehouden in het café van Jan Vlak. Na de caféveilingen werden tot aan de veilingfusie in 1973 gehouden aan de dorpskade. Na de veilingfusie van 1973 bleek er in Wateringen geen behoefte meer te zijn aan een veiling en zo werd er in 1973 de laatste veiling in wateringen gesloten. Het aantal warenhuizen en tuinders bedrijven (lees:Kassen) bleef inmiddels doorgroeien. Ook het aantal inwoners bleef flink stijgen. Zo had Wateringen in 1900 zo'n 1974 inwoners en woonden er begin jaren'90 zo'n 15772 mensen in Wateringen. Waar vroeger vrijwel altijd het groente en fruit van de warenhuizen over water naar de veilingen gingen, zo gebeurt dat nu bijna altijd met vrachtwagens over de weg. Gevolg is dat veel Water in het Westland en in Wateringen plaats gemaakt heeft voor asfalt. 

Ook heeft het toenemende aantal inwoners er voor gezorgd dat er veel nieuwe huizen gebouwd zijn en nog worden. Zo verdween het voor velen vertrouwde Wateringse beeld van water en boten in asfalt, huizen en vrachtwagens. En sinds een paar jaar is een deel van Wateringen ingepikt door de gemeente Den Haag en zijn er als gevolg daarvan veel tuinders bedrijven verdwenen en is tevens een deel van het polderland verdwenen.


DE HERVORMDE KERK DE OUDSTE GEGEVENS.

Op de vraag in welk jaar de kerk gebouwd is, moet men het antwoord schuldig blijven. De toren is ouder dan het schip van de kerk. algemeen dateert men de bouw van de toren omstreeks 1350, die van het schip een eeuw later : rond 1450. de kerk verving een kapel die omstreeks 1250 gesticht moet zijn. een adellijke weduwe, Ida van Utervoort - zo vermeldt in 1302 Gherard van Overwal, kanunnik van Naaldwijk - stelde aan zijn kerk een som geld beschikbaar om in wateringen een kapel te stichten.

Ook Werard van de Wateringhe, bewoner van het hof van wateringen en gunsteling van graaf Floris V, verleende De Wateringen parochie zijn gunsten.

In 1282 schonk hij bij testament aan de kerk jaarlijks tien ponden, de "prochiepape" jaarlijks één pond, terwijl de koster 45 schellingen kreeg, maar dan moest hij wel zowel overdag als 's nachts een lamp in de kerk laten branden.

Waarschijnlijk heeft men omstreeks 1350 de toren voor deze kapel geplaatst. deze toren had echter nog niet de hoogte van nu. in het jaar 1715 werd hij met een verdieping verhoogd. Tevens werd toen de torenspits - die vierkant en laag was, te vergelijken met die van de moederkerk te Naaldwijk - vervangen door een hogere.

Het gebouw
In het midden van de 15e eeuw heeft men de kapel door een kerk vervangen. deze bouw zal in fasen gebeurd zijn. in het jaar 1532 - dit jaartal vindt men op het eerste predikantenbord - had de kerk haar grootste omvang.  Het was een driebeukige kerk, waarvan de zijbeuken door- liepen langs de toren. het schip bevatte aan elke kant vier traveeën 1). zware pilaren schraagden het dak van de kerk. Het koor was even lang als het schip. de transepten 2) en het koor bereikten dezelfde hoogte als het schip. Aan de achterzijde had het koor een vijfzijdige afsluiting.

Het plafond was open. het had een ziende bekapping : de dakconstructie was zichtbaar, zoals deze nog te zien is op de zolders van de voorgebouwen. Aan de zuidzijde bevindt zich nu nog een uitbouw met een driezijdige afsluiting : in oude tijden was dit de doop- kapel.

1) travee = ruimte-eenheid bepaald door de pilaren

2) transept = dwarspand van een kruisvormige kerk nog een uitbouw bevond zich vroeger aan de zuidzijde : in de hoek, gevormd door het transept en het koor. dit was de sacristie.

Naast het hoofdaltaar, gewijd aan St. Jan de Doper, waren nog vier altaren, met elk een eigen priester ook wel vicaris genoemd, die aan zijn altaar op bepaalde tijden de mis opdroeg. deze altaren waren opgedragen aan :  St. Maria en Maria Magdalena, het zgn. vrouwenaltaar,

St. Barbara, St. Hubertus, St. Nicolaas.
De pilaren in het schip van de kerk waren beschilderd met beeltenissen van heiligen, zoals St. Hiëronymus, St. Michael, St. Joris, St. Barbara. Het beeld van de patroonheilige. Tijdens de beeldenstorm die in het jaar 1566 over ons land raasde, zijn er in deze kerk geen beelden gebroken. dit verklaarde Pieter van der Goes, baljuw van delfland tijdens het proces tegen de Lierse, hervormingsgezinde pastoor en martelaar Arent vos in 1570.

Dat het er hier rustig aan toe ging blijkt hieruit, dat men alle tijd had het beeld van de schutspatroon, sint jan de doper, zò goed te verbergen, dat het pas na 250 jaar tevoorschijn kwam. dat gebeurde bij de afbraak van het koor en de transepten in het jaar 1819. de katholieken wilden dit gevonden beeld graag kopen om het in hun pas gebouwde kerk te plaatsen. de hervormde kerkmeesters vroegen er echter te veel voor. ondanks de bemoeienis van de gouverneur der provincie ging de koop niet door. Jammer genoeg is het beeld niet bewaard gebleven. het is nadien voor de tweede maal verdwenen, maar nu voor goed.

Reformatie.
In 1572 verloor de kerk haar katholiek karakter. het was het befaamde jaar waarin de watergeuzen Den Briel innamen en de volksopstand tegen Spanje begon. Margaretha van der Marck, de ambachtsvrouwe van wateringen, schreef in dat jaar aan de landvoogd Don Alva, dat ook hier "le service divin", de goddelijke eredienst, had opgehouden te bestaan.  Bij de overgang van de kerk naar de protestantse eredienst in 1572 bleven de meeste parochianen hun oude geloof trouw. daar zij hun geloof niet meer in hun kerk konden beleven, verlieten zij de kerk om hun godsdienst in de schaduw van schuilkerken uit te oefenen.

Veel weten we niet over deze tijd, maar waarschijnlijk is dit alles zonder al te veel strijd gegaan. Het waren benauwde tijden ; in 1572 werd het Westland onveilig gemaakt door de watergeuzen. een jaar daarna bezetten Spaanse soldaten het Westland in verband met het beleg van leiden.Pas na deze rumoerige jaren, omstreeks 1574, kan men van een geregeld kerkelijk leven voor de protestanten spreken. De eerste reformatorische predikant was Aelbrecht van Schoonhoven. hij ligt in de kerk begraven. uit het opschrift op zijn grafsteen die voor de preekstoel ligt, kunnen wij opmaken dat hij in 1572 gekomen en in 1597 op 80-jarige leeftijd overleden is. evenals zovele predikanten uit die tijd, was ook hij priester geweest : in vroeger jaren vinden we hem als kapelaan te valkenburg bij leiden.

Verwaarlozing van de kerk.
De goederen die de kerken bezaten, kwamen in het bezit van de staten van holland. uit de verkoop van deze landerijen bekostigden zij de oorlog tegen Spanje en werd het huis van oranje schadeloos gesteld voor het verlies van hun goederen in de strijd om de vrijheid. wel werd het salaris van de predikant door de staten vergoed, maar alle overige kosten waren voor rekening van de kerkmeesters.

Te begrijpen is, dat de zorg voor een goed onderhoud van het gebouw een te zware opgave voor deze kerkbestuurders was : een grote kerk en een gering aantal gemeenteleden. slechts een klein gedeelte van de voormalige parochie was immers met de reformatie meegegaan. Toch wist men nog enkele restauraties uit te voeren, zoals die in 1715, toen de toren werd verhoogd en van een hogere spits werd voorzien. en die in 1756, toen de kerk met de preekstoel uit het stadhouderlijk paleis van Honselersdijk werd verrijkt.

Sloop van koor en transepten.
Na de franse tijd (1795-1813), een tijd van grote armoede in ons land, was de toestand waarin de kerk verkeerde, onhoudbaar geworden. wanneer het regende, hadden de kerkgangers 's zondags de grootste moeite een droog plekje te vinden. Toen dan ook de nieuwe burgemeester J. C. Struyck van bergen (1817-1825) bij zijn komst in Wateringen de kerk voor het eerst zag, nam hij zich voor in de deplorabele toestand van dit gebouw verandering te brengen.

Daar er geen geld was voor een algehele restauratie, besloot men in 1819 het koor en de transepten die er het slechtst aan toe waren, af te breken en het resterend deel te herstellen. Er bleef nu slechts een romp van de eertijds zo fraaie, middeleeuwse kerk over.

Sloop van de pilaren.
Een tweede ramp overkwam de kerk in 1936. door de uitbreiding van de gemeente sedert het begin van deze eeuw, was de kerk te klein geworden om 's zondags de vele kerkgangers te herbergen. door hergroepering van banken en uitbreiding van het aantal stoelenrijen probeerde men het tekort aan plaatsen in 1914 nog te verhelpen. echter tevergeefs. Werkelijk nijpend werd het probleem, toen de jonge Ds. H. J. Groenewegen tot predikant werd benoemd. van heinde en ver stroomde men toe om deze kanselredenaar te horen. de kerk kon alle kerkgangers niet meer bevatten. er moest ruimte komen!

In plaats van de juiste oplossing te kiezen, om, met medewerking van monumentenzorg, de middeleeuwse kerk te herstellen door het koor en de transepten weer op te bouwen, koos men de goedkoopste oplossing door de pilaren weg te breken en de zijbeuken bij de kerkruimte te trekken. Van onder dikke kalklagen kwamen de middeleeuwse schilderingen op de pilaren tevoorschijn, maar.... de sloper,hij sloopte voort. In plaats van de verwijderde pilaren dragen nu twee grote ijzeren binten het dak van de kerk.

Het intieme dorpsplein verliest zijn karakter.
Ook het gemeentebestuur liet zich in deze vernieuwingsijver niet onbetuigd. in deze dertiger jaren wist het de rustieke sfeer die het dorpsplein al eeuwen bezat, grondig te verstoren. De oude smidse, de voormalige dorpsherberg en enkele karakteristieke huizen moesten verdwijnen: ze vielen ten offer aan het steeds drukker wordende verkeer.

Ondanks dit alles, valt er nog veel te genieten. het gemeentebestuur, sinds de franse tijd eigenaar van de kerktoren, liet deze in 1979 zorgvuldig restaureren. tegelijkertijd zorgde het kerkbestuur voor een grondig herstel van de bijgebouwen. Deze restauraties werden uitgevoerd onder leiding van ir. van der Kloot Meyburg, door de firma Huurman uit delft. Het huidige kerkbestuur spant zich ten zeerste in om de kerk weer iets van haar oude aanzien terug te geven. zo werd onlangs de vloer weer betegeld met de oude zerken, die in 1936 verwijderd waren en werden de lampen vervangen door drie zeer kostbare koperen kronen.

De oude dorpsschool.
Door de eeuwen heen heeft de kerk het onderwijs in handen gehad. zo ook na de reformatie. In 1587, kort na de overgang van de kerk, moest de schoolmeester van Wateringen Fernandus Baestro - met zijn Westlandse collega's - voor de classis 's-Gravenhage de geloofsbelijdenis met zijn handtekening onderschrijven. De oude dorpsschool stond aan de overzijde van de kerk. de plek moeten we zoeken op het oude Vios-terrein. De schoolmeester kon er in die dagen aardig van komen, want hij had vele bijbanen. zo was hij koster, voorzanger - een orgel bezat de kerk toen nog niet - klokkeluider, begrafenisdienaar. ook had hij de zorg voor het torenuurwerk : opwinden en smeren.  De laatste in de rij van dit genre schoolmeesters was Dirk Fortuyn Harreman, door zijn dorpsgenoten met meester Harmans aangesproken.

Hij werd in 1811, tijdens de franse overheersing, benoemd. de school was daarvoor, in 1795, aan de invloed van de kerk onttrokken en door het gemeentebestuur overgenomen. meester Harmans diende de school en de kerk gedurende 49 jaar. hij stond bekend als een goed onderwijzer. hij verstond ook op uitnemende wijze de "penneconste", de kunst van het schoon- schrijven. u kunt zijn prachtige handtekening bewonderen op het tiengebodenbord in de kerk. de vele rekeningen die hij voor de kerkmeesters uitschreef zijn een lust voor het oog.

 In 1824 maakte Harreman de verhuizing van zijn school mee. de gemeente liet een nieuwe school bouwen aan de Schoollaan, te bereiken via een brug vanaf de herenstraat. in 1859 legde hij op 70-jarige leeftijd zijn arbeid neer en verliet wateringen. In zijn plaats benoemde het gemeentebestuur dhr. J. van Deventer. daar hij katholiek was, lokte dat wel enig protest van de Kerkenraad uit, maar tevergeefs. het was een historisch moment : na eeuwen ontstond er een scheiding tussen het schoolmeester- en kosterschap. de kerkvoogdij benoemde nu Cornelis Valstar als koster.

In 1882 liet het gemeentebestuur weer een nieuwe school bouwen. het was voor die tijd een zeer fraai gebouw. met er naast een woning voor hoofdonderwijzer van Deventer. de nieuwe school kwam te staan aan het begin van de Herenstraat, ook al aan de overkant van de Wateringse vaart. In verband met de stichting van katholieke en protestantse scholen, liep de gemeenteschool leeg en werd deze in 1923 opgeheven. De laatste hoofdonderwijzer was Th. J. Strous, die meester van Deventer in 1893 was opgevolgd. Sinds 1976 bezit wateringen aan de windmolen weer een openbare school.

Pieter van der plas en zijn scholen.
Wateringen dankt aan Pieter van der Plas zijn christelijke school. vroeger waren het er twee : een kleuterschool en een lagere school. Van der Plas, tuinder-rentenier aan het dorpsplein, was in 1890 notaris Metman als president-kerkvoogd van de hervormde gemeente opgevolgd. in 1895 medeoprichter en secretaris van het lokaal comité van de unie een school met de bijbel, beijverde hij zich zeer om tot de stichting van een eigen school te komen. van der plas was een kindervriend, zelf had hij geen kinderen.

Toen hij in 1903 vrij plotseling overleed, bleek hij aan de kerk en aan zijn schoolvereniging een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen nagelaten te hebben. de diaconie stelde hij daarbij in staat aan zijn wens, een kleuterschool op te richten, te voldoen. deze school met een woning voor de "bewaarschooljuffrouw" verrees aan de Heulweg. Reeds op 1 september 1904 vond de opening van deze "diaconale bewaarschool" plaats. in die tijd ontvingen de kleuterscholen geen subsidie. het was dan ook voor de diaconie een aanhoudende zorg om de kleuterschool draaiende te houden.

Vandaar dat er 's zondags tijdens de kerkdiensten, naast de inzameling voor de diaconie en de kerkvoogdij, ook gecollecteerd werd voor de kleuterschool: het zogenaamde "derde zakje". pas in 1957, toen de wet op het kleuteronderwijs werd ingevoerd waarbij dit onderwijs geheel door de overheid werd gesubsidieerd, werd deze kerkcollecte afgeschaft.

Een half jaar later verrees naast de kleuterschool een lagere school. dank zij de schenking van haar secretaris van der plas kon de schoolvereniging een lagere school bouwen. Op 1 april 1905 - het gebruikelijke begin van het schoolseizoen in die tijd  zette de school haar deuren open voor de jeugd. Nu waren de idealen die Pieter van der Plas zo lang gekoesterd had, werkelijkheid geworden. tijdens het 50-jarig jubileum van de school, dat in 1954 gevierd werd, heeft men de lagere school naar haar weldoener genoemd : de Pieter van der Plasschool.

In 1982 droeg de hervormde diaconie haar kleuterschool over aan het bestuur van de Pieter van der Plasschool. beide scholen vulden elkaar aan tot één basisschool. Sindsdien heeft de nu verlaten kleuterschool een andere bestemming gekregen. zij huisvest thans een instituut voor computeronderwijs.

De wingerd.
Aan het begin van deze eeuw kwamen de verenigingen van de grond. als eerste in 1890 de zondagsschool. de Chr. Kongelings vereniging in 1901, later een zangvereniging en de overige jeugdverenigingen. hun vergaderingen werden in de Kerkenraadskamer gehouden. De druk bezochte jaarfeesten vonden echter plaats in de Chr. School aan de heulweg. door het openschuiven van de tussendeuren kon men van de drie schoollokalen één grote zaal maken.

Na de bouw van de gymnastiekzaal in 1932 mocht men deze gebruiken voor dergelijke evenementen. om de vloer te sparen werd deze dan met vloerbedekking belegd. Reeds in deze tijd waren er plannen om te komen tot een eigen gebouw. maar de wereldcrisis en daarna de Duitse bezetting van ons land verstoorden deze dromen. Na de oorlog genoot men, voor de grote jaarlijkse uitvoeringen en voor feestavonden, gastvrijheid in de bond, het katholieke verenigingsgebouw aan de Herenstraat.

In die tijd ook namen de plannen voor een eigen gebouw vastere vormen aan. door middel van allerlei acties : het rondgaan bij verjaardagen, bazaars en loterijen, werd heel wat geld bijeen gebracht. de kerkvoogdij besloot uiteindelijk tot de bouw van een eigen onderkomen aan de Kerklaan over te gaan. architect was dhr. P. van Beurden die zijn werk geheel belangeloos heeft verricht, bouwer de fa. J. Spanjersberg uit wateringen. de naam 'de wingerd' werd gegeven - via een prijsvraag - door de familie p.stam. op 17 oktober 1955 werd het gebouw geopend door de voorzitter van de kerkvoogdij, Jac. Dijkshoorn. De Wingerd voorziet als verenigingsgebouw nog steeds in een grote behoefte.

Het interieur van de kerk.
Pronkjuweel van de kerk is zeker de preekstoel. deze is afkomstig van het hof van Honselersdijk. hij is vervaardigd voor stadhouder Frederik Hendrik in 1646. het houtsnijwerk is zeer waarschijnlijk van de kunstenaar Pieter Vroman. In 1758, toen een gedeelte van het stadhouderlijk hof werd afgebroken, schonk gouvernante Anna van Hannover, de weduwe van stadhouder Willem IV, de nu overbodige preekstoel aan de kerk van wateringen. de kerk verkreeg deze gunst, omdat zij ambachtsvrouwe van Wateringen was. In het houtsnijwerk van de preekstoel vindt u de initialen van Frederik Hendrik en zijn gemalin Amalia van Solms.

Het orgel

 Ook het orgel is de moeite waard om te zien en te horen. Reeds voor de reformatie bezat de kerk een orgel : in 1521 wordt ene Jan Cornelis Boutestein als organist genoemd. Van Ollefen, wiens boek "de dorpsbeschrijver" in 1792 werd uitgegeven, schrijft dat hij tegen de wand van de toren nog de beschilderde kasten van een vroeger orgel zag. De reformatie van Calvijn had het orgel uit de eredienst verbannen. de taak van het orgel, het leiden van de gemeentezang, was overgenomen door de voorzanger.

Het duurde tot 1874 eer er weer een orgel in deze kerk werd geplaatst. dank zij een legaat van / 4.000,- van de Rotterdamse koopman Willem Kamphof. bouwer van dit orgel was de bekende firma Bätz uit Utrecht. In 1984 onderging het orgel een ingrijpende restauratie, uitgevoerd door de firma Koch uit Apeldoorn. Het orgel werd uitgebreid met enkele registers en verrijkt met een fraai orgelfront, afkomstig uit de nieuwe kerk te Vlaardingen aan de binnensingel, welke kerk enkele jaren voordien was afgebroken.

Regelmatig worden er op dit fraai klinkende orgel concerten gegeven.

De organist

Jan van Westenbrugge werd op 12 november 1948 te Kerkwerve in Zeeland geboren. Als 12-jarige begeleidde hij de samenzang van de kinderkerk en de zondagsschool. Kerkorganist werd hij in Rozenburg Z.H., daarna in Maasdijk en tenslotte (vanaf 1974) in Wateringen.

Zijn leermeesters waren Jan Brandwijk, Willem Oranje, Jan J. van den Berg en Herman van Vliet. In 1973 behaalde hij het diploma kerkorganist van de N.O.V. te Utrecht, waarbij André Verwoerd zijn examinator was. Opnamen (zowel voor radio als lp en cd) werden gemaakt in Harlingen, Lutherse Kerk Den Haag, Grote Kerk Maassluis, Martinikerk Bolsward en Grote Kerk Breda. 

In de loop der jaren heeft Jan van Westenbrugge concerten gegeven in heel Nederland en over de landsgrenzen. De Oude kerk te Amsterdam, de Maartenskerk van Zaltbommel, maar ook kerken in Duitsland en Italië hebben de door Jan ontlokte orgelklanken mogen laten resoneren in hun plechtige ruimten, wanneer hij daar concerten gaf.

Ook als begeleider van diverse koren en als organist voor bijzondere kerkdiensten is hij zeer actief. De laatste jaren legt hij zich steeds meer toe op het maken van koraalbewerkingen. Tijdens zijn concerten speelt hij die dan ook dikwijls. Een aantal van deze bewerkingen zijn in druk verschenen. Sinds tien jaar zwaait Jan in Wateringen de dirigeerstok voor een christelijk gemengd koor "Cantilene". Voor dit koor schrijft Jan de meeste liedbewerkingen zelf.

Wie Jan kent als organist in de eredienst, weet dat voor hem de eredienst een gebeuren is, waarbij de orgelklanken dienen tot een ‘Lof zij de Here’. Vooral zijn orgelimprovisaties, die elke zondag volgen op het ‘amen’ van de preek, zijn indrukwekkend. Uit de samenstelling van zijn concertprogramma’s blijkt, dat hij een voorliefde heeft voor het romantische tijdperk, hoewel hij nooit ander repertoire verwaarloost. Jan's handtekening onder elk concertprogram wordt gevormd door de voor hem zo kenmerkende koraalbewerkingen waarmee hij begint en eindigt.

Tot nog toe kreeg Jan twee onderscheidingen.

1. Op zijn 25-jarig organistenjubileum in 1992 ontving hij, voor zijn verdienste voor de Franse orgelmuziek, de bronzenmedaille van de Société Académique d’ Éducation "Arts, Sciences et Lettres" te Paris.

2. Op 14 maart 1999 ontving hij van de Landelijke Vereniging van Kerkvoogdijen het draaginsigne in zilver wegens het vervullen van de functie van organist der hervormde gemeente te Wateringen/Kwintsheul gedurende 25 jaar.

Jan van Westenbrugge: Waterings organist, een veelzijdig musicus, een bewogen begeleider in de eredienst, een mens die zijn gevoelens niet laat verdwijnen achter de noten, maar er juist door klanken vorm aan geeft.

 

De spreukborden.
 Vermeldenswaard zijn ook de 17de-eeuwse spreukenborden uit 1616 en 1653, vervaardigd door Wateringse schoolmeesters. zij bevatten respectievelijk teksten uit de spreuken van Salomo en de brieven van Paulus en petrus. het grote tien geboden bord uit 1824 is gemaakt door dirk Fortuin Harreman, die schoolmeester was van 1811 tot 1859. daarbij werd gebruik gemaakt van een veel ouder bord. De predikantborden zijn gemaakt bij de restauratie in 1936, uit eikenhout, afkomstig van de kerk. zij zijn een cadeau van de bouwvakkers die aan de restauratie van de kerk gewerkt hadden.

Een nor in en een nor onder de toren.
Op de eerste torenzolder bevindt zich een oude nor, die bij restauratie van de toren in 1979 een goede opknapbeurt kreeg. dit oude cachot werd al sinds lang niet meer gebruikt. Anders lag dit met de tweede gevangeniscel. deze was ingericht in de totaal verwaarloosde voormalige doopkapel.

In 1922 kwam er een einde aan het gevangen zetten "onder de toren". in dat jaar namelijk kocht het gemeentebestuur het oude logement het huis ten hoek en richtte het in als gemeentehuis en politiebureau. bij dit bureau bouwde men enkele gevangeniscellen. nu bleef de politieagent de dagelijkse gang naar de toren voor de verzorging van de gevangene - wanneer deze er was - bespaard.

Het carillon. 
Voor de oorlog bezat deze kerk twee luidklokken : de St. Joris, gegoten in 1569 en de tromp, gegoten in 1688. de laatste ter vervanging van een andere. Beide klokken werden door de Duitsers in 1942 geroofd om ze om te smelten tot oorlogstuig. de tromp ontkwam aan de smeltkroes en werd in 1945 weer op zijn oude plaatsje teruggehangen.

Zaterdag 9 juni 1979 was het voor geheel wateringen een feestelijke dag. op grootse wijze werd een nieuw carillon door het beiaardcomité aan het gemeentebestuur overgedragen en in gebruik genomen. tegelijkertijd hadden de toren en voorgebouwen van de kerk een grondige restauratie ondergaan. Het carillon werd vervaardigd door de fa. Eysbouts uit asten. de luidklok de tromp uit 1688 dient als grondtoon voor de overige 37 klokken van Eysbouts. de andere grote klok heeft dezelfde naam als de geroofde klok: Sint Joris. als randschrift draagt deze de volgende woorden :

"Sint Joris was mijn naem mijn geluidt was voor godt bequaem"

Door schennershandt ging ick verloren in burgerzin ben ick herboren mogen mijn klancken u becoren de gelden voor deze beiaard werden uit de burgerij en het bedrijfsleven ingezameld door een comité, waarvan de toenmalige gemeentesecretaris J. J. Schijven de motor was.
Dit carillon, eigendom van de gemeente, is een aanwinst voor ons gehele dorp.

Ontmoetingscentrum.
De kerk van vandaag heeft behoefte aan meer ruimten dan voorheen. met de tijd groeide de kerkelijke activiteiten zoals kinderopvang, kinder nevendiensten en ontmoetingsbijeenkomsten van de gemeenteleden. wel was de kerk in het bezit van de wingerd, maar dit gebouw lag te ver van de kerk vandaan om aan dit doel te beantwoorden.

In 1992 kreeg het kerkbestuur de gelegenheid de speelgoedzaak van tante Jo (Lipman), gelegen naast de kerk, aan te kopen en deze te verbouwen tot ontmoetingscentrum. Ooit had de grond, waarop dit pand staat, deel uitgemaakt van het vroegere kerkhof. In het jaar 1936 werd de eeuwenoude smederij van vader Lipman, die op het dorpsplein stond, afgebroken. daarachter werd toen een nieuwe smederij gebouwd. deze kwam te staan op een gedeelte van het kerkhof, dat enkele jaren daarvoor, in 1930, gesloten was.

Een en ander gebeurde in verband met de verbreding van het dorpsplein. daar was een ingewikkelde grondruil tussen het gemeentebestuur, kerkbestuur en smid lipman aan voorafgegaan. Zo kwam de oude pastorie in het bezit van de gemeente, die op deze plaats het raadhuis van kropholler liet bouwen. Nog tijdens de oorlog werd het voorste gedeelte van de smederij als speelgoedwinkel ingericht. toen de smederij werd opgeheven kwam het gehele pand ter beschikking van het speelgoedpaleis van Jo Lipman. Bij de overname van het pand door het kerkbestuur is een markante winkel met een markante winkelierster uit het Wateringse straatbeeld verdwenen.

Tenslotte.
Hoewel in het nabije verleden het middeleeuwse karakter van de kerk verloren is gegaan, heeft ze toch nog iets van haar klassieke sfeer behouden.

PREDIKANTENLIJST DER HERVORMDE KERK:

1 Aelbrecht Van Schoonhoven 1572 - 1597
2 Samuël Van Den Berge 1599 - 1626
3 Henricus Roseus 1629 - 1657
4 Antonius Van Oostrum 1658 - 1668
5 Johannes Brand 1669 - 1692
6 Jacob Bickes 1692 - 1696
7 Johannes De Kranckel 1697 - 1721
8 Joachim Ravens 1722 - 1753
9 Henricus Nicolaas Schregardus 1753 - 1787
10 Nicolaas Stelt 1788 - 1789
11 Hendrik E. Van Den Kerkhof 1789 - 1827
12 Jan Dirk Van Den Ham Baak 1827 - 1852
13 Johan G. Van Walsum 1853 - 1887
14 Adriaan H.L. De Bel 1887 - 1890
15 Cornelis Plaatsman 1891 - 1893
16 Marie A. Van Rijn 1895 - 1898
17 Nicolaas C. Bakker 1899 - 1900
18 Pieter N. Gijsman 1901 - 1921
19 Bernardus G. Verhagen 1923 - 1934
20 Hendricus J. Groenewegen 1935 - 1938
21 Theodorus J. H. Steenbeek 1938 - 1954
22 Pier Kamstra 1954 - 1965
23 Klaas A. Abelsma 1965 - 1980
24 Johannes Van 'T Ende 1981 - 1991
25 Gerard Van Velzen 1992 - 1997
26 Hendrik J. Franzen 1998 - heden (2001)


DE PREEKSTOEL IN DE DORPSKERK VAN WATERINGEN.

De Wateringse kerk heeft de kerkpad ganger weinig te bieden. In de loop der eeuwen heeft het interieur der kerk zijn historisch karakter verloren.

De kerk bezit echter een meubelstuk, waarop men in Wateringen met recht trots is en daarom bewaard gebleven: de preekstoel. Het is een indrukwekkend bouwwerk, sierlijk en rijk gesneden met allerlei motieven.

Bij een bezoek aan de kerk vindt men aan deze kansel na enig zoeken enkele monogrammen met de letters H.V.O. en A.V.O. Het zijn de initialen van (Frederik) Hendrik van Oranje en Amalia (van Solms) van Oranje, het prinselijk echtpaar, dat destijds het Hof van Honselersdijk bewoonde. En inderdaad, deze preekstoel is afkomstig uit het Hof van Honselersdijk.

Hij werd gemaakt voor het stadhouderlijk echtpaar. In 1646 was er een grote verbouwing aan het paleis te Honselersdijk onder leiding van Pieter Post. Daarbij werd o.a. in een vleugel aan de noordzijde van het paleis een "predicksael" ingericht. In datzelfde jaar kreeg Dirk de Milde, die al meer werk aan het paleis had uitgevoerd, opdracht een preekstoel te vervaardigen. Deze De Milde leverde een mooi stuk werk af: een eikehouten kansel met bewerkte profielen en gesneden bladwerk. Het beeldsnijwerk werd voor hem gedaan door de kunstenaar Pieter Roman. Daar Frederik Hendrik in 1647 stierf, heeft hijzelf van deze prachtige stoel niet lang kunnen genieten.

In 1702 kwam het Hof door vererving in bezit van de koningen der Pruisen, die het schromelijk verwaarloosden. Toen de Oranjes het bezit in 1754 terugkochten, werd besloten de bijgebouwen, waaronder de preekzaal, af te breken en het overige gedeelte te herstellen. Het Goldfusz-orgel werd verkocht naar Delfshaven, de preekstoel zou in de kerk van Ballum op Ameland verplaatst worden. Bij nader inzien echter was de preekstoel te groot voor de kleine kerk op Ameland.

In diezelfde tijd in 1758 onderging de kerk van Wateringen een grondige restauratie. Omdat het geld voor dit herstel ontbrak hadden de kerkmeesters een aanzienlijke lening aangegaan bij het Ambacht van Honderdland en de Oranjepolder. Dit onder goedkeuring van de baljuw en de prinses van Oranje, Anna van Hannover, weduwe van Stadhouder Willem IV, die in die tijd Ambachtsvrouwe van Wateringen was. Bij de restauratie van de kerk bleek de oude preekstoel zo vervallen, dat herstel niet meer mogelijk was. Daarom richtten baljuw Douglas en de kerkmeesters zich opnieuw tot hun Ambachtsvrouwe, om de preekstoel van het Hof in de kerk van Wateringen te mogen plaatsen, welk verzoek door haar werd ingewilligd.

Uit dankbaarheid voor zijn bemoeienissen legden de kerkmeesters voor Abraham Douglas, die in Honselersdijk en Naaldwijk door zijn turbulente levenswandel nu niet bepaald een geliefd persoon was, een gedenksteentje in de vloer der kerk met de inscriptie:

D Hr I T A B DOUGLAS
D M

wat stond voor: De Heer Intendant Abraham Douglas. Hij was namelijk niet alleen baljuw van Naaldwijk,

maar ook intendant van de Domeinen. Het is erg jammer, dat dit steentje, met nog enkele andere, na de verbouw in 1936 verdwenen is. De waardering van de Wateringers voor deze preekstoel was erg groot. Om hem mooi glanzend te houden, kreeg hij in de loop der jaren vele vernisbeurten. Op die manier bleef hij wel goed bewaard, maar de fijnheid van het snijwerk ging verloren. Bovendien was de donkere kleur, die de preekstoel door de vernislagen gekregen had, geen lust voor het oog.

Bij een bezoek van de Commissaris des Konings in 1877 liet de predikant Van Walsum hem de preekstoel zien en vertelde dat er plannen waren om de preekstoel van zijn vernislagen te ontdoen. Men was van plan een collecte onder de gemeenteleden te houden, maar men vreesde, dat de opbrengst voor dit doel ontoereikend zou zijn. De Commissaris raadde hem aan, hiervoor subsidie bij het Rijk aan te vragen en zegde hem daarbij zijn medewerking toe. De subsidie werd aan gevraagd, doch helaas afgewezen.

Maar gelukkig had Jhr. Mr. Victor de Stuers, de bekende voorstander en bevorderaar der kunst en mede-oprichter van Monumentenzorg, belangstelling voor deze preekstoel. Hij beloofde hulp en stond de kerkmeesters met raad en daad terzijde. Van prins Frederik, die in 1881 op hoge leeftijd stierf, ontving men een gift van f. 100,- terwijl de Stuers zelf een bedrag van f. 50,- schonk, met de belofte, de ontbrekende gelden bij zijn vermogende kunstvrienden in te zamelen. Onder de schenkers vindt men dan ook o.a. de namen van Mr. Fock, commissaris des Konings, Jkvr. de Witte Citters en de Graaf van Limburg Stirum.

De plaatselijke huis- en rijtuigschilder Willem Schaaf vond men bereid de preekstoel en het er bijbehorende doophek van zijn dikke vernislaag te ontdoen. Hij was er gedurende de gehele winter 1880-1881 mee bezig en deed dit op een zeer voorzichtige wijze, zodat het fijne en kunstige snijwerk niets te lijden had. De bekwame beeldhouwer W. J. van den Winkel uit Den Haag herstelde met goed gevolg de lichte beschadigingen die het kunstwerk in de loop der tijden had opgelopen. Daarna werd de preekstoel in de was gezet en vertoonde zich weer in zijn oorspronkelijke luister.

Niet lang daarna ontsnapte de zojuist herstelde preekstoel aan een groot gevaar. Op de middag van 14 juni 1882 werd de vrij hoge torenspits door een felle blikseminslag getroffen. De spits brandde op 2 plaatsen: aan de top en in het midden. De brandweer slaagde er in de brand in het midden te blussen, maar de bovenkant van de spits kon men niet bereiken. Er bleef niets anders over dan kerk en toren nat te houden, om de brand tot deze te beperken. De toren leek, met zijn brandende spits, een reusachtige lantaarn.

Toch liep de kerk groot gevaar: De vonken vielen her en der op het kerkgebouw. Wat gevreesd werd gebeurde, het brandend kruis plofte op het kerkgebouw en ieder was bevreesd, dat de zojuist verfraaide preekstoel en het nieuwe orgel verloren zouden gaan. Het gelukte met de inmiddels te hulp gekomen stoombrandspuit uit Den Haag de ontstane brand te blussen. Kerk en toren bleven behouden, de spits was totaal verwoest.

Die eerstvolgende zondag wekte Ds. Van Walsum vanaf de bewaarde kansel zijn toehoorders op tot dankbaarheid aan Hem, die het bedehuis gespaard had. Over de preekstoel zei hij: Nu hij ons als het ware voor de tweede maal gegeven is, stellen wij hem op nog hoger prijs en spreken wij met verhoogde ingenomenheid van "onze preekstoel".

door: F.C. Groen

    
foto's door Leendert W. Koppenol genomen op 24 april 2001

Klik HIER voor een reactie van dhr. Petrus Drooglever, d.d. 24-12-2010


Plien blijft gewoon Plein heten.

Uit: Westlandsche Courant, woensdag 11 augustus 1993
Door: Dick Dijkhuizen.

Wateringen - Het plein in Wateringen heet gewoon Plein. Niks bijzonders. Geen Dorpsplein, geen Kerkplein, geen Wilhelminaplein. Gewoon Plein. En het is maar goed dat het Plein in Wateringen straks niet wordt geannexeerd door Den Haag. Anders was Den Haag met twee Pleinen opgescheept. En hoe leg je dat de argeloze bezoeker van Den Haag - of van voormalig Wateringen - duidelijk uit.

Het Plein. Het is maar goed dat ze het zo hebben genoemd anders zou je nooit weten dat het een plein is. Een plein is bij voorkeur rond. De kerk is meestal het middelpunt en er omheen bevinden zich vaak de toeristische attracties van een dorp. Terrassen dus. Bij het Plein in Wateringen is daar geen sprake van. Eigenlijk is het helemaal geen plein, maar een kleine verbreding van de Kerklaan die komende vanaf Den Haag doodloopt. Plotseling is er bij de stoplichten geen plein meer. Je kan rechts via de Heulweg het Westland verder in en links ga je via de Herenstraat naar Rijswijk. Rechtdoor is er niet meer bij, daar staat de Pleinwand.

Toch heeft het Plein in Wateringen wel wat. Gezellig is het er niet. Er zijn geen kroegen, geen terrasjes, niets van dat alles. Een slager, een groenteboer, een speelgoedwinkel, een paar makelaars en een notariskantoor, dan heb je het eigenlijk wel gehad. Natuurlijk is er de kerk. De Nederlands Hervormde welteverstaan. Het Plein had dus ook gewoon Kerkplein genoemd kunnen worden, maar daar wilden de Wateringers in een ver verleden niet aan. Nee, het Plein was het Plein en van die naam moest iedereen afblijven. Op ansichtkaarten werd het Plein in een grijs verleden overigens ooit Plien genoemd. Deze schrijffout werd later hersteld en sindsdien heet het Plien gewoon weer Plein.

Sleutelfunctie.
Het Wateringse Plein is, dat klinkt vreemd het dagelijks meest bezochte Westlandse plein van alle pleinen die op deze plaats zijn besproken. Dat heeft vanzelfsprekend alles te maken met de honderden buspassagiers die hier elke dag een tussenstop maken in een van de bussen van Westnederland. Of je nu naar Naaldwijk wil, naar Rotterdam of naar Kijkduin, Westnederland komt langs het Plein. Sinds mensenheugenis overigens al.

Toen heette Westnederland gewoon nog WSM. Wisten we nog waar we aan toe waren. Ook toen al vormde het Plein een sleutelfunctie voor de busmaatschappij die dezelfde diensten nog steeds onderhoudt. Ook nu nog reis je vanaf Kijkduin naar Rotterdam over het Plein. En ook nu nog is er duidelijk de ergernis van de gezichten van de passagiers af te lezen als de chauffeur op het Plein de motor van zijn bus uitschakelt omdat hij weer eens vroeger dan het tijdschema toelaat bij zijn halte is gearriveerd.

De passagiers hebben haast. Dat was dertig jaar geleden al zo en dat is in die tijd niet veranderd. Maar het Plein had en heeft een zeer belangrijke overstapfunctie. ‘s Morgens vroeg, wanneer de meeste reizigers moeite hebben de slaap te overwinnen, pikt de ene lijn mensen uit, bijvoorbeeld Naaldwijk, op die naar Delft moeten en andersom. Scholieren zijn er veel. Volgen een opleiding in Den Haag, wonen diep in het Westland en stappen op het Plein over op de bus die hen naar Delft vervoert. Om vervolgens daar over te stappen op de tram die ze naar Den Haag brengt. Ingewikkeld, dat wel, maar deze belangrijke functie van het Plein is er niet minder om, dat is duidelijk.

Het Plein is er een van grote contrasten. Als je vanuit de Herenstraat of vanaf de Heulweg het Plein oploopt, dan zijn de panden aan de rechter- en linkerzijde werkelijk een plaatje. Met grote zorgvuldigheid gerestaureerd en dan ook echt gerestaureerd, dus in de oude staat teruggebracht. Alleen jammer dat nu in het ‘Wapen van Wateringen’ de notaris kantoor houdt. Liever hadden we daar een uitspanning gezien. In de meeste ‘Wapens’ in Nederland kan men immers terecht voor een verfrissing. Maar wellicht dat je bij de aankoop van een huis bij de notaris een kop koffie krijgt. Heeft het tenminste nog iets van de oude waarde overgehouden.

Schoonheid.
Zijn de eerste panden op het Plein van een bijzondere schoonheid, even verderop begint de ellende. Tot groot verdriet van de Wateringers met het hart op de juiste plaats is het bij het complex van busmaatschappij VIOS al jaren, op zijn Hollands gezegd, een zootje. Grondvervuiling is weliswaar geconstateerd, maar wie ruimt het op en vooral, wanneer. Daar zijn de geleerden het nog niet over eens. En dat is jammer, want het hoofdkantoor van VIOS, met de twee karakteristieke torentjes, staat er nu wat verloren bij. De busmaatschappij is vanaf Wateringen al sinds 1922 operatief. Piet Lipman, de oprichter en eerste eigenaar van het bedrijf, begon zijn maatschappij met een oude Fordbus op massieve wielen. De eerste lijndienst was die tussen Kwintsheul via Wateringen naar Rijswijk. Met twintig bussen in bedrijf en een half miljoen passagiers per jaar groeide VIOS zelfs uit tot een van de grootste busondernemingen in Nederland. Totdat WSM de lijndiensten overnam en van VIOS nog slechts een touringcarbedrijf overbleef.

Het wordt dus de hoogste tijd dat het vervuilde terrein rond de VIOS-garages eens wordt schoongemaakt. Dat het Plein nu eindelijk eens wordt afgemaakt. Maar wat heet af. De tand des tijds heeft toch al zo aan het Plein geknaagd. Afbeeldingen uit ver vervlogen jaren laten dat duidelijk zien. De kerk, die staat er nog in volle glorie, alhoewel de oude pastorie is afgebroken. Ook de smederij die voor de kerk stond moest het loodje leggen. De Waag, met zijn ronde poort, is er ook al niet meer. In de Waag werd in vroeger tijden het vee gewogen. Het hotel van Jan de Boer, de zadelmakerij van Jan Peters, kruidenier Zuiderwijk, ach, ze zijn allemaal weg. Bakker Roodenrijs die zit er nog wel. Maar slijterij Holtkamp, waar is die eigenlijk gebleven? Op de hoek met de Heulweg, daar zat hij altijd. Op maandag maakten inwoners van Den Haag geregeld een tochtje naar Wateringen en dan in het bijzonder naar Holtkamp. Want in Den Haag waren de slijters die dag gesloten en als je na een zwaar weekeinde per ongelijk ‘zonder’ was komen te zitten, dan bood Holtkamp uitkomst.

Maar gelukkig, Holtkamp is er nog wel, zij het niet meer op het Plein. Een aantal jaren geleden heeft eigenaar B. Holtkamp zijn grote winkel op de hoek verkocht aan makelaar Santen & Gasille en verkoopt zijn spiritualiën nu net om de hoek in een winkel aan de Heulweg. Dat bevalt hem best, zo leren we van hem, maar het zal niet zo lang meer duren voor hij zijn winkel definitief gaat sluiten. En een opvolger is er ook al niet. Verdwijnt er dus weer een karakteristiek stukje Wateringen. Karakteristiek omdat Holtkamp al in 1896 op diverse plekken op het Plein een winkel had.

Karakteristiek was ook het gemeentehuis. Het huis is dat op zich nog wel, want het staat er nog steeds. Alleen de gemeente zit er niet meer in en dat is jammer, want een Plein zonder gemeentehuis daalt direct in waarde.

Doodzonde.
In april dit jaar verhuisden de ambtenaren naar een nieuw pand aan de Dorpskade. Volgens een wat oudere Wateringer is dat ‘doodzonde’. Volgens hem lijkt het nieuwe gemeentehuis meer op een overdekt zwembad dan op een gemeentehuis. Maar de verhuizing was noodgedwongen. Want het oude huis aan het Plein, dat in 1939 werd gebouwd, was en is dan wel karakteristiek, de wethouders moesten hun bureaus met elkaar delen. En dat gaat op de lange duur natuurlijk niet.

Voor 1939 zetelde de gemeente overigens in De Roscam, waar ook recht werd gesproken. Ook De Roscam, wat eigenlijk Huis ten Hoek heette, viel ten prooi aan de slopershamer.

Het Plein is dus het Plein niet meer, alhoewel men zijn best doet de mooie dingen zo goed mogelijk te conserveren. Maar of de oude dichtregels: ‘waar vindt men in heel Nederland, zulk een schoon en vruchtbaar oord?’ nog van toepassing zijn, dat is de grote vraag.


Plein anno 1750.


Plein anno 1922.


Plein anno 2000, met dank aan Rinus van Koesveld.


Van buitenplaats tot Hofboerderij

Van de oude buitenplaats uit de zeventiende eeuw is alleen de Hofboerderij behouden gebleven.

Uit: Westlandsche Courant Dinsdag 9 augustus 1994

Wateringen -
Wateringen was in het verleden, net als andere plaatsen in het Westland, een geliefd oord voor de rijke regenten van Den Haag en Delft. Zij bouwden riante huizen waarin zij ‘s zomers met hun gezinnen verbleven. Naast het Hof van Wateringen kende het dorp buitenplaatsen als het Suyderveldt van de familie Van der Dussen, Westerheul van Selkaart van Wouw en de buitenverblijven van Salomon Swerius, Diederick van Velthuysen, Hendrik van Outheusen en Hillebrant van Wouw.

Het grootste en aanzienlijkste was echter het Hof van Wateringen, waarvan nu het restant nog bekend staat als de Hofboerderij. De buitenplaats stond op historische grond. Al in 1250 stond op deze plek een kasteel, de woonplaats van het riddergeslacht Van Wateringhe. Sommige leden van dit geslacht stonden in hoog aanzien bij de Graven van Holland en dienden hen als hoveling en raadsman.

Na een periode van ruim 200 jaar werd het slot door de toenmalige eigenaar, Hendrik IV van Naaldwijk, in 1485 geschonken aan de Cisterciënserorde om het in te richten als klooster. Het klooster heeft bijna 90 jaar bestaan. Een bloeitijd heeft het nooit gekend, de orde leidde en kwijnend bestaan. Steeds moesten monniken uit andere ordes de opengevallen plaatsen opvullen.

Opstand.
Bij het begin van de opstand tegen de Spaanse overheerser in 1572 zochten de monniken een veiliger heenkomen. Ze waren bang voor de gevreesde watergeuzen. In 1573 werd het klooster in brand gestoken. Wie de daders zijn is nooit precies duidelijk geworden.

De ruïne heeft er slechts kort beblakerd en verlaten bijgelegen. De nieuwe eigenaars waren de Staten van Holland, die beslag hadden gelegd op alle kerk- en kloostergoederen. Nauwelijks waren de Spanjaarden na het ontzet van Leiden uit de omgeving verdwenen of de Staten verkochten in 1575 de resten van het klooster aan de Delftse metselaar Pieter Huygenszoon voor het bedrag van honderd ponden (de gulden was nog niet in omloop!).

Bij de verkoop eisten de Staten van hem dat alle materialen binnen een jaar van het terrein waren verwijderd. Pieter brak de resten af om de sloopmaterialen elders te gebruiken. In dat volgende jaar is het hele kloosterbezit (ongeveer 85 ha) verkocht. De oorlog met de Spanjaarden kostte de Staten immers handenvol geld. Met de opbrengst van de kloostergoederen konden zij de strijd met Spanje voortzetten.

Dussen.
De plek van het voormalige klooster en het omliggende land kwamen waarschijnlijk al voor 1600 in handen van de Delftse regent Jacob Huygensz. Van der Dussen. Een aanzienlijke man, want hij was tevens Heer van Harenkarspel (bij Schagen), lid van de vreedschap van Delft en Hoogheenraad van Delftland, Van der Dussen kreeg in 1589 zelfs het privilege om broedende zwanen in de grachten rond het voormalige klooster te houden.

De grond bleef in de familie, want twee dochters van Van der Dussen huwden met regenten, die nauw betrokken raakten bij het Hof van Wateringen. Margaretha huwde met Joost Brasser en Catharania met Pauls Halling.

Zij hebben de buitenplaats weer herbouwd. In welk jaar dat gebeurde, is onduidelijk. Wel blijkt uit oude stukken dat het in 1630 alweer een behoorlijk groot huis moet zijn geweest. Want Brasser, die na het overlijden van Van der Dussen de zorg over de buitenplaats overnam, moest toen al een behoorlijk bedrag aan belasting betalen.

Sloop.
Nadat de buitenplaats gedurende een paar eeuwen steeds in andere handen was overgegaan verkocht de toenmalige bewoonster, mevrouw Gael-Van Kretschmar de buitenplaats aan vijf Delftse ondernemers die van plan waren het huis af te breken en de sloopmaterialen met een behoorlijke winst te verkopen. De verkoopakte vermeldde dat daarmee een tuinmanshuis, stal en koetshuis, verdere gebouwen zoals schuren, de goudvissen in de visvijver, de ramen op de perzit- en druivenkassen, de boerenwagen, twee eggen, twaalf tuinbanken, drie hondeladders, kippen-rennen en dergelijke gepaard gingen.

Het sloopwerk was na een half jaar geklaard. De binnenplaats, waarop zij het huis gedeeltelijk hadden laten staan, verkochten ze begin 1800 aan de Naaldwijker Thomas van der Post. Die verkocht het weer door, zodat twee jaar later Gerrit Waarendorp zich op het Hof vestigde. Hij begon daar als boer. Nadat hij nog twee aangrenzende percelen land had aangekocht was het complex weer even groot als in de beginjaren. Bijna anderhalve eeuw bleef het pand een grote boerderij.

Tot 1951. Oude Wateringers kunnen zich nog wel herinneren, dat het gemeentebestuur toen het gehele complex aankocht. Het moest wijken voor woningbouw. De boerderij en de middeleeuwse binnenplaats met de grachten onder de naam Hofboerderij en Hofpark bleven echter behouden. 

Bovenstaand is ontleend aan een uitgave van de Historische Werkgroep van Wateringen & Kwintsheul, geschreven door F.C. Groen.

   
foto's van 24 april 2001


Piet Lipman, eerste Westlandse pelgrim in 1913

Door: Aad van Holstein
Uit: Westlandsche Courant 22 maart 2003

Maart 1913. Voor het eerst wordt er vanuit het Westland deelgenomen aan de Stille Omgang. Een stille tocht door Amsterdam. De Wateringer Piet Lipman, de pionier van de stille omgang vanuit het Westland, neemt in zijn eentje een initiatief met bijzondere gevolgen.

Wateringen
Het is op een zaterdagavond in maart 1913 dat Piet Lipman, bekend als fietsenmaker in Wateringen, nog even op zijn gemak de krant inkijkt.
Ineens valt zijn oog op de rubriek ‘Amsterdamse Brieven' waarin staat, dat nog in diezelfde nacht een Stille Omgang door de stad zal worden gehouden.

Daaraan nemen niet alleen Amsterdammers maar ook mensen uit de omtrek deel. Piet bedenkt zich geen ogenblik, loopt naar zijn kleine fietsenwerkplaats aan het Plein vlak naast de Nederlands hervormde Kerk en haalt zijn Simplex stoomfiets te voorschijn. Hij vult de tank en rijdt om half elf in zijn dooie eentje weg. Richting Amsterdam. Zijn motor rijdt op riemaandrijving en is voorzien van canvasbanden en een carbidverlichting.

Bij Halfweg passeert hij een vijftiental Haarlemmers, bezig zich te voet naar de hoofdstad te begeven. Met enig bravoure rijdt hij hen voorbij, maar dat duurt niet lang, want  even verderop -vlak bij de suikerfabriek- krijgt hij zowaar een lekke band. De Haarlemmers passeren de eerste Zuid-Hollandse pelgrim echter luid biddend en besteden geen aandacht aan hem.  

Lipman, die eigenlijk een beetje rekent op een 'barmhartige Samaritaan', probeert dan maar in arrenmoede in het duister zijn band te repareren. En warempel, hij slaagt  erin de band geplakt te krijgen" zodat hij even later de groep weer inhaalt. Alleen herhaalt de pech zich nog een keer, maar desondanks weet hij toch om precies drie uur als eerste Westlandse pelgrim in de Mirakelstad aan te komen en de omgang te maken ter ere van het feit, dat daar op 5 maart 1345 volgens de overlevering een man in een huis aan de Kalverstraat ziek op bed lag en vreesde te sterven.

Braakneigingen
Die man liet een priester roepen om hem te bedienen en van het Heilig Sacrament te voorzien. Na het eten van de hostie kreeg de zieke braakneigingen en moest tenslotte overgeven in het branden de haardvuur van zijn kamer. Maar na verloop van tijd bleek dat hij niet alleen de hostie onbeschadigd had uitgebraakt, maar dat bovendien het vuur de hostie niet had aangetast. Nadat de hostie de volgende dag door de priester van de Oude of Nicolaaskerk weer was opgehaald, keerde de hostie tot tweemaal toe op wonderbaarlijke wijze in het huis van de zieke man terug. Voor de Amsterdammers een mirakel dat ze nog jaarlijks herdenken met een Stille Omgang.

Zijspan
Piet Lipman heeft na zijn eerste deelneming aan de stille tocht de smaak zo te pakken dat hij besluit om een jaar later weer op pelgrimstocht te gaan. Hij doet dat opnieuw per motorfiets, maar nu voorzien van een zijspan, zodat hij iemand kan meenemen. Het aantal Haarlemmers dat te voet naar de stad trekt, blijkt inmiddels verdubbeld. Lipman schat het aantal deelnemers in totaal op zo'n achthonderd personen. In 1915 wordt op de motor nog een duo gemonteerd, zodat er nu drie ter bedevaart kunnen trekken. Het jaar daarop doen de gevolgen van de oorlog 1914-1918 zich voelen. Er is geen druppel benzine. Maar Piet is niet voor één gat te vangen. Hij organiseert een Stille Omgang in zijn eigen dorp Wateringen. Die loopt via de Kerklaan, de Noordweg en de Kwak naar de parochiekerk van St. Jan de Doper aan de Herenstraat.

De oorlog is nog maar nauwelijks afgelopen of in 1919 trekken weer Wateringers naar Amsterdam. Nu gaat Lipman op stap met een personenauto voor zes personen. Met deze auto wordt een groot gedeelte in het donker gereden, omdat door de carbidverlichting die een wit gordijn vormt het uitzicht naar voren ernstig wordt belemmerd. Het jaar daarop heeft ook Rinus Scholten een auto en weer een jaar later beschikken drie Westlanders over een auto, waarmee ze in totaal veertien pelgrimerende streekgenoten kunnen meenemen. Het zijn Theo van Dijk uit Naaldwijk, Gerard van der Valk uit Poeldijk en Piet Lipman uit Wateringen. Even lijken ze pech te hebben in 1922. Voor het eerst wordt, zo is de bedoeling, een vrachtwagen ingezet met als eigenaar Q. Wubbels, maar daags voor de omgang raakt die te water. Gelukkig weet iemand eenzelfde wagen te charteren bij H. Asberg in Rijswijk. Daar worden rijtjes groentekisten op neergezet die als zitplaats dienen voor de pelgrims. Omdat niet iedereen een plaats heeft, nemen sommigen genoegen met een plaats op de achterklep van de auto, waar ze wel flink kou lijden.

Autobus
In 1923 krijgt Lipman zijn eerste autobus. Hij noemt zijn busbedrijf VIOS, Vooruitgang Is Ons Streven. De deelname aan de Stille Omgang wordt steeds talrijker en het is in datzelfde jaar dat de vereniging Stille Omgang Westland wordt opgericht. Voorzitter wordt P:C. van Leeuwen, P .H. Lipman wordt secretaris en F. van Holstein, penningmeester.


Een van de eerste bussen van de VIOS.
(excuses voor de slechte kranten-foto, heeft U een betere?)

Het aantal Westlandse deelnemers neemt dan sterk toe en groeit in 1932 uit tot 150. Met daarbij Kwintsheul (dat een eigen vereniging heeft) en de andere Westlandse plaatsen meegerekend, zijner in dat jaar vijfhonderd personen die vanuit de streek naar Amsterdam vertrekken. Het gezelschap is intussen zo groot geworden, dat voor het Westland in Amsterdam een eigen kerk voor een samenkomst wordt aangewezen.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog groeit het aantal deelnemers 20 tot 900. Maar de tweede wereldoorlog zet een domper op het pelgrimeren. Ondanks dat er geen bussen en ook geen brandstoffen meer zijn is er toch een Stille Omgang, zij het weer naar Wateringen. Na de oorlog is de traditie nog een tijdlang voortgezet met weer nieuwe bussen, maar wel met minder deelnemers.

In 1953 -nu 50 jaar geleden- wordt het 40-jarig bestaan van het genootschap al in een wat sombere sfeer gevierd. De organisatoren wijten de teruggang van het aantal deelnemers aan de gunstige conjunctuur en het zich wijzigende politieke klimaat. Opmerkelijk is wel, dat in 1956 -tijdens de Hongaarse opstand de pelgrimage ineens sterk toeneemt. Het gouden jaar 1963 wordt geen kroonjaar, want de belangstelling neemt zienderogen af. Maar de Stille Omgang gaat nog steeds elk jaar door.

Katten in Wateringen voor consumptie aangeboden.

Uit: Ouder Westland
Door: Aad van Holstein

Hoe het Westland de hongerwinter van 1945 beleeft is vooral op te maken uit de advertenties die in de eerste maanden van 1945 in het Zuidhollandsch Dagblad worden geplaatst. Het zijn soms ware noodkreten van mensen, die er alles voor over hebben om aan etenswaren te komen.

'Wie kan mij inlichtingen geven over degenen, die in de Druivenstraat en omgeving katten vangen en die voor consumptie aanbieden?' Dat is een tekst van een advertentie die in het Zuid-Hollandsch Dagblad is geplaatst en afkomstig is van Wateringer J. Vis. Onopvallend en toch door zijn inhoud weer opvallend staat hij tussen tal van andere annonces, waarin van alles wordt aangeboden tegen eetbare waar.

Ze vullen soms de hele tweede pagina van de in totaal door papierschaarste maar twee pagina's omvattende krant, die uitkomt in het formaat dat tegenwoordig wel eens ten onrechte met tabloid wordt aangeduid. J. Vis woont zelf in de Druivenstraat op nummer 7 en ergert zich kennelijk aan praktijken, die dus blijkbaar niet alleen in de grote steden opgeld doen. Huisdieren slachten om ze op te eten. Wellicht is hij zelf een kat kwijtgeraakt, maar dat meldt de advertentie niet expliciet. Wat bij die particuliere advertenties ook opvalt, is het grote aanbod van tabakswaren voor levensmiddelen of andere levensbehoeften. Tabak wordt ook hier en daarin kassen geteeld. 'Ik heb tabak'; meldt iemand wonend aan de Wateringscheweg 7 te Poeldijk, 'wil deze ruilen voor groene erwten'. Kippen worden te ruil aangeboden voor hun eigen voer. H. Zwinkels van de Noordweg 43a te Wateringen heeft er vier van een jaar oud in de aanbieding en wel voor maïs.

Te ruil
'Te ruil. Een kookkachel en een invalidenwagen, in goeden staat zijnde, te ruilen tegen aardappelen of andere levensmiddelen', meldt iemand uit Loosduinen. Maar een Wateringer heeft nog harder eten nodig, want in zijn advertentie biedt hij zowat alles aan wat je nodig hebt bij de maaltijd, maar waar je niets aan hebt er geen eten is:. 'Wie ruilt een keukenuitzet, theeservies, eetservies en ontbijtservies, alles als nieuw, voor levensmiddelen'. Te bevragen bij J. van der Kraan, Appelstraat 7.
Soms wordt de ene etenswaar tegen de andere te ruil aangeboden, zoals door de weduwe Kuypers uit Wateringen, die een vet konijn tegen levensmiddelen wil ruilen. Maar niet alleen aan etenswaren, aan alles is gebrek. Zo ook aan schoeisel. Iemand biedt een ronde mahoniehouten tafel aan in ruil voor damesschoenen maat 39. Maar een Rijswijker heeft nou net weer een paar Robinson schoenen te vergeven voor antraciet of levensmiddelen. En de vraag van iemand uit Poeldijk 'wie er een tuintje van 5 á 600 roe te huur heeft, onverschillig waar', moet ook komen van iemand die probeert over een paar maanden ook nog wat 'eigen eet' van het land te kunnen halen. In een advertentie van teler J. A. C. Damen, Middelbroekweg 58A in Honselersdijk, waarin deze terstond een flinke tuindersknecht vraagt, staat ook iets in die zin. Het gaat dan om het alleszeggende regeltje 'vrij aardappelland' waar de knecht over mag beschikken.

Vuil werk
Als deze knecht ook nog eens vuil werk doet, en dat zal best wel, kan zijn baas op woensdag
31 Januari 1945 - volgens weer een andere advertentie - van 9 tot 12 uur bij het distributiekantoor in Naaldwijk terecht om daar een speciaal rantsoen zeep op te halen 'voor vuilen arbeid'. Nieuwe stamkaarten van al het personeel moeten daarbij wel worden medegebracht, zo staat er. En dan zit er een addertje onder het gras, want, zo lezen we: indien nog voorradig moet het restant van de vorige naamlijst plus ingesloten nieuwe naamlijst worden medegebracht. Mochten er geen naamlijsten' meer aanwezig zijn dan kunnen deze op het distributiekantoor op bovengenoemde data gelijktijdig worden ingevuld. Van dat laatste zal maar weinig gebruik gemaakt zijn, omdat nog steeds de vrees bestaat dat personeel naar Duitsland zal worden getransporteerd. Ook opvallend is de advertentie van Th. Nederpelt, Azaleastraat 19 uit Poeldijk, die een partij eenruiters en onderbouw van een warenhuis en ijzeren warenhuis goten te koop aanbiedt. Tien tegen een komen die uit het gebied rond 's-Gravenzande, waar ter wille van de Atlantikwal veel huizen maar ook tuinderijen zijn afgebroken.

En wat te denken van de advertentie: Ondergetekende brengt hiermede ter kennis aan de abonne's van het Zuidhollandsch Dagblad te Loosduinen dat hij zijn uiterste kracht zal inspannen om de bezorging zoo goed mogelijk te laten functioneren. Hoogachtend, de plaatse- lijk agent A. Laurier, Burg. Waldeckstraat 46. Zoiets plaats je alleen als je fysiek bijna niet meer in staat bent te werken. 'Zijn Uw punten op of ongeldig?', schrijft P H. Rombout van. de manufacturenhandel IKO in de Emmastraat in Naaldwijk in zijn advertentie, 'geen bezwaar want wij zorgen dat U ook thans nog keurig gekleed kunt gaan. Want al Uw kleeding kunt U bij ons laten stoomen, verven en repareeren en U krijgt het weer als nieuw terug. Brengt daarom b. v. Uw mantels, jassen, japonnen, , handschoenen (ook leer) kousen, sokken, sjaals, dassen, hoeden, petten, overhemden, blouses, onderkleeding, werkmanskleeding, dekens, vloerkleeden, ja letterlijk alles bij IKO en wij verzorgen het tot in de uiterste puntjes voor U. Desgewenscht vlugge bediening bij stoomen en verven'.

Wat ook heel tekenend is voor het voorjaar van 1945 is de volgende advertentie: 'H. H. Tuinders, Wegens werkzaamheden voor de Weermacht kunnen alle orders niet tijdig worden afgewerkt. Aanvragen voor het bespuiten van kassen kunnen nog wel worden ingediend. Gebrs. Vreugdenhil, Molenstraat 15, Naaldwijk'.
Kruideniers zitten met lege schap. pen. Dat melden ze niet, maar' tussen de regels lees je het in hun advertenties wel degelijk. Zoals in die van de Wed. A. J. Holtkamp, kruideniers en grutterswaren, wijnen, bier en gedistilleerd: 'Dikwijls konden wij u nog aan allerlei helpen. Wij zullen ernaar streven U zoo goed mogelijk van dienst te zijn, ondanks de tegenwoordige beperkingen'.

Bakkers
De bakkers hebben het ook niet makkelijk. Brood- Beschuit en Banketbakkerij S. C. M. Veenman, Geestweg 40a in Naaldwijk, meldt: 'Wij blijven trachten met het beste brood te voorschijn te komen: ondanks de lastige tijdsomstandigheden stellen wij ons gaarne geheel ten dienste van onze cliënten'. 'Steeds hebben wij alles in het werk gesteld om voor uw bonnen het beste te leveren van het geen voorradig was. Dikwijls dreigden groote moeilijkheden en dito belemmeringen, doch altijd waren wij erop uit U zooveel mogelijk tevreden te stellen als maar enigszins doenlijk was. Wij zullen dat naar best vermogen blijven doen. Wij danken u voor uw medewerking: Vleeschhouwerij en Spekslagerij R. G. Scholtes & Zn, Kerkplein 22 Monster'. De inhoud van de advertentie van een andere bakker waarin' wordt gemeld: 'Van den Berg's brood, da's pas brood' kan ondergetekende volmondig beamen. In de maanden januari tot mei 1945 mag schrijver dezes elke avond om zes uur Zich als 9 jarige jongen in de Rerenstraat op nummer 35 bij bakker Cor van den Berg melden om net zoveel boterhammen te komen eten als hij lust. Zoiets vergeet je nooit meer.

 

Ontvangen op 24-12-2010

Geachte heer /Mevrouw Koppenol,


Ik las op uw website van het Westland het een en ander over de Stad Wateringen en het artikel betreffende de NH kerk aldaar, het interessantste las ik over de preekstoel van deze kerk die voor heen door Frederik Hendrik is laten plaatsen in de kerk van het Huis Honselaarsdijk. Van 1621 tot 1631 heeft de verbouwing geduurd met verbinding van het oude kasteel.
De waranda meester is familie van mij en zijn naam was Adriaan de Milde, zijn broer Dirk de Milde was timmerman en meubelmaker en maakte de preekstoel van het huis die na de sloop in 1850 is hij verplaatst naar Wateringen. De dood van de erfgenaam Johan Willem Friso, verdronken nabij de moerdijk in het Hollandsdiep, was de reden dat het huis in andere vreemde handen kwam.
Frederik van Pruisen was een achterkleinzoon van Frederik Hendrik en kwam dus na Johan aanbod. De Pruisen hadden schijnbaar weinig op met het huis en de verwaarlozing begon, vermoedelijk was het oorlog voeren de reden en dan heb je vooral geld nodig. Het huis kwam toch weer in bezit van de oranjes door Anna van Hannover maar was niet meer te redden, er werd wat bij gebouwen gerestaureerd en bewoond door Prinses Caroline.

Met Vriendelijke groet,

Petrus Droogleever


 

 

1940, hoge Duitse officier doodgeschoten.

Bij het huis van Pieter Bouman aan de Schoollaan 32 in Wateringen is in het begin van de Tweede Wereldoorlog een hoge Duitse officier doodgeschoten. Daar zit het volgende verhaal aan vast.

Onder de rook van Kijkduin is in de mobilisatiemaanden (1938/1939) het hulpvliegveld Ockenburg aangelegd. Gelegen in het verlengde van de Haagse Laan van Meerdervoort meet het 650 bij ruim 200 m. In de meidagen van 1940 wordt vliegveld Ockenburg bezet door een grote groep Duitse parachutisten. Er is toen hevig gevochten. De Duitsers worden weer van het vliegveld verdreven en slaan op de vlucht. De toegangswegen naar Den Haag en Loosduinen zijn echter afgesloten. Op internet (www.vliegveld-ockenburg.net) de volgende informatie:

Ongeveer 360 Duitsers hadden zich onder leiding van generaal  Hans Emil Otto Graf  von Sponeck tijdig kunnen terugtrekken in de bossen van het landgoed Ockenburg alwaar zij zich verschansten. In de late avond van de 10e mei had de generaal, via de radio, de order ontvangen om op te trekken richting het Rotterdamse Overschie. Overdag op de 11e mei hielden de Nederlanders zich bezig met het versterken en beveiligen van hun posities in en om het vliegveld. In de middag wierpen Duitse vliegtuigen munitie en levensmiddelen per parachute af, de landingsplaats werd onder vuur genomen waardoor het de Duitsers werd belet om zich van e.e.a. meester te maken. Verder werd van tijd tot tijd vijandelijk mitrailleur- en mortiervuur ontvangen uit de bossen. Dit werd beantwoord met mortiervuur op de boerderijen Blijrust en Solleveld en artillerievuur op de bossen Ockenburg en Ockenrode aangezien men vermoedde dat zich daar nog Duitsers bevonden.                     

Omstreeks tien uur 's avonds op de 11e mei had Hans Emil Otto Graf von Sponeck met zijn groep de nachtelijk mars ingezet en hadden zij de bossen van Ockenburg verlaten. Nederlandse troepen (Grenadiers en Jagers) die in de vroege morgen van 12 mei (omstreeks 02:45 uur) het landgoed wilden innemen, kregen dan ook geen enkele weerstand van de enkele Duitse soldaten die waren achtergebleven. Deze gaven aan dat de overgebleven troepen enige tijd daarvoor het landgoed in zuidelijk richting hadden verlaten.


Hans Emil Otto Graf von Spneck.
 geb. 12
februari 1888
 
gefusilleerd 23 juli 1944

Rond half drie kwam deze groep aan bij Wateringen, hier kwamen zij in gevecht met troepen die het aldaar gevestigde stafkwartier van de commandant van de Groep 's-Gravenhage beveiligden. Na enkele uren zagen de Duitsers kans om met vier gestolen bussen van de firma ‘VIOS’ te vluchten richting Den Hoorn. De 12e mei verbleef de groep-von Sponeck in het dorpje 't Woudt, op 13 mei wisten ze uiteindelijk via Schipluiden Overschie te bereiken en hebben daar stand kunnen houden tot aan de Nederlandse capitulatie. 

Zoals je in het stukje hierboven kunt lezen, vechten ze in Wateringen. En dat gebeurt onder meer op het land van Pieter Bouman. De groep Duitsers is daarheen gegaan, vechtend met Nederlandse militairen die in het Bondsgebouw aan het begin van de Herenstraat zitten. Die zitten daar als voorpost, om de weg vrij te houden als de koningin naar Engeland zou willen vluchten.

Bij de waterput rechts naast het huis krijgt op 12 mei 1940 het hoofd van de Duitse parachutistengroep, die gewond is, de laatste kogel van de Nederlandse militairen.

Die hoge Duitse officier is daar op de Schoollaan doodgebloed. De hond van de familie Bouman is zó bang voor al dat bloed, dat hij er niet langs durft te lopen. De Duitsers willen de hond doodschieten, maar Hanny Bouman springt ervoor en dan durven ze niet. Haar vader moet dan met de Duitsers mee naar boven, waar ze willen kijken of er ook mensen verstopt zijn. Iedereen is natuurlijk doodsbang.

Hanny Bouman vertelt:

"Een scherpschutter van de Nederlandse soldaten had al enkele malen iets zien bewegen maar had nog maar 1 kogel en dacht "als ik het weer zie schiet ik" en ja, de Duitser klom op de waterput en werd getroffen naast de achterdeur van de serre. En ons gezin werd krijgsgevangen gemaakt en moest als levende dekking voor de Duitsers dienen. Kogels van voor en achter om je oren. Goddank bleven wij allen gespaard. Alleen zou mijn broer Kees worden doodgeschoten als represaille. Ik fluisterde Kees in het oor (nadat een Duitse militair was gewond geschoten) "meld je aan om hem naar het hospitaal te brengen". Dat heeft hij gedaan en zo heeft hij het overleefd."

Bovenstaand verhaal ontvangen van Riana Luijks uit Utrecht op 27-04-2011 waarvoor onze hartelijke dank.

Stoomspuit blust brand in toren Ned. Herv. Kerk Wateringen.


Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

Door: aad van Holstein
Uit: AD Westland 13 september 2012

Honderdtwintig jaar geleden was Wateringen in rep en roer.
De kerktoren staat in brand. Waar haal je zo gauw een stoomspuit vandaan? Uit Den Haag natuurlijk!

Het is dinsdagavond 13 juni 1882. De hele dag is het drukkend warm. Het zweet loopt menig werk- man in de tuinderijen van het Westland tappelings van het voorhoofd. Aan het eind van de lange werkdag - velen werken van 's morgens vroeg tot 's avonds de duisternis invalt - gaat menigeen te voet naar huis terug, bezorgd kijkend naar de dichttrekkende lucht. Dat voorspelt niet veel goeds. Weersverwachtingen kent men nog niet, maar uit ervaring weten ze dat er onweer in de lucht zit.

Tegen zevenen vallen de eerste druppels uit een steeds donker wordende hemel. Het bliksemt in de verte, de donder ketst ratelend over de weilanden, de boomgaarden en de tuinderijen. Tot opeens een felle, knetterende bliksemstraal zich met ongekende kracht in de toren van de Nederlands hervormde kerk aan het Plein boort.

TRILLEN
Burgemeester C.P. Hoek voelt het bureau waar hij aan zit te werken helemaal trillen. Het gemeentehuis staat vlakbij de kerk. Hij denkt met- een dat er sprake moet zijn van een inslag. Vlug kijkt hij uit het raam en ziet rook kringelen uit de spits van de toren van de eeuwenoude kerk. Hier moet onmiddellijk gehandeld worden, weet hij en alarmeert met een de brandweer, die uit 163 man bestaat. De meesten komen direct af op het luiden van de brandklok. Onder leiding van A. Lipman sr. komen ze snel in actie om de twee brandspuiten waarover Wateringen beschikt in te zetten. Een spuit zetten ze halverwege in de toren, de andere blijft beneden. Het water pompen ze naar het reservoir in de toren, waarmee de brandhaard in de spits effectief kali worden aangepakt. Alleen vreest men dat het zware ijzeren kruis, dat samen met de torenhaan bovenop het kerkgebouw staat, zal vallen en zo veel schade zal aanrichten. Maar gelukkig komt het gevaarte op het Plein terecht. Burgemeester Hoek wil toch voor de zekerheid de assistentie van de Haagse brandweer inroept. Die beschikt over een moderne stoombrandspuit. Het gemeentebestuur telegrafeert daarom snel naar Den Haag. Zoals men daar gewend is, komt de brandweer razendsnel in actie. De paarden zijn op onverwacht uitrukken getraind. Ze staan al ingespannen klaar en trekken de stoombrandspuit, die - het woord zegt het al - door stoom wordt aangedreven, op het eerste commando voort, richting het nabijgelegen Wateringen. Onder stoom draven de paarden met het blusvoertuig met deskundige bemanning aan boord naar de brand. Van verre zien de brandweerlieden al een rookpluim boven de toren omhoog klimmen. Daar moeten ze zijn. Neervallend vuur bedreigt echter intussen wel het eigenlijke kerkgebouw, zodat snelheid geboden is.
Bijna twee uur na de blikseminslag komt de stoomspuit op het Plein aan. Ze tappen aan de ene kant het water uit de vaart langs de Herenstraat en leiden dat via dikke slangen naar de kerk. Zo vlug als het kan geeft de spuit water. En meteen beginnen de brandweerlieden met het nathouden van het kerkgebouw en het definitief in de kiem smoren van het vuur in de toren.

TAPPERIJEN
De volgende maatregel die burgemeester Hoek neemt, is het direct sluiten van alle in het dorp gevestigde tapperijen. Hij doet dat ter voorkoming van onaangenaamheden, die kennelijk in het verleden zich in dergelijke omstandigheden hebben voorgedaan. Om half een 's nachts is de brandweer de brand de baas. Naar schatting drie meter van de toren is dan door de vlammen verwoest. De burgemeester is al die tijd aanwezig gebleven en dankt, staande voor het raadhuis, na afloop de eigen en de Haagse brandweerlieden voor de hulpvaardigheid.
De volgende ochtend om half vijf ontdekken Wateringse brandweerlieden, die de wacht houden bij de kerk, dat aan de Noordwestzijde van het kerkdak vlammen onder de dakpannen vandaan komen, wellicht veroorzaakt door een vonk die tussen de pannen op het houtwerk is blijven smeulen. Met twintig emmers slagen de brandweerlieden erin dit gevaar te keren.

 


Stoomspuit zoals gebruikt zou kunnen zijn bij het blussen van de brand in Ned. Herv. Kerk te Wateringen.

 

Uit:

De Wateringse Vaart in de vorige eeuw
(deel 1)

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4, mei 2018
Door: Joop Alleblas

Met zijn oude huisjes en vele boogbruggetjes over de Vaart was Wateringen in de vorige eeuw een pittoresk dorpje. ’s Zomers gleden tuindersschuiten met kleurrijke groenten en fruit over het water naar de veiling. In de winter schaatsten de kinderen over het ijs naar school. ln 1956 werd begonnen met het dempen van de Vaart en veranderde Wateringen in snel tempo. Oktober 1958 was het karwei geklaard. In een serie van 7 afleveringen (we proberen ze alle zeven op te sporen) schetst Joop Alleblas zijn herinneringen aan deze ingrijpende gebeurtenis.

Plannen, droogleggen en baggeren.

Gemengde gevoelens.
Halverwege de vorige eeuw werden er plannen gemaakt om de Wateringse Vaart te dempen. De smalle onveilige Herenstraat moest verbreed worden. De plannen van de gemeenteraad werden met gemengde gevoelens door de burgers ontvangen. Velen vonden het een uitkomst dat die smalle steeds drukker wordende Herenstraat eindelijk verbreed werd. Het kwam de veiligheid en de doorstroming van het verkeer ten goede, het zou goed zijn voor de middenstand en het hoorde bij de moderne tijd. Wateringen zou mooier worden en alles zou sneller gaan. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde.

Bezwaren van tuinders.
Met name tuinders die al decennialang hun schuit volgeladen met groenten en fruit via de Vaart naar de veiling boomden tekenden bezwaar aan. De veranderingen kwamen voor hen hard aan en zouden veel geld kosten. Zij zouden nu plotseling een auto aan moeten schaffen, hun paden moeten verharden en allerlei andere kosten moeten maken omdat voor een auto andere voorzieningen nodig zijn dan voor een schuit. Hun bezwaren werden niet gehonoreerd. Zij kregen geen schadevergoeding voor de gedwongen aanschaffing van rijdend materiaal. Volgens de gemeente hadden de tuinders nu voordeel doordat zij gemakkelijker bereikbaar waren. Die voordelen wogen volgens de gemeenteraad ruimschoots op tegen de nadelen.

Scheepswerf.
Ook de familie Van der Kleij van de scheepswerf aan de Heulweg (zie foto) zag in het dempen van de vaart een bedreiging voor haar voortbestaan en diende een bezwaarschrift in bij de gemeente. De werf zou na het dempen van de Vaart niet meer bereikbaar zijn voor tuinders uit de Herenstraat en het Oosteinde. De open verbinding met de Strijp en de Rijnerwatering zou in één klap verdwijnen. Ook die bezwaren werden door de gemeente weggewoven. Het werk op de werf liep in de vijftiger jaren geleidelijk aan terug. Het tijdperk van de ontsluiting van bedrijven had zijn intrede gedaan. Dat betekende meer auto's en minder schuiten en minder nering voor Van der Kleij. De werf, die al sinds 1750 op die plek was gevestigd, zou daardoor niet meer rendabel kunnen functioneren en enkele jaren na het dempen van de Vaart ter ziele gaan.


De Scheepswerf Van der Kleij.
Op de foto met pet op: Evert. Van der Kleij, naast hem zijn zoon Joh, P. van der Kleij
en met het hoofdje boven de boeg uit Evert jr. Links blootshoofds: secretarie beambte dhr. v.d. Gulik.
Foto: Historische Werkgroep Oud Wateringen& Kwintsheul

Het begin, 1956
Ineens was het zover. De Vaart werd - ondanks de bezwaren van 27 tuinders en de scheepswerf van Van der Kleij aan de Heulweg - gedempt. Het bedrijf van A. Kraal was het werk gegund. Machines en ander zwaar materieel werden met veel kabaal de Herenstraat in gereden en het dempen kon beginnen. Dat gebeurde in verschillende fasen. Eerst moest het water weggepompt worden. Het eerste stuk dat droog gelegd werd, liep ongeveer van de Dorpskade tot het Plein. Steeds werd een nieuw stuk afgeschot met dikke platte houten palen die met een heiblok de bagger werden ingedreven. De damwand liet bijna geen water door omdat de palen met messing en groef feilloos in elkaar sloten.

Een grote lawaaierige pomp zoog het afgezette stuk vervolgens leeg. Voor de bewoners van de Herenstraat waren het onrustige tijden. Al heel vroeg begonnen de werkzaamheden die tot het vallen van de avond voortduurden. Geronk van motoren, het dreunen van het heiblok en geschreeuw van werklui verstoorden het leven in het tot dan zo rustige dorp. De pomp bleef zelfs “s nachts gewoon in bedrijf. Vooral de bewoners van de Herenstraat klaagden steen en been. In en rondom de Vaart was het een geweldige blubbertroep. Het was er één grote rommelige smeerboel. Tussen de plakkaten klei en modder stonden machines en werktuigen schots en scheef in de anders zo deftige straat. Overal lagen materialen en gereedschappen, mannen in overalls en lieslaarzen bepaalden het dorpsbeeld. Op open plekken tussen de losstaande huizen waren keten (een soort ouderwetse woonwagens) voor de werklui neergezet. Daar aten ze hun boterhammen en dronken ze 'n bakkie. Op die momenten keerde de rust weer even terug.

Reacties lezers naar: joopalleblas@kpnmail.nl
Door:

 

De Wateringse Vaart in de vorige eeuw (deel 2)

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4, juni 2018
Door: Joop Alleblas

Met zijn oude huisjes en vele boogbruggetjes over de Vaart was Wateringen in de vorige eeuw een pittoresk dorpje. 's Zomers gleden tuinders-schuiten met kleurrijke groenten en fruit over het water naar de veiling. In de winter schaatsten de kinderen over het ijs naar school. in 1956 werd begonnen met het dempen van de Vaart en veranderde Wateringen in snel tempo. Oktober 1958 was het karwei geklaard.

Een eindeloze speelplaats

Betonnen kokers
Elke keer werd er een nieuw stuk van de Vaart afgepaald en leeggepompt. Er was altijd wel wat te beleven. De boogbruggetjes werden losgewrikt en met een grote kraan op de straat neergezet. Daar werden ze gedemonteerd en in grote stukken op vrachtwagens getakeld. Vanwege het toekomstig verzakkings gevaar voor de nieuwe weg moest alle bagger uit de sloot. Uren kon ik kijken naar de dragline die de modder met een grote ijzeren grijper ophaalde en die leegstortte in een klaarstaande vrachtauto. Als de Vaart tot de blauwe klei was uitgebaggerd werden er houten palen langer Clan Lien meter, dennenbomen zonder zijtakken, in geheid. Zij moesten het fundament dragen voor een later te maken betonnen koker, waardoor het water vanaf de Heulweg naar het Oosteinde onder de nieuwe weg door zou kunnen stromen. Voor de aansluitingen van de rioleríngen voor de huizen in de Herenstraat liep aan weerszijden van die grote koker een kleinere ovale koker. Daar kropen we als mollen tientallen meters doorheen naar een lichtpunt in de verte.

Speelplaats
De leeg gepompte Vaart was een eindeloze speelplaats. Vooral op zondag als de werklui er niet waren, konden we er uren ongestoord ons gang gaan. De betonnen koker was een uitstekende schuilplaats en daardoor ook onze bondgenoot in de strijd tegen de Edelwacht; een kerkdienst voor katholieke kinderen die nota bene om drie uur op zondagmiddag gehouden werd. Met onze zondagse kleren klauterden we naar beneden in de koker en rookten er sigarettenpeukjes. Thuis werd er op mij gefoeterd omdat mijn kleren vol zwarte vlekken zaten van de geteerde binnenkant van de koker.

Geweer
Op de leeggepompte stukken was van alles te vinden dat in de loop der eeuwen in het water terecht gekomen was. Oude fietsen, potten en pannen en afgedankte  gereedschappen. Op een droogstaand stuk vond ik op een dag een geweer. Een enorm geval met een grote ijzeren knobbel aan de zijkant. Van mijn vader had ik wel eens gehoord dat de Nederlandse soldaten in de oorlog hun geweren liever in het water gooiden dan ze aan de Duitsers te geven. Precies op het moment dat ik het ding mee naar huis wilde nemen, kwam Bart Beukers, opzichter van de gemeente, langs fietsen. “Geef dat geweer maar eens hier ventje,” zei hij “dan zal ik het meteen naar het politiebureau brengen, want dit is veel te gevaarlijk voor jou”. Ik stak het omhoog en hij pakte het voorzichtig aan. Het was verroest en zwaar. De volgende dag zagen we elkaar weer. Hij vertelde dat er nog drie kogels in hadden gezeten. “Er had wel iets verschrikkelijks kunnen gebeuren” zei hij met een bezorgd gezicht. Door zijn slagvaardig optreden was dat net op tijd voorkomen. Dat mocht dan wel zo zijn, maar ik was mooi mijn antieke geweer kwijt.


Dempen vaart Wateringen
Foto: Historische Werkgroep Oud Wateringen & Kwintsheul


Dempen vaart Wateringen
Foto: Historische Werkgroep Oud Wateringen & Kwintsheul

Paling
En er kwam veel vis tevoorschijn. Ik liep hele dagen in die troep te scholieren en elke keer ving ik paling en zeelt. Met grote laarzen aan trok ik door de leeggepompte, blubberige Sloot. Bij elke stap voelde ik de bagger zuigen. Aan de kanten was redelijk goed te lopen, maar een paar stapjes naar het midden en je zou tot je middel in de modder zakken. De vissen konden geen kant meer op. Ze zochten het diepste punt om nog een beetje te kunnen zwemmen. Met een schepnet probeerde ik de paling te verschalken. De roodkaken die ik hier nog niet zo lang geleden ving. waren ineens niet meer interessant. Paling wilde ik vangen. Paling, dikke paling, er zaten er genoeg en ik ving ze bij tientallen. Tot mijn kruis stond ik er voor in de modder, ik greep ze in hun glibberige vel. Ik ving ze voor thuis maar het was minstens zo belangrijk dat ik er mijn zakgeld mee aan kon vullen door de paling te verkopen aan Keetje Bom, die een sigarettenwinkeltje runde, of aan Piet Brabander, de kruidenier.

Reacties lezers naar: joopalleblas@kpnmail.nl
Door:

 

De Wateringse Vaart in de vorige eeuw (deel 4)
(Helaas hebben wij deel 3 nog niet ontvangen)

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4, Oktober 2018
Door: Joop Alleblas

Baggeren, stutten en ijzervlechten
Wateringen 1957 / 1958
Het dempen van de Vaart vorderde. Het ene na het andere stuk werd drooggelegd. Uitbaggeren, kanten stutten, heren, betonnen voet storten, ijzervlechten, kokers maken en opvullen met zand. Het karwei aan de Vaart heeft twee jaar geduurd. In de Herenstraat werd met groot materieel gewerkt. Het was er een bedrijvigheid van jewelste. Niet meer de kalme regelmaat van de tuindersschepen die tweemaal daags over de Vaart voeren en het ritme van het dorp bepaalden, maar nu was het 't nerveuze gebonk van het heien dat voelbaar en hoorbaar was tot in de schoolbanken. Regelmatig moest de meester de lessen even stilleggen omdat hij onverstaanbaar geworden was.

De hoge heimachine en hijskraan van A. Kraal waren niet meer weg te denken tussen de lage huizen. De ijzeren armen staken ver uit boven de rokende schoorstenen van de ketelhuizen van de tuinderijen. In de top van de dragline draaide een wiel met dikke spaken. Dagen achtereen werd er gebaggerd, lk bleef kijken tot ik de bel op liet schoolplein hoorde klingelen. Op het laatste ogenblik sprintte ik pas weg. In de middagpauze bewonderde ik weer de imposante machines. Een eindeloze rij vrachtauto's reed ronkend, rokend en schokkend de bagger weg. De olie- en benzineluchten zaten
”s avonds nog in mijn kleren. Een groot Verschil met de tomaten lucht van mijn vaders kleren.

Einde levensader
De Vaart was altijd een open riool geweest maar door de verbinding met het buitenwater had hij nooit hinderlijk gestonken. De stroming voerde het afval mee naar dieper en donkerder water. Nu stond het water stil, het had een vreemde kleur. De levensader van Wateringen had definitief zijn functie verloren. Al bij het afschotten van het eerste stuk kon er geen schuit meer doorheen en was er tot honderden meters verder geen beweging meer in het water. Het prachtige stelsel van sloten en waterwegen rond Wateringen werd daardoor in één klap nutteloos. Aan de zuidkant van het dorp waar de Vaart vroeger doorliep naar de Heulweg en de Hollewatering, was nu een zware betonnen schoeiing te zien. De bovenrand van de grote koker stak net boven water uit. Vanaf daar werd de Vaart dwars door het dorp langzaam maar zeker gedempt. Steeds werd er een stuk uit het vertrouwde leven geknipt. Aan de noordkant van Wateringen was vervoer per schuit nog mogelijk. Dat was alleen van belang voor een handvol tuinders in het Oosteinde en aan de Strijpkade die op Sammersbrug veilde een kleine veiling vlak tegen Den Haag.

Verzakkingen
Ik besefte nog niet half dat dit de keerzijde was van de sensatie die ik aan het dempen beleefde. In plaats daarvan genoot ik van die drukte rond de Vaart. Met ontzag keek ik naar de enorme ladingen boomstammen die met vrachtauto’s werden aangevoerd. Het was een machtig gezicht hoe de zware wagens door de smalle Herenstraat naast de leeggepompte Vaart manoeuvreerden. Dat ging niet altijd goed. Een zware vrachtwagen zakte steeds dieper weg in de zachte ondergrond in de richting van de Vaart. De schoeiing dreigde het daardoor te begeven. Met groot materieel moest de wagen uit zijn netelige situatie worden bevrijd. Er werden in het vervolg dikke boomstammen tussen de twee kademuren aangebracht om het gevaar te keren.

Stutten van de schoeiing
Een kraan takelde de boomstammen een voor één naar hun plaats. Ze werden door werklui met de hand op maat gezaagd. Kerels met spierballen zo groot als meloenen en nekken die in omtrek niet veel onderdeden voor die van de heipalen, banjerden met hun hoge laarzen door de modder. Tussen hen in lag de precies op maat te zagen boomstam. Met een zware boomzaag met houten handvatten zaagden ze er een stuk vanaf. De damp steeg op van hun glimmende ruggen. Dan werd de stam tussen de beide schoeiingkanalen ingeklemd om instortingsgevaar tegen te gaan. Als de boomstam op zijn plaats zat werd er aan weerszijden met een enorme hamer nog een houten wig tussen de stam en de kade geslagen.

Om de vijf meter zat zo'n boomstam. Het hele stelsel van boomstammen hield de twee kades in bedwang en moest de veiligheid van het verkeer in de Herenstraat en van de werkers in de drooggelegde Vaart' garanderen. De schoeiing aan de wegkant, waar de zware auto’s reden, had de steun het hardste nodig. Boven de zware olielucht van de heimachine en de vrachtwagens, rook ik de pittige lucht van het pas gezaagde verse hout. Het leek wel of de boomstammen rechtstreeks uit het bos hier naar toe gebracht waren. Een schrale troost in een zich steeds duidelijker aftekenend definitief scenario.

Reacties lezers naar: joopalleblas@kpnmail.nl
Door:

De Wateringse Vaart in de vorige eeuw (deel 5)

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4, november 2018
Door: Joop Alleblas

Boegsprietlopers en stratenmakers

Boegspriet lopen
Elke keer als er een stuk was droog gepompt, werden tussen de beide kades van de Vaart dikke boomstammen geklemd om instortingsgevaar te voorkomen. Op de boomstammen werden gevaarlijke spelletjes gespeeld. Je kon van de ene naar de andere kant lopen. Boegsprietlopen noemden we het. De grootste waaghalzen waren hier in hun element. Ze balanceerden als circusartiesten over de boomstammen naar de overkant, hun armen wijd en hun blik strak op het einde van de paal. En publiek was er altijd. Ze waren zich bewust van hun stunt. Sijssie Noordermeer liep achteruit voetje voor voetje boven de gapende diepte. Eenmaal veilig aan de overkant klapte iedereen opgelucht ín de handen.

Naar gelang het werk vorderde werden we roekelozer. Sommige jongens renden over de palen naar de overkant en weer anderen durfden het met hun handen in hun zakken. Hoewel ik lenig en snel was, hield ik mij wat op de achtergrond. Ik durfde wel maar zag de lol er niet van in. Vlugger en veiliger liep ik over de boogbruggen die nog steeds boven al die stammen hun roestige ruggen kromden. De weinige keren dat ik over een boomstam liep, koos ik er zorgvuldig een zonder verraderlijke uitsteeksels van afgezaagde takken. Ik lette goed op obstakels onder de palen. Boomstammen waaronder zware gereedschappen en buizen lagen, vermeed ik nauwkeurig.

Ongelukkige val
De koppen van de heipalen die nog een halve meter boven de klei uitstaken waren het gevaarlijkst, Ik heb er iemand op te pletter zien vallen. Een jongen uit de hoogste klas was er precies met zijn rug op terecht gekomen. Daar lag hij, opgevouwen, knieën opgetrokken en met een van pijn vertrokken en vuil gezicht. Een verkreukeld hoopje mens. Zijn grimassen deden me verstijven. Hij probeerde te huilen maar kwam niet verder dan het slaken van angstige kreten. Zijn kleren zaten onder het bloed. Het gebeurde vlak voor het huis van dokter Janssen. De dokter daalde in zijn witte jas vanuit zijn voordeur af de blubberige diepte in naar de gewonde. Door de werklui werd de jongen op een brancard gelegd en naar boven gedragen. Er kwam bloed uit zijn neus en uit zijn mond. Ik nam mij voor nooit meer op zo'n boomstam te balanceren, maar veilig over de noodbrug naar school te gaan.

Stratenmakers
Het werk aan de Vaart ging door. De ruimte boven en naast de kokers werd volgestort met zand. Daarna kwamen de stratenmakers. Stoere mannen met stukken autoband om hun knieën. Bergen nieuwe schone straatklinkers werden door sjofels op het uitgevlakte zand gestort. Het getik van gereedschap op de harde stenen, bepaalde nu het ritme van de vooruitgang in het dorp. Zij rolden hun stenen tapijt langzaam uit. De nieuwe weg werd breed. Hij liep deels over de oude sloot en deels over de oude Herenstraat. Aan twee kanten kwam een brede stoep. Bij het heldere lichtschijnsel van de nieuwe lantaarnpalen zag het er allemaal strak en rustig uit. Het dorp veranderde, alles was ineens zo nieuw en groot. Ik probeerde mij de schutten met groente voor de geest te halen die vroeger bij tientallen als een gekleurd lint door het dorp gleden. Ik dacht terug aan de keren dat ik tussen de bloemkool en de komkommers mee liftte naar school en zag de bruggetjes weer waar we onderdoor gingen en waarvoor ik dieper dan nodig bukte. Behendig sprong ik bij de poort van de speelplaats van mijn school weer van de schuit en zag ik de schipper verder bomen.

De laatste loodjes
Aan de andere kant van de Herenstraat ter hoogte van de Kwaklaan werd er weer een stuk leeggepompt en uitgebaggerd. Ik kende ondertussen alle opeenvolgende werkzaamheden. Op de heipalen werd de betonnen voet gestort. Weken achtereen zag ik betonvlechters met kromme ruggen en rode hoofden bezig met de bewapening van de koker. Het verbaasde me elke keer weer dat ze zolang gebukt konden blijven staan. Op het gedroogde beton werd aan de buitenkant van de koker een laag teer gesmeerd. Dan kwamen de zandwagens weer, kiepwagens zeiden de kleine kinderen. Ze reden dagen achtereen met hun zware vracht door de dorpsstraat. De kleintjes speelden in het zand: één grote zandbak. Ik was de tijd van de zandtaartjes ontgroeid.

Het allerlaatste stuk werd in de zomer van 1958 gedempt. De nieuwe weg zou in het Oosteinde precies tot het oude huis van opa en tante Jeanne tegenover de Uilenlaan lopen. Twintig jaar later zou het resterend deel van de Vaart in het Oosteinde tot aan de Rijnerwatering gedempt worden. Dat betekende niet alleen het definitieve einde van het aanzien van mijn mooie dorp maar was tegelijkertijd het begin van een verder toenemende verkeersdrukte en geluidsoverlast.

Reacties lezers naar: joopalleblas@kpnmail.nl
Door:

De Wateringse Vaart in de vorige eeuw (deel 6)

Uit: WestlandToen
Editie: jaargang 4, december 2018
Door: Joop Alleblas

De opening van de nieuwe weg

De burgemeester
Oktober 1958. Ik was bepaald niet in feeststemming toen de nieuwe weg werd geopend.  Mijn nieuwsgierigheid was echter te groot om thuis te blijven. Er speelde een fanfare en er waren majorettes. Een groep notabelen klapt: beschaafd toen burgemeester Meissen zijn toespraak beëindigd had. Voor hem was het een extra feestdag omdat hij nu precies twaalf-en-half jaar het ambt van burgemeester bekleedde. De felicitaties waren niet van de lucht. Iedereen was chique gekleed. De heren in het zwart, de dames met grote hoeden op. Op het Plein bij de Hervormde kerk werd een lint doorgeknipt door de burgemeester. De hele stoet schreed langzaam over de nieuwe brede bestrating naar de andere kant van het dorp. De burgemeester samen met zijn vrouw en de leden van de gemeenteraad voorop. Direct daarachter de pastoor en de notaris.

Nog nooit had ik zoveel deftige mensen bij elkaar gezien. Ze keken naar links en naar rechts en zwaaiden naar de dorpelingen op de stoep. Wat ze tegen elkaar zeiden was voor mij  onverstaanbaar. Blijkbaar was het amusant want ze lachten voortdurend. Voor de nieuwe weg onder hun voeten hadden ze weinig oog. Ik liep aan de kant mee met het voorste groepje hoogwaardigheidsbekleders. Een agent die vond dat ik te dichtbij kwam, probeerde mij weg te sturen. Snel liep ik achter de mensen langs om een stukje  verderop weer vlakbij de burgemeester op de weg te springen. Op de maat van de muziek stapte ik met de notabelen mee. Net voorbij de Katholieke kerk keerde de stoet en liep in een iets hoger tempo terug naar het gemeentehuis voor een feestelijke receptie.

Drukte
Langzaam drong het tot mij door dat mijn dorp veranderd was. In een paar jaar tijd was het pittoreske slingerdorp, met de sierlijke bruggen en. achttiende eeuwse huizen dicht tegen het water van de Vaart, veranderd in een brede weg waarover auto's raasden. Er gebeurden ongelukken. Op school werden klaar-overs opgeleid. Ze moesten andere kinderen veilig naar de overkant van de nieuwe weg loodsen. Met een fluitje en een stopbordje hielden ze de auto's tegen. Ik vond het vreemd en verwonderde mij erover dat de auto's inderdaad stopten. De meester op school zei dat het allemaal bij de moderne tijd hoorde. Maar deze moderne tijd met zijn gevaarlijke auto's die over de oude sloot in de Herenstraat denderden, kon mij niet bekoren. Wateringen was zijn traag stromende water kwijt en had er een lang uitgerold stenen vloerkleed voor teruggekregen. Het gezellig geklets met mijn vrienden 's morgens naar school langs de sloorkant werd verstoord door voortrazende auto's.

Heimwee
Grote sensatie toen de politie in de Herenstraat voor het eerst een snelheidscontrole hield. Twee reflecterende spiegels werden honderd meter van elkaar tegen de stoeprand geplaatst. Een agent drukte op een stopwatch als een auto de eerste spiegel passeerde en herhaalde dat bij de tweede. Vliegensvlug las hij van een tabel de snelheid af. Als die te hoog was, stak hij zijn arm omhoog. Een andere agent die een stuk verder stond, blies dan' op een schelle fluit om de voortrazende auto of motor te laten stoppen.

Het waren allemaal nieuwigheden die me bezighielden, maar toch ging ik de Vaart meer en meer missen. 'n Soort heimweegevoel deed me terugverlangen naar het water dat zo belangrijk geweest was voor het leven in mijn dorp. Ik dacht weer aan de jaren dat ik er gevist en gespeeld had. Aan de keren dat ik mee voer op de platte tuinders schuiten en hoe ik roodkaken en -salamanders ving. Ik miste het hoge gras en het riet voor de lage huizen voor de kerk. En de hoge bruggen waarop ik met mijn kruisnet zo vaak gestaan had. Het was allemaal verdwenen. Er zouden nooit meer Westlandse tuinderschuiten door de Vaart naar de veiling varen. Ik zou nooit meer tussen de groenten en ”t fruit meeliften naar school. Elke morgen moest ik bij het oversteken in de Herenstraat wachten op het teken van de klaar-overs. Alles was veranderd. Het was ”n trieste eind balans mijn dorp was mijn dorp niet meer. De Vaart was er voor goed uit verdwenen.

Reacties lezers naar: joopalleblas@kpnmail.nl
Door: