Hieronder een subpagina

| Augustinus |

 

Veel van onze verhalen komen uit:

Hieronder een aantal snelzoekers voor deze pagina:

  Welkom in De Lier.

 De zeven gaten in De Lier  Hard gaat ie’ blijft ook na 114 jaar hard gaan. 

 125 jaar Nieuwe Tuinen.  Restauratie stuk zekerder. 

 
Lierse timmerwerkplaats anno 1642.  Tonnen subsidie als rijksmonument. 

 
De korenmolen die werd opgeblazen.  ‘Al meer dan duizend omgelegd’

De Lier had Leedam kunnen heten.  Een diesel gemaal als monument.


 

 

Korte informatie:


De Lier anno 1793

 


Het wapen van De Lier

 
De Lierse Dom.

De zelfstandige gemeente De Lier is inmiddels opgeheven en valt nu onder de gemeente Westland.

De Dom
Bepalend voor de aanblik van De Lier is de Dom. De toren staat bijzonder scheef en toont duidelijk drie geledingen. Bij de restauratie van 1954 kreeg de toren een fundering van veertig betonnen pulspalen om verdere verzakking tegen te gaan.
De Lier is ontstaan als dijkdorp langs de Lee. 
Vroeger heette dit water Liora of Lier, wat zoals veel waternamen, "de heldere" betekent. 

De ontwikkeling van de tuinbouw
De tuinbouw heeft De Lier welvaart gebracht. In de achttiende eeuw leefde men nog voor een groot deel van de vlasteelt. Deze teelt veroorzaakte vlaskoorts. Jenever, die men in trekpotten vervoerde, beschouwde men als een probaat middel tegen deze koorts. Zo moet de bijnaam van de Lierenaar, de Theebukker, zijn ontstaan.
Van grote betekenis voor de ontwikkeling van de tuinbouw zijn veilingen. In café "De Gouden Leeuw" ontstond de Lierse veiling. Daar stalden op woensdag- en zaterdagavond de tuinders hun producten op het biljart uit. Niet lang daarna verrezen in Westerlee een aantal loodsen. Het veilingcomplex beslaat nu ruim 30 hectare. Door een fusie met zes andere groenteveilingen is de leiding nu in handen van "The Greenery". Veiling De Lier blijft één van de grootste vestigingen van ons land. De voornaamste producten zijn sla, komkommers en tomaten.
De aanwezigheid van de veiling drukt een belangrijk stempel op de gemeente door de aantrekkingskracht op handels- en industriële bedrijven.
Twee belangrijke verkeersstromen belasten het wegenstelsel: het vaak langzame tuinders verkeer en het zware nationale en internationale transport dat de producten afvoert.


Altijd bedenken de Lierse Middenstanders iets nieuws, zoals deze Lierse Domkes.

De Lier nu

Het bedrijfsleven
Het bedrijfsleven bestaat voor een groot deel uit op de tuinbouw gerichte bedrijven. Een belangrijke plaats nemen daarbij in de banken en de zaadselectiebedrijven. Daarnaast zijn er veel tuinbouwafhankelijke bedrijven gevestigd, bijvoorbeeld bedrijven voor kassenbouw, kasverwarming, beregeningsinstallaties, fabricage van aluminiumprofielen, verpakkingsmaterialen, transport, tuinbouwgereedschap en koelwagenfabricage.
De Lierse middenstand is zeer actief en biedt een ruime sortering aan producten.

Bevolkingsopbouw en woningbouw
Door al deze activiteiten groeide de Lierse bevolking snel, nu tot boven de 11.400 inwoners. Bovendien vestigden zich in de loop van de zestiger jaren veel mensen die hun werk hadden in Den Haag en Delft. De meesten voelen zich nog steeds goed thuis en hebben hun weg gevonden in het bloeiende verenigingsleven.
Nu bouwt De Lier voornamelijk voor de eigen bevolking, die jonger is dan het landelijk gemiddelde. Voor de komende tien jaren staat de bouw van een kleine vierhonderd woningen gepland. De uitbreiding van het aantal woningen gaat -net als in het verleden- ten koste van dure tuinbouwgrond.Voor het hoge aantal jeugdigen is veel opvang nodig. 

De vijf basisscholen tellen in totaal ongeveer 1280 leerlingen. Bovendien is er een peuterspeelzaal en een kinderdagverblijf. Daarnaast heeft De Lier een dependance van een scholengemeenschap en een dependance van een scholengemeenschap gericht op de tuinbouw.

Sportgelegenheid
Voor al deze leerlingen zijn twee gymnastieklokalen en een sporthal aanwezig, waarvan ook vele verenigingen dankbaar gebruik maken. Er is veel geld geïnvesteerd in het sportcomplex. Een nieuwe zwem- en sportaccommodatie is in aanbouw. Dit gebouw gaat onderdak bieden aan diverse verenigingen voor zwem- en binnensport. Twee kunstgrasvelden voor korfbal worden achter het nieuwe sportcomplex aangelegd.
Na de afronding van de bouwactiviteiten beschikt het sportpark "De Zweth" over vijf voetbalvelden, tien tennisbanen, twee handbalvelden, twee korfbalvelden en één jeu de boulesbaan. Elders in de gemeente wordt gewerkt aan een nieuwe ijsbaan. Tegenover het sportcomplex ligt een bowlingcentrum met zestien banen.

Kerkelijk en cultureel leven
De vier kerkgenootschappen beschikken over vijf kerk- en drie verenigingsgebouwen. Drie muziekverenigingen, zes koren, twee kinderkoren, twee toneelverenigingen, een bibliotheek en een creatief en cultureel centrum bieden ruimschoots gelegenheid voor culturele activiteiten.

Vluchtelingen
Binnen de Lierse gemeente is een aantal vluchtelingengezinnen gevestigd. Bovendien biedt de gemeente plaats aan zo'n 300 asielzoekers in een asielzoekerscentrum. Dit centrum draait erg goed en is een voorbeeld voor vele andere gemeenten in ons land. Veel vrijwilligers zijn actief binnen het vluchtelingenwerk en het asielzoekerscentrum.

Recreatie
De grensgebieden van De Lier zijn erg landelijk gelegen met veel groen en ruimte. Het kanaal tussen de Lee en het Zwethkanaal, de Verlengde Strijp, biedt voor vissers, fietsers en watersporters veel mogelijkheden.
Ook het nieuw aangelegde recreatiegebied "Het Kraaiennest" is voor fietsers, wandelaars, zwemmers en watersporters een aantrekkelijk gebied.

Politiek
De Lierse gemeenteraad vergadert eens per maand. De raadszaal doet ook dienst als trouwzaal en expositieruimte.


Zo maar een stukje vergane glorie in De Lier, tussen het Kanaal en de Veiling. Foto: Leendert W. Koppenol
Zo maar een stukje vergane glorie in De Lier, tussen het Kanaal en de Veiling.
foto Leendert W. Koppenol.

 


De boerdeij Zwthburch werd in 1831 gebouwd en doet thans dienst als feestlocatie.
Foto: Ambivent

In de rubriek 'De Westlander en zijn moNUment' staan karakteristieke en herkenbare bouwwerken in Westland centraal. Zowel het verleden als het heden worden in deze artikelen belicht; vandaar 'moNUment'. Van Midden Delfland naar Westland, maar nog geen moNUment!

Dit artikel komt uit:

Door: Piet van der Valk
Uit: Het Hele Westland 3 oktober 2018

Tijdens de laatste Open Monumentendag van 8 september maakte een aantal belangstellenden, onder leiding van Jeannette van Zeijl en Margreet Hogeweg, een vaart met een voormalige tuindersschuit. Het werd een bijzondere kennismaking met de geschiedenis van de Zeven Gaten en omgeving in De Lier. De toer ging van het pompgemaal aan de Zweth te Kwintsheul naar de Zeven Gaten in de Lier. Het verhaal van Jeannette en Margreet kwam naar aanleiding van hun natuurstudie, aangevuld met hetgeen Jacques Moerman al eerder over dit onderwerp had gepubliceerd. Het was verrassend, de Zeven Gaten werden door mensenhanden gegraven, als natuurlandschap. De grond die uit de Zeven Gaten kwam, werd waarschijnlijk gebruikt om het terrein op te hogen en/of de bedijking te versterken. Aanvankelijk dacht met dat hier veen voor de turfproductie gewonnen was, maar dat klopt niet; de bodem bestaat voornamelijk uit afgezette klei. De bewoners hebben het water van De Zeven Gaten slechts gebruikt voor spelenvaren en visvangst. In 2014 werd naast de Zeven Gaten, een achtste gat gegraven, een vispaaiplaats voor snoeken, door het Hoogheemraadschap van Delfland aangelegd. Het grondgebied behoorde voor de eenwording van de gemeente Westland toe aan de gemeente Schipluiden. De keuze van de nieuwe gemeente Midden Delfland, 'gras voor glas', had hier mogelijk voor gezorgd dat deze overgang werd beklonken. En zo heeft de Lier, naast de drie Rijksmonumentale boerderijen, er nog een prachtig gebied met historische boerderij bij. Het gebied rond de Zeven Gaten is weliswaar beschermd doordat het in bezit is van het Zuid-Hollands Landschap. Maar doen we als Westlanders wel voldoende om de bescherming van dit Historisch Erfgoed, dus van de gebouwen te kunnen waarborgen?

Het ontstaan
In de tweede helft van de twaalfde eeuw werd hier ter bescherming van de Groeneveldse polder en 't Woudt tegen het zeewater, de Noordlierdijk aangelegd. Hierdoor kon de polder ontgonnen worden en werd het veiliger en beter bewoonbaar. Voor een goede afwatering werd toen het rechte stuk van de Zweth gegraven. Dat is het stuk van de Zeven Gaten naar Sion. Het afzetten van nieuw slib was daardoor niet meer mogelijk en het gebied is om die reden moerassig gebleven. In 1561 was het St. Agathaklooster uit Delft eigenaar van een groot deel van dit buitenland. In die tijd lagen er al vier van de zeven vrij brede sloten. Gegraven en uit een koopacte van 1565 blijkt dat het gebied in die tijd was begroeid met rijshout. Claes Elyaszoon bewoonde de boerderij, de locatie van het latere Hofzicht. Deze naam gaf aan dat men zicht had op het huis van Frederik Hendrik te Honsholredijk. Een zeer uitgebreid stuk over Hofzicht werd opgenomen in het jaarboek 2010 van het Genootschap Oud-Westland. Het stuk werd geschreven door de bekende historicus, tevens voorzitter van de Historische Vereniging Oud-Schipluiden en winnaar van de Oud-Westlandprijs 2015, Jacques Moerman. Daarin leest men hoe deze belangrijke locatie, van de eerder genoemde Claes Elyaszoon naar de familie van Overschie overging. Deze Belgische familie, die ook bierbrouwerijen in Delft bezat, bleef ruim 250 jaar in het gebied van de Groeneveldse polder aanwezig.

De Groeneveldse polder
De Groeneveldse polder kende meer bijzondere plekken en gebouwen. Een kort overzicht van deze gebouwen begint met de Groeneveldse molen en wie kent deze niet? Schaatsend over de Groeneveldsche of Monsterwatering naar de Zijdes en vervolgens richting Vlaardingen was traditie vanuit Westland. Nabij de molen lag altijd een zwakke plek en dat was oppassen. Veelal een groot wak dat ten gevolge van het toch nog weinige water dat in de winter uit de polder werd gemalen en bezet door de veel watervogels, voorzichtigheid eiste om erlangs te komen. Dan stond er iets ten westen van deze molen een voormalig kasteeltje en waarschijnlijk gebouwd op het oude fundament, stond daar de latere hofstede of boerderij Groenveld. Op 17 april 1979 brandde deze historische boerderij helaas af. Bij de sloop die daarop volgde, trof men in de fundering nog kloostermoppen uit de dertiende eeuw aan. In het Westlands Streekmuseum bevindt zich nog een kozijnkalf afkomstig uit de boerderij Groeneveld. In het verleden was deze hofstad of heerlijkheid Groeneveld ook in handen van Johan van Oldenbarneveld geweest. En daarna ook van zijn zoon Reinier, die noemde zich 'heer van Groeneveld' hij was o.a. hoogheemraad van Delfland. Maar door een plan, de dood van zijn vader Johan te wreken, smeedde hij een complot om Prins Maurits te vermoorden. Dit heeft hij toen, net als zijn vader, met een onthoofding voor de Ridderzaal in Den Haag in 1623 moeten bekopen. Tot slot 'de Lage Woning', dit was een boerderij langs de Zweth, deze was laag vanwege het windrecht van de Oude Broeks Molen. De woning werd in 1937 gesloopt en vervangen. Waarschijnlijk heeft de weduwe van Reinier van Oldenbarneveld, Anna Weytsen met de familie Van Overschie ervoor gezorgd dat er een schuilkerk in deze boerderij kon ontstaan. Deze plek lag daar in alle rust, ver van bestuurders als schout en schepenen, zodat men er de toen verboden godsdienst kon blijven uitoefenen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw heeft pastoor Verburch, predikant van veel dorpen in het Westland er toen ook een groot aantal maal gepreekt. Hij voer er per schuit naar toe en maakte aantekeningen 'op Swet'. Ook de meeste gelovigen kwamen per schuit naar de schuilkerk.

Hofzicht en Zwethburuch
Uit een kaartboek in het Nationaal Archief te Brussel blijkt de familie Overschie in 1593 eigenaar was van de woning en het land ten westen van Jan Arent Touwenzoon. Jan was bouman (boer) van beroep had een groot bedrijf ca 30 ha. En was getrouwd met dochter Neeltje van Willem Corszoon van Vliet 1505-1567. Hij was de man de Vlietwoning lang bewoonde, zijn zoon Jan had deze oude boerderij inmiddels overgenomen en zelf woonde Willem naast het latere Oude Raadhuis op de hoek van het Wilhelminaplein te Naaldwijk. Hij schonk als buurman de grond onder 'gemeen raet- of dinghuys' aan de Naaldwijkse burgers. Een belangrijke Naaldwijkse familie dus. Het is ook de tijd dat enkele Delftse bierbrouwersfamilies hun geld in onroerend goed in de polder omzette. De stad stonk in de zomer, in en uit de grachten werd niet alleen het wasgoed gedaan en gedronken, maar de gracht was ook gewoon het riool. De rijke mensen ontvluchtte in de zomer de stad om naar hun buiten te gaan. Het eigendom van de het gebied om de Zeven Gaten ging van de familie van Overschie vervolgens naar de familie Vlaerdingerwout en in 1748 trouwt Charlotte Alida Vlaerdingerwout met de Haagse luitenant-generaal Jakob van Kretschmar en komt het bezit in zijn handen. Het stel had een dochter Louise Adriana Geertruida die mr. Jan Slicher huwde. Maar enkele weken voor hun huwelijk werd Jan op weg naar zijn woonplaats Monster door twee onbekenden van zijn paard getrokken en mishandeld. De twee dreigden hem te zullen vermoorden wanneer hij niet van zijn huwelijk met Louise afzag. Op de site van de WOS is een uitgebreider verslag van deze aanranding sinds 2 mei 2017 te lezen. De namen Hofzigt en Zwethburch werden ten opzichte van de kaart van Kruikius uit 1712 later verwisseld. Waar het vroegere Zwethburch werd in 2013 een nieuwe woning gebouwd. Er werd een uitgebreid archeologisch onderzoek uitgevoerd dat de ouderdom van deze plek meer dan bevestigde. De huidige boerderij Zwethburch werd in 1831 gebouwd en staat op de locatie waar vroeger huize Hofzigt stond. Een mogelijke reden voor gemeente Westland het oude deel van dit pand alsnog met een gemeentelijk monumentale status te beschermen.

Bijlage:

Samenvatting van het archeologisch onderzoek dat werd verricht op de plaats waar Hofzicht in het verleden stond.

In juni en juli 2012 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op het perceel Noordlierweg 69 in De Lier. In het plangebied wordt een nieuwe woning gebouwd op een historisch erf. Het erf staat geregistreerd als archeologisch monument. Op het perceel werden de resten verwacht van de 18e eeuwse buitenplaats Hofzicht en mogelijke middeleeuwse voorgangers. Het onderzoek heeft sporen en vondsten opgeleverd uit de periode van de 12e tot en met de 18e eeuw. Alle sporen zijn in verband te brengen met de geschiedenis van het boerderijcomplex. Op grond van de oudste gevonden aardewerkscherven moet de eerste boerderij op het erf rond het midden van de 12e eeuw zijn gebouwd. Uit deze periode zijn enkele kuilen gevonden. In de 13e en het begin van de 14e eeuw stond op het erf een houten noordwest-zuidoost georiënteerde boerderij binnen erfgreppels. Het gebouw had een breedte van maximaal 8 meter. In de loop van de 14e eeuw werd de houten de boerderij voorzien van een korte bakstenen muur. De functie van de muur is echter onduidelijk. In de 15e eeuw werd tegen deze muur, dwars op het gebouw, een 3 m lange brandmuur met schouwwangen gezet. De buitenzijde van de brandmuur werd vervolgens gebruikt voor de aanleg van een kelder. De kelder was 4,20 m breed en tenminste 4,70 m lang. De ingang bevond zich aan de zuidwestkant. Bij een eerste verbouwing van de kelder werd de ingang verplaats naar de zuidoostkant en door de oude brandmuur heen gebroken. Rond het midden van de 17e eeuw werd de boerderij omgebouwd tot buitenhuis. Het complex werd voorzien van een nieuw breed voorhuis en de noordoostelijke keldermuur werd vervangen. De kelder bleef, blijkens een muntvondst, in ieder geval tot 1794 in gebruik. In de 19e eeuw werd het buitenhuis in delen afgebroken om ruimte te maken voor een tuindersbedrijf rondom de huidige boerderij Hofzicht. Het archeologisch monument Hofzicht is op basis van de onderzoeksgegevens opnieuw beoordeeld. Op basis van de zichtbaarheid van het historische erf in het landschap, de gaafheid van de sporen en de bewoningscontinuïteit in de afgelopen 800 jaar wordt Hofzicht beoordeeld als een vindplaats van hoge archeologische waarde. De status op de Archeologische monumentenkaart (AMK) kan worden gehandhaafd.

Onderstaande foto’s komen uit:


Boerderij Zwethburch kaart: zeven gaten kaart kruikius_1712

 

 

Welkom in De Lier,
en wat doe je dan, je kijk naar boven, en je blijf maar staren.

Uit: Westland Toen jaargang 3, editie oktober
Door: Clemens Soszna
Bron: Nostalgia Westland / Foto’s Proshootandmore

“De oude scheve toren Van het líefelijk dorpje De Lier boog zich wat naar voren En zei.. is 't niet rustig hier” Ook weer zo'n pareltje, de inwoners van de Lier mogen best wel een beetje trots zijn op hun 'scheve toren. Heel bepalend voor de aanblik van De Lier is de Dom. De toren staat bijzonder scheef en toont duidelijk drie geledingen. Bij de restauratie van 1954 kreeg de toren een fundering van veertig betonnen pulspalen om verdere verzakking tegen te gaan. De Dom, 15e eeuws, protestants hervormde kerk, tevens een Rijksmonument. Laat gotische kerk, bestaande uit een driebeukig, pseudobasilicaal schip op zuilen met natuurstenen banden en eenvoudige kapitelen en een lager, driezijdig gesloten koor.

Wat moet het uitzicht prachtig zijn geweest vanaf de scheve toren. De Lierse Dom wordt niet voor niets vergeleken met de beroemde toren uit Pisa. Schitterende vergezichten, fraaie tuinen met prachtige kastelen hebben hier vroeger gestaan. De Lier die zijn naam ontleent aan het vroegere riviertje 'Liora of ook wel 'de Lee. Het dorpje moet zo rond de zestiende eeuw zijn ontstaan, en drie eeuwen daarvoor, in 1245, was 'de scheve toren al gebouwd. Wat moet het heerlijk rustig en stil geweest zijn in dit kleine knusse kerkdorpje. Landelijke vergezichten, met hier en daar wat schilderachtige slootjes met kleine kromme bruggetjes. De kerk was vroeger aan St.-Georgius toegewijd, (de ridder St. Ioris)

De lierse dom
Na een hevige onweersbui. Sloeg in 1572 het noodlot toe, bliksem flitsen, donderend geraas en met een hoop gekraak werd op wrede wijze de Lierse Dom tot in zijn ziel geraakt. Grote delen van de toren zakte in elkaar. Helaas, de kerk brandde bijna in zijn geheel af. Het duurde lang voordat de kerk gerestaureerd en opnieuw opgebouwd kon worden, dit door gebrek aan financiële middelen. De Lierse Dom is ongeveer wel tien meter verzakt. Rondom De Lier stonden vroeger fraaie kastelen en buitenplaatsen, waaronder kasteel (Boekestijn (Maasland) maar ook het huis 'Oosterlee, het toen schitterende slot Groenevelt, het fraaie 'buiten Hofzicht langs het Idyllische watertje van de Zweth en de daarbij behorende Zwetburch.

Buurtschap Westerlee, en zijn vlastelers.
Westerlee, zeg het je nog wat? Een oud buurtschap van de Lier. Niet alleen de fraaie Korenmolen bouwjaar 1788 (opgeblazen in de oorlog van '44) is verdwenen maar wat is er eigenlijk verder nog over en, bewaard gebleven van dit stukje uniek buurtschap. Maar ik zal je vertellen er stonden zelfs zeven Korenmolens. De Lier is, samen met de buurtschap Westerlee, vanouds een dorp van landbouwers. Doordat het landbouwgebied te drassig werd voor het verbouwen van graan gingen de boeren over op vlasteelt. Tot ver in de 19e eeuw werd er in De Lier vlas verbouwd. Toen het verbouwen van vlas nog handwerk was, werd er aardig geld verdiend. Diep in het voorjaar waren jonge mannen bezig met het inzaaien van het vlaszaad, handig griste ze het zaad uit voorgehangen zaadschorten, een zwoele voorjaars lucht hing over de velden van het pittoreske dorpje de Lier. Op het achtererf moest de boerin hartelijk lachen, terwijl ze bezig was met het schillen van de aardappelen. Leunend tegen de bejaarde oude boom schudde ze wijselijk haar hoofd, ach die jongens toch, je kan wel zien dat het voorjaar is.

Vlastelers
Er hing een zware, grijze lucht over het dorpje de Lier, het deed zelfs een beetje treurig aan. Een dikke lodderige koe keek de vlastelers glazig aan, en sneufde nog maar eens door zijn neusgaten. Onverwachte wolkenregen zweepte over het vlakke polderlandschap. Mannen `kom we mottúh maares aan de slag', het koude natte weer had geen mededogen met de vlas arbeiders. Toch was het al half juli, de beste tijd om vlas te oogsten. De plant stond er mooi bij, de hoogte is van groot belang (100-120) en dit is de beste lengte voor de teelt. Vezelvlas, o.a. voor linnen wordt al meer dan 5000 jaar geteeld. Mannen duwde hun zware knuisten nog maar eens wat dieper in de broekzakken. In de verte kakelden hoeders en taterde de hanen, er was eindelijk weer wat leven op het drassige polderlandschap. In de oude tijd werd het vlas echter niet op het veld gedauwroot. Het ongerepelde vlas werd opgeslagen in grote vlasschuren. Daar werd het gerepeld, bij het repelen wordt de zaadbol van de stengel geschud, Voor het verwijderen van de bast moet het vlas daarna geroot worden. De vlastelers sleepte het vezel richting het riviertje de “Lee. Rondom de vlasschuren stonden grote houten bakken waar het vlas verder werd gespoeld. En uren lang ondergedompeld, bij dit proces kwamen heel vaak giftige dampen vrij. Vlaswerkers hadden nogal eens te kampen met vlaskoorts, veroorzaakt door de boterzuurbacterie die bij het roten vrijkwam. Het vlas werd later opgeslagen in grote vlasschuren. Vezelvlas was een belangrijke grondstof voor textiel en touw, van olievlas maakt men o.a. lijnzaadolie. Toen dronk men jenever uit `trekpotten tegen onder andere de vlaskoorts, een beetje weggezakt tussen het Vlas dronken de mannen samen uit het glas totdat het leeg was. Proostend op de trotse oude heer van de Dom uit De Lier, zakte ze langzaam weg in een welverdiende diepe slaap.

Door:

 

 

‘Hard gaat ie’ blijft ook na 114 jaar hard gaan.

Door: Martinus Duiventoren
Uit: Het Hele Westland 27 december2007

De eerste jaren van 29 november 1893 af wordt door deze club tot 1921 toe op de Lee geschaatst. Als koning Winter tenminste voor een stevige ijslaag op dit voor De Lier zeer karakteristieke water zorgt. Maar na 1921 huurt de vereniging een weiland aan de Lierweg, waar nu een industrieterrein ligt. Daar beschikt 'Hard gaat ie' in de vaak strenge winters over een royale ijsbaan, waarvan zelfs gebruikt kan worden gemaakt tot het seizoen 1967/68. Telkens wordt de wei daarvoor onder water gezet. Dat gebeurt dan altijd nog met water uit de er langs lopende Lee. Daarvoor een wordt duiker benut, die op de wei uitkomt. De Lee zelf is ob den duur niet meer te gebruiken voor schaatsplezier, omdat dit water zo lang mogelijk door en voor de scheepvaart wordt opengehouden.

Tent
In 1967 verhuist de club naar een andere baan aan de Hoogeweg. Die baan is echter kleiner, vierkanter en dus minder rendabel dan die aan de Leerweg, maar daarom niet. minder gezellig. Er komt een tent op de baan aangevuld met enkele zitbanken, die na het seizoen weer worden afgebroken. Het duurt tot 1971. Dan huurt de vereniging een ander terrein dat vlak naast het zwembad Waterloo ligt. Het wordt een L-vormige ijsbaan met een eigen accommodatie. Maar het liefst schaatsen de Lierenaren lange tochten. Daarover vertelt Krijn van Dijk in zijn bij het honderdjarig bestaan verschenen boekje, dat men als grote hindernis onderweg altijd de bruggen tegenkwam. In 1894 geeft de burgemeester van Naaldwijk toestemming tot het aanleggen van banen en het aanbrengen van 'passagemiddelen' bij bruggen, Er hoeft niet te worden gekluund, want bil elke brug worden met kettingen aan weerszijden ijzeren beugels aan de brugleuning gehangen, waarop dikke planken worden gelegd compleet met leuningen. Leden van ijsverenigingen kunnen gratis passeren, anderen betalen tol om onder de brug door de kunnen.

Elfstedentocht
De Lierse ijsclub krijgt in de jaren voor de oorlog een bijzonder lid: Piet Keijzer hij doet in 1940 mee aan de Elfstedentocht en weet die te winnen. Dat is aanleiding voor het bestuur om mee te gaan doen aan langebaanwedstrijden. De vereniging sluit zich aan bil de Koninklijke Nederlandse Schaats Bond (KNSB). In 1946 schrijft het blad 'Sport' over het enthousiasme van Lierse supporters tijdens een kampioenswedstrijd. "Zelden hebben wil na afloop van een race zoveel enthousiasme en blijdschap gezien als ditmaal bij de supporters van Piet Keijzer. Warm en vermoeid als hij was ging hij de lucht in, op de schouders van de leden van de vereniging 'Hard gaat ie' uit De Lier, die met een grote vrachtwagen naar Heerenveen waren getogen." In 1947 krijgt de vereniging er een twee- de held bij: Kees Broekman, dan zeventien jaar oud. Hij rijdt in 's-Gravendeel een uitstekende wedstrijd. De dag erna neemt het bestuur hem ook mee naar de Thialfbaan in Heerenveen waar de nationale kampioenschappen worden verreden. Kees Broekman weet zich daarbij - op geleende schaatsen - naar een vijfde plaats te rijden in het totaal- klassement. Het was groot feest voor De Lier, want Piet Keijzer weet dan ook nog eens de nationale kampioenstitel in
de wacht te slepen

Financiën
Het mag een hele eer zijn zulke rijders in de club te hebben, maar - zo klaagt het bestuur wel af en toe - het kost veel geld. Er moet van alles worden gedaan om de financier rond te krijgen. Maar de Lierenaren laten hun sporthelden niet in de steek. Een en ander leidt ertoe, dat in 1954 een internationaal schaatstoernooi door 'Hard gaat ie' wordt georganiseerd, dat weliswaar niet in De Lier - daar is de accommodatie niet geschikt voor - maar in Rotterdam wordt gehouden. Dat is op de baan van de Kralingse IJsvereniging, waarmee wordt samengewerkt. De volledige Noorse ploeg komt daar uit tegen de Nederlandse. Met Kees Broekman en (de 'sGravenzander) Wim van der Voort. Geweldig is de bijna vier seconden voorsprong, die Kees Broekman op Hjalmar Andersen, de ongenaakbare wereldkampioen heeft op de vijfduizend meter. Met een tijd van 8.39.2 boekt hij een nieuw Nederlands record. Omdat de dooi onverwacht intreedt komen de kosten er niet uit. De Nieuwe Haagsche Courant van woensdag 10 februari 1954 schrijft hierover dat het een schaatswedstrijd was, die tevens een unicum werd voor ons land en... 'dat voorlopig ook wel zal blijven' Nu de winters geen schijn of schaduw meer zijn van wat ze vroeger waren is het aantal ijsclubs in het Westland sterk gereduceerd. De 's-Gravenzandse IJs vereniging en de Honselersdijkse IJs vereniging bijvoorbeeld zijn er al hele maal niet meer, maar De Eendracht ir Naaldwijk en Maaslands IJsvermaak ir Maasland houden zich nog steeds of de been. Ook Ijsclub 'Hard gaat ie' blijft in De Lier na 114 jaar nog steeds gaan Meestal op de kunstijsbaan van De Uithof maar als het hard genoeg vriest in De Lier waar de club nu een eigen ijs baan aan de Kade van Ras/Hoog  Noordweg beheert.. En wie alles wil we ten over het Westlandse schaatser moet natuurlijk naar het daar op een steenworp afstand vandaan gelegen Westlands Schaatsmuseum zijn, dat langs de Burgemeester Elsenweg in Naaldwijk te vinden is.

Deze rubriek kwam tot stand met mede werking van het Historisch Archief Westland.

 

Historische foto Nieuwe Tuinen De Lier, Familie J. Van Der Wel 29 juni 1928
Ontvangen van Jasper Oussoren, waarvoor onze hartelijke dank.


Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

Wie staan er zoal op ?

De namen van de personen zijn, van links naar rechts:
Jan van der Wel, zoon
Piet van der Wel, zoon
Cor van der Wel, dochter
Gre van der Wel (zittend op trap), dochter
Henk van der Wel (boven op trap), zoon van Henk
Jan van der Wel (leunend op kist), vader
Nic van der Wel (in de kist), zoon
Trijntje van der Wel (met strik), dochter (Dit is mijn oma)
Rien Boekestijn, knecht(?)
Bram Bongaards,knecht(?)
Onbekend
 


125 JAAR NIEUW TUINEN

In zeven sloten tegelijk
door  K. F. van Dijk

Geschreven bij gelegenheid van de expositie in Museum De Timmerwerf te De Lier over het 125-jarig bestaan van de Nieuwe Tuinen als tuinbouwgebied. Expositie t/m sepetmber2001.

Terwijl het Westland in 1712 al een behoorlijke oppervlakte aan tuinbouwgebieden kende, was De Lier nog een uitgesproken landbouwgemeente. Er was één groot tuinbouwcomplex, de buitenplaats Hoofbosch in de Hoefpolder, met druivenmuren, boomgaarden en groentebedden. In 1780 werd de buitenplaats echter voor de sloop verkocht, de boomgaarden gerooid, de druivenmuren afgebroken en alles werd weer weiland.

Een eeuw later, omstreeks 1870 bloeide de tuinbouw in het Westland als nooit tevoren. De export van fruit naar Engeland breidde zich uit en het areaal vroege aardappelen verdubbelde zich in korte tijd. In De Lier deelde men niet in die vreugde. Integendeel, de vlasteelt liep op zijn einde en 's winters heerste er armoe onder de boerenarbeiders.

Tot die vlas-, akker- en weilandgebieden behoorden landerijen die zich aan de overkant van de Kijckerweg langs de Breë Lee uitstrekken. De laatste restanten van de erbij behorende boerderij, vóór in de Nieuwe Tuinen, zijn pas enkele jaren geleden gesloopt. Het gebied is waarschijnlijk al voor 1200 in cultuur gebracht en vanaf 1550 kunnen we de eigenaren traceren. 
In 1873 erfde Maria G.L. de Bruijn te Rotterdam, getrouwd met Jacob C.A.M. van der Kun het complex, in totaal ruim 43 hectare, van haar ouders, die het in 1864 van de toenmalige boer Pieter de Jong kochten.

Verslag van de veiling van de 15 percelen in De Lier. Weekblad voor Maassluis, het Westland en Rozenburg, 23 september 1874

Van der Kun moet ervan op de hoogte zijn geweest dat de vraag naar tuinland dat de prijzen in stijgende lijn waren. Hij vroeg toestemming aan het polderbestuur en aan het Hoogheemraadschap van Delfland om vanuit de Lee zeven vaarsloten te graven en het vlietland op te hogen. Daarna liet hij in september 1874 de landerijen in 13 partijen (met twee elders in De Lier gelegen percelen) veilen in de herberg De Zwaan van Jan van den Dool in De Lier. Opbrengst circa ƒ 100.000. Daarbij hoorden ook enkele percelen ten noorden van de huidige Veilingweg en het perceel van de Veilingweg zelf. Het karwei om de vaarsloten te graven blijkt in maart 1875 te zijn geklaard.

Niet alle kopers waren van plan zelf de tuinbouw ter hand te nemen. De namen van twee kopers komen we echter nu, na 125 jaar, nog tegen als tuinder, n.l. Dukker en Van der Wel. Adrianus Dukker, vlasser, kocht 3 ha. 19 are voor ƒ 9.217. Later verkocht hij een stuk aan zijn broer Gerrit Dukker. Iets verderop kocht Johannes van der Wel te 's-Gravenzande 4 ha 40 are voor ƒ 9.100. Diens zoon Jacob van der Wel was kinderloos en verkocht het aan zijn neef Jan van der Wel. Diens kleinkinderen tuinen nog op het laatste perceel tegen de Greenery aan.

Hiermee was het eerste grote tuinbouwgebied van De Lier een feit. En nog wel projectmatig tot stand gekomen. Maar veel geluk hebben de pioniers niet gehad. Nog terwijl zij de eerste bomen plantten en de druivenmuren metselden, pakten zich donkere wolken samen boven de Westlandse tuinbouw. In Amerika ontstonden grote graanoverschotten, die op de wereldmarkt werden gedumpt. Europese landen als Engeland en Duitsland antwoordden daarop met flinke verhogingen van de invoerrechten voor land- en tuinbouwproducten, zodat de afzet bemoeilijkt werd. De tuinbouwprijzen kwamen onder druk te staan en verschillende jonge tuinders in de Nieuwe Tuinen moesten de spa in de grond steken en hun tuin verlaten.

De precieze gang van zaken is nu niet meer na te gaan, maar we kunnen er wel naar raden. Hendrik Slaman, een van de oorspronkelijke kopers, verkocht in 1883 drie percelen bouwland, vroeger gebruikt als tuinland aan een notaris te Delft. Op een van de percelen, waar klaver op werd geteeld, stond nog een druivenmuur als een stille getuige van een mislukt tuindersavontuur. De erfgenamen van deze notaris verkochten in 1888 een van de percelen aan dezelfde Johannes van der Wel uit 's-Gravenzande die in 1875 ook een van de kopers was. Later zouden hier Cees en Willem van der Wel tuinen en op de andere twee percelen treffen we Koole en Hanemaayer aan. Al direct na de ingebruikneming van de tuinen zijn er druivenmuren gebouwd. De meeste helemaal achteraan. De laatste muur, op de tuin van Middelburg, is pas gesloopt toen de Veilingweg aangelegd werd.

Voordat er enige bebouwing was aan de Cramerlaan, liep er een voetpad van de Heulbrug richting Naaldwijk, het Naaldwijkse voetpad. Het liep van het huidige kruispunt Nieuwe Tuinen/Heulstraat schuin door de weilanden en akkers met zes 'vondels' over de sloten naar de boerderij waar nu het dierenasiel Dijckhorst is ondergebracht. Al in 1875 vroegen de twee nieuwe eigenaren van de voorste percelen aan de gemeente toestemming om het pad te mogen omleggen. Het liep later achter de druivenmuren langs tot aan het punt waar het recht overstak naar de Dijckhorst.

De Kade van Rasch vormde voor de laatste percelen mogelijk een 'achter-uitgang'. Deze kade is zo genoemd omdat enkele omliggende percelen, onder meer waarop een gedeelte van de Veilingweg ligt, eigendom waren van een zekere B. L. Rasch. De kade was ook zijn uitpad naar de Vlietweg. Op het bijgaande kaartje uit 1712 is aan het einde van de Nieuwe Tuinen langs de Lee bebouwing te zien. Hier stond op het vlietland de woning van een klein boertje die circa 10 hectare bebouwde. Mogelijk zijn de fundamenten in het vlietland weggezakt of door de eerste tuinders uitgegraven, want bij de huidige generatie is hier niets meer van bekend.

De naam Nieuwe Tuinen was niet onmiddellijk ingeburgerd. Kort na 1885 vroeg A. Dukker toestemming voor bouw van een huis 'aan het Naaldwijkse pad'. In of kort na 1900 kwam de naam Nieuwe Tuinen in zwang. Eerst nog in combinatie met het Naaldwijkse pad, maar later werd deze laatste aanduiding weggelaten en werden bouwaanvragen gesitueerd in de 'Nieuwe Tuinen'.

In het hele Westland vond het vervoer van en naar de tuinen veelal plaats per schuit. Zo ook in de Nieuwe Tuinen. Ten behoeve van de voetgangers en fietsers lag over elk van de zeven vaarsloten een boogbrug of een ophaalbrug. Na de oorlog werd het gebrek aan toegankelijkheid voor auto's steeds nijpender. Van Harmelen, die voorin woonde, liet een brede ophaalbrug aanleggen, zodat hij vanuit de Heulstraat toegang had; Vellekoop-Middelburg liet een baileybrug over de Lee bouwen; Vermeer had aan de achterzijde uitpad naar de Kade van Rasch. De overige bewoners moesten echter met smalle bruggetjes en een koolaspad genoegen nemen. Een comité van bewoners streefde echter naar volledige ontsluiting en in samenwerking met de gemeente werd in 1964 de weg en de bruggen verbreed. De vaarten bleven nog gehandhaafd, maar in de loop van de jaren werden ze alle gedempt.

Het achterste gedeelte, gesplitst in twee partijen van in totaal 7 ha 73 are, werd gekocht door L.V. van Rossem te Rotterdam. In 1880 verkochten zijn erfgenamen in dezelfde herberg het inmiddels in tuin en boomgaarden veranderde land met een woonhuis aan Abraham Vermeer, bouwman te Honselersdijk. Mogelijk was de in Honselersdijk wonende grootgrondbezitter Pijnacker Hordijk de rentmeester van Van Rossem, want in de familie Vermeer leeft het verhaal dat hun voorvader het van Pijnacker Hordijk heeft gekocht. De notariële akten wijzen echter anders uit. Het bezit van Vermeer werd later gesplitst in drie afzonderlijke tuinen voor Rien, Huib en Arie Vermeer. Zij behoren nu allemaal tot het Greenery-terrein.


De latere Nieuwe Tuinen ingekleurd op een kaart van 1712. Elk van de kleuren geeft één van de 13 partijen aan die in 1874 verkocht werden. De vaarsloten zijn niet ingetekend; de aangegeven sloten zijn de oorspronkelijke oude poldersloten.


Restauratie stuk zekerder

De Lier wil oude timmerwerf aankopen.
Het eeuwenoude pand aan de Hoofdstraat moet grondig worden gerestaureerd.

Uit: Westlandsche Courant  Maandag 6 februari 1995
Door: Kees Bos

De Lier - Burgemeester en wethouders van De Lier zullen de gemeenteraad dit voorjaar een voorstel doen om de eeuwenoude timmer-werkplaats aan de Hoofdstraat 63 in De Lier aan te kopen. Het oude pand kan na aankoop grondig worden opgeknapt. Later kan de timmerwerf als museum annex koffie- en thee-schenkerij worden opengesteld.

Met de aankoop en de restauratie zijn honderd-duizenden guldens gemoeid. De gemeente zou dit geld uit de reserves kunnen halen. De komende maanden zullen burgemeester en wethouders onderhandelingen voeren met de eigenaar van de timmerwerkplaats en met de stichting die het pand wil gaan restaureren. De gemeente wil voldoende zekerheid dat het laatste inderdaad gaat gebeuren.

Nu burgemeester en wethouders bereid zijn het pand aan te kopen, is ook de restauratie een stuk zekerder. Burgemeester Huub van der Meer: "Het is een kip en het ei-kwestie. Als de gemeente het pand aankoopt, kan de stichting meer duidelijkheid bieden aan de sponsors en de vrijwilligers. Daarmee komt ook de restauratie een stuk dichterbij".

Molens
Het huis aan de Hoofdstraat is zo bijzonder, omdat het sinds 1642 steeds als timmerwerkplaats in gebruik is geweest. Vele vakmensen hebben hier hun beroep uitgeoefend door onderdelen voor molens en andere bouwwerken te maken. Heel oude, unieke gereedschappen zijn in de werkplaats bewaard gebleven.

Het gebouwtje, dat aan de achterzijde bouwvallig is geworden, is na de Dom het oudste pandje van het dorp De Lier. Andere oude panden, zoals het kaaspakhuis, zijn recent wel gesloopt om plaats te maken voor woningen. De timmerwerf is heden ten dage nog steeds als zodanig in gebruik bij een aannemer. Om het pand als monument voor de toekomst te bewaren is vorig jaar al door enkele vrijwilligers de stichting Timmerwerf opgericht. Deze vrijwilligers hebben reeds vele sponsors gevonden, die samen bereid zijn 200.000 gulden voor de restauratie van het pand te doneren.

Thee-schenkerij
De timmerwerf wordt door de restauratie weer in toonbare staat gebracht. De restauratie van de werf zal volgens de plannen in november beginnen. Het werk, dat wordt uitgevoerd door Liers aannemers, gaat ongeveer twee jaar duren. Om de kosten te drukken, hebben de vrijwilligers ook een plan ontwikkeld om in het pand een koffie- en theeschenkerij te openen.

Voor de vieringen van 750 jaar De Lier staat in augustus al een feest rondom de restauratie van de timmerwerkplaats op het programma. Burgemeester Van der Meer verwacht dat dit feest voorlopig gewoon kan doorgaan, hoewel de onderhandelingen over de aankoop door de gemeente De Lier nog voortduren.


Lierse timmerwerkplaats anno 1642

Een vergeten stukje historie

Een eigen Liers museum? Cor van der Mark en Jan den Hoed willen het stokoude pand Hoofdstraat 63 voor het nageslacht bewaren.

Uit: Westlandsche Courant  Dinsdag 15 maart 1994
Door: Kees Bos 

De Lier - Een onopvallende gevel in de Lierse Hoofdstraat verbergt een heuse timmer-werkplaats uit het begin van de zeventiende eeuw. De werkplaats is een vergeten, historisch stukje van het dorp De Lier, bewaard gebleven dankzij de spaarzaamheid van de timmerfamilie Koene en vóór 1900 het geslacht Bongaards. Van geslacht op geslacht timmerden de vaklui onderdelen voor molens en hooibergen. Zij gooiden niets weg. Integendeel, ze bewaarden alles. Op de bovenverdieping staan een draaibank en gereedschap, klaar om zo weer een molen te bouwen. Aan machines deed men indertijd niet, hooguit werd wat elektriciteit aangelegd. De lange werkbanken in de werkplaats worden heden ten dage nog gebruikt. Niet voor molens, maar hoofdzakelijk voor kozijnen.
De timmerman Kees Koene verdient er zijn dagelijks brood mee. De 57-jarige Lierenaar heeft echter geen opvolger voor zijn bedrijfje. Hij zou zijn pand best willen verkopen, maar wacht een goed aanbod af. En dat aanbod komt misschien van de dorpsgenoten Cor van der Mark en Jan den Hoed. Sinds zij het pand hebben bezocht, heeft het hun hart gestolen. Ze zetten zich in voor restauratie en behoud van de historische timmerwerkplaats met achterliggende woning uit de achttiende eeuw. Ze hebben de ‘stichting Timmerwerf’ opgericht om het woonhuis en de werkplaats terug te brengen naar de stijl van 1900. De bedoeling is zelfs om het tot Liers museum te dopen. Een idealistisch plan, waarvoor nog veel geld en honderden uren vrijwilligerswerk nodig zijn. Veel mensen zijn al enthousiast geraakt. Het Lierse gemeentebestuur beslist deze dagen over aankoop van het pand.
Van der Mark heeft goede hoop. "Dit is een unieke kans voor De Lier. Ons dorp is het kaaspakhuis van Stoorvogel al kwijtgeraakt en we hebben de rel over het café gehad, waar nu Albert Heijn is. Dit is echt het oudste en waardevolste plekje van De Lier. Daar moeten we ons voor inzetten".

Authentiek.
Zijn mede-initiatiefnemer Jan den Hoed ziet een verband met het 750-jarig bestaan van De Lier volgend jaar. "Het zou prachtig zijn als we in dat jubileumjaar met het restaureren zouden kunnen beginnen". Wie het pandje eens van dichtbij en van binnen bekijkt, wordt inderdaad getroffen door de authentieke staat van het materiaal. Veel van de inrichting is verwaarloosd en door de houtopslag ziet het er rommelig uit. Wie daar doorheen kijkt, herkent echter de werkplaats uit de negentiende eeuw. Die ziet de timmerlieden werken aan de onderdelen voor molens en hooibergen. Aan de muren hangen nog veel gereedschappen, waarvan sommige vijftig jaar niet zijn gebruikt. Zoals een aparte beitel om bomen uit te hollen tot goten. Houten goten worden al sinds de oorlog niet meer gemaakt, maar de beitel hangt er nog steeds. Achterin de werkplaats leidt een lage deur naar de woonkamer van het oude huisje. In de muur is een klein raampje. "Daarmee kon de baas controleren of het personeel wel doorwerkte, als hij zelf even in de woonkamer was", legt Den Hoed uit. In de kamer zelf hangt het spinrag centimeters dik van het plafond af. De donkere, maar best ruime woonkamer heeft twee bedsteden een spint (een provisiekast, red.). Boven de schouw is een bloemenvaas geschilderd. Duidelijk zichtbaar is het houtwerk dat ooit een kast omlijstte. Toen de familie Bongaards in 1922 naar een ander pand verhuisde, is de kast op de bovenverdieping gezet. De planken staan sindsdien vol met spijkers en schroefjes.

De timmerwerf anno 1999

High-tech
De zolderverdieping is zeker een blik waard, wie althans de redelijk vermolmde trap op durft. Het is echt een rommelzolder. Alles wat in de loop der jaren in onbruik raakte, is hier neergezet. Nog elke week vinden Van der Mark en Den Hoed hier interessante gereedschappen uit vroeger tijden. Hun ontdekkingstocht voerde naar lange boren, destijds nodig om gaten te boren voor pennen in hooibergen, prachtige oude schaven, met de initialen ‘JK’ de grootvader van de huidige timmerman Kees Koene, of een houten draaibank, waarmee ronde dingen konden worden klaargemaakt. Het is high-tech van de achttiende eeuw, die hier staat opgesteld.  Een hoekje van de zolder staat vol met katrollen. Zelfs enkele zeer zware, die werden gebruikt voor het lichten van de molenkap. Ook de dikke touwen liggen opgerold klaar om gebruikt te worden, alsof er nooit hijskranen zijn uitgevonden. De zolder is in begin zeventiende eeuw gebouwd. Restauratie-experts hebben dat vastgesteld aan de hand van de zijspanten: een boom met een flinke zijtak was de zeventiende-eeuwse techniek om een schuin dak te ondersteunen. Zo werd een kracht van de natuur voor menselijke bewoning aangewend. Evenzogoed werd de natuur voor de ventilatie gebruikt. Het dak van de erachter aangebouwde schuur is helemaal ontworpen voor houtopslag. Aan de oostkant is het dak onder de dakpannen nogal open: het licht schijnt er doorheen. Het is bewust zo gemaakt om het goed te laten ventileren. Een vroege vorm van airconditioning. Aan de westkant is het dak juist helemaal dicht, vanwege de regen die aan die kant valt. De zolder van de aangebouwde schuur, pakweg een eeuw jonger dan de voorste werkplaats, biedt ook nog onontdekte ruimten. Zoals een kastruimte waarvan de sleutel zoek is. Sliep hier ooit een knecht? Of ligt er nog meer gereedschap? Op de deur hangen flarden van een ‘proclamatie ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en Bernhard van Lippe-Biesterfeld’.

Monument.
De stichting De Timmerwerf wil onderzoeken of het pand op de Rijksmonumentenlijst kan worden geplaatst. Deze lijst is eigenlijk gesloten voor panden van voor 1850, maar er bestaat nog een lijst van ‘vergeten panden’. Bij hoge uitzondering wordt hier een monument aan toegevoegd. Den Hoed schat dat als de hele restauratie zou worden uitbesteed, zo’n 550.000 gulden nodig is. "Een groot deel van het werk willen we met vrijwilligers uitvoeren", zegt Den Hoed, die zelf aannemer is. "Voor de echt bouwkundige werkzaamheden proberen we een beroep te doen op de bouwbedrijven binnen ons eigen dorp, die een bepaald onderdeel sponsoren zoals de kap, kozijnen, vloeren of de gevels. Het zou fantastisch zijn als we met elkaar de restauratie van dit pand kunnen realiseren en het uiteindelijk met vrijwilligers draaiende houden". Om de exploitatie rond te krijgen, wil men een club ‘Vrienden van de Timmerwerf’ oprichten. Deze vrienden zouden het sponsorgeld moeten binnenbrengen voor het historische stukje van het dorp De Lier. Van der Mark overtuigt iedereen van het belang: "Als dit ooit weg zou gaan, is De Dom het volgende historische werk dat ze gaan slopen, want er is hier al te veel tegen de vlakte gegaan.


Tonnen subsidie als rijksmonument.

Timmerwerf is ‘een onbekende Rembrandt’

‘Een heel bijzonder en zeldzaam gebouw’, zo wordt de Lierse Timmerwerf gekwalificeerd.

Uit: Westlandsche Courant Woensdag 12 juni 1996

De Lier - De historische Timmerwerf krijgt waarschijnlijk de status van rijksmonument. Een procedure om het pand uit de zeventiende eeuw daarvoor in aanmerking te laten komen, moet over tien maanden uitsluitsel geven. Met de status is een subsidie gemoeid van enkele tonnen.

In het register van beschermde monumenten dat de Rijksdienst voor Monumentenzorg bijhoudt, staat slechts een handjevol timmerwerven. Die in De Lier is met zijn 354 jaar één van de oudste. Een delegatie deskundigen uit de museumwereld die het grijze pandje aan de Hoofdstraat onlangs bezocht, kwam superlatieven tekort voor de timmerwerkplaats. Men repte van een ‘onbekende Rembrandt’.

"Het is een heel bijzonder en zeldzaam gebouw", onderschrijft ook A. Van Veenendaal van de Rijksdienst die lovende woorden. Zij bezocht de Timmerwerf vorige week en behandelt de monumenten-aanvraag voor het pand. "Het aardige aan deze werkplaats is bovendien dat hij tot een paar jaar geleden in gebruik was. Van buiten ziet het huis er 19e eeuws uit, met mooi pleisterwerk. Treed je binnen, dan wacht een verrassing. De kern van het pand blijkt uit de zeventiende eeuw te dateren. Het aangebouwde woonhuis is van een eeuw later en het interieur daarvan is weer negentiende eeuws".

Het bestuur van stichting De Timmerwerf, die de restauratieplannen ontwikkelde en begon met de uitvoering, werd verlegen van alle lof. Jan den Hoed, secretaris: "We moeten de zaak wel even verwerken. We dachten dat dit een lokale aangelegenheid was. Op de rijkslijst komen hielden we voor onmogelijk". Na overleg met de gemeente, eigenaar van de Timmerwerf, werd besloten een aanvraag voor de rijkslijst in te dienen. "We moesten de zaak wel even verwerken", zegt Den Hoed over de superlatieven die de timmerwerf ten deel vielen.

"Een Rembrandt, dat is mooi", zei burgemeester H. van der Meer vorige week in een commissievergadering. "Maar meteen daarna komt de vraag: en wat levert dat op?" Van de bedragen gingen hem ‘de oren tuiten." De huidige restauratieplannen kosten een half miljoen gulden. Dat wordt 7,5 à 8 ton, denkt penningmeester Zuidgeest, door extra kosten voor de architect en de uitvoering. "We hopen op minstens drie à 4 ton subsidie", laat hij weten. "Maar niets is nog zeker".

De gemeente, sinds twee jaar eigenaar van de Timmerwerf, kan zeventig procent van de kosten die nodig zijn voor het behoud van de monumentale waarde van het pand als subsidie krijgen van het rijk. Onder deze regeling valt niet de riolering, het eerste werk dat de stichting liet uitvoeren. Tot nog toe had de stichting een kleine twee ton binnen aan giften en sponsoring. Daar is de contributie van 115 leden van "De club van honderd’ nog niet bijgeteld.

In een rijksmonument mag niet zomaar worden verbouwd. Dat leverde de stichting aanvankelijk hoofdbrekens op. Den Hoed: "Op zolder, de voormalige houtopslag, hadden wij een koffie- en theeschenkruimte gepland. Dat kon niet doorgaan. Daarmee verdween onze eigen mogelijkheid om de exploitatiekosten terug te verdienen, want we moeten van de gemeente onze eigen broek ophouden". De oplossing lag buiten de deur. De oude loods in de tuin kan onder zijn zadeldak wél ruimte bieden aan horeca.

Zolang de aanvraag van de Timmerwerf in behandeling is, liggen de werkzaamheden stil. In deze periode van ‘voorbescherming’ moeten wijzigingen aan het pand aan de Rijksdienst worden voorgelegd. Den Hoed denkt dat de bouwvallige Timmerwerf het verwachte uitstel wel zal overleven.

Vergeten
Zal de Timmerwerf het zesde Lierse rijksmonument worden? Den Hoed denkt van wel. Hij gaat ‘voor 99,9 procent’ uit van een positieve beslissing van de Rijksdienst. Ook Van Veenendaal acht de kans dat de Timmerwerf het eervolle predikaat misloopt klein, ook al worden nu vrijwel alleen gebouwen van na 1850 verheven tot monument. "Het gaat om een vergeten monument", stelt ze. "Eigenlijk had de Timmerwerf al een monument moeten zijn".


De korenmolen die werd opgeblazen.

De Lier -
In augustus 1994 was het vijftig jaar geleden dat de bezetters de korenmolen bij Westerlee opbliezen. De molen heeft een eeuwenlange, roemruchte geschiedenis. De molen wordt voor het eerst vermeld in 1353 in de grafelijke leenregisters. In deze registers liet de graaf aantekenen aan wie hij bepaalde rechten had gegeven. Helemaal zeker is men niet. Genoemd wordt de Hoernemolen, in de buurt van een Groeneweg. Hoerne zou een verschrijving van Koerne (=3Dkoren) kunnen zijn. Meer zekerheid is er in 1393. In dezelfde leenregisters staan 'de molen, molenwerf en de wind; vermeld. Eigenaar was Gerijt van Heemskerck, waarna velen anderen volgen. In 1604 blijkt Adryaan Cornelisz de molenaar en in 1620 Leendert Fransz den Aert. In 1627 sterft deze molenaar en zijn vrouw weduwe Neeltje Jans, verkoopt de molen voor 3200 gulden aan haar zoon Jacob Lenaertsz, die als achternaam Van der Lee aanneemt. Hij laat de standaardmolen rond 1630 vervangen door een wipmolen, wat makkelijker te hanteren is met de maalstoelen op de begane grond. Deze wipmolen gaat ongeveer 150 jaar mee, totdat in 1788 Willem de Oude molenaar wordt. Hij wil met zijn tijd meegaan en sterker en groter worden. De molen wordt vervangen door een ronde, stenen grondzeiler. Naast de molen komt een woonhuis en schuurtje vlak langs de Hoefweg (thans Leeweg), vlakbij de brug over de Lee. Aan de andere zijde van de brug staat tot de huidige dag de Leewoning. Na tien jaar verkoopt Willem de Oude de korenmolen aan Bernardus Nieuwland, welke hem slechts vijf jaar bezit. Het zijn woelige tijden wegens de Franse overheersing, met veel onzekerheden in de handel. 

Stoom
De molen van Westerlee is gaandeweg door de mechanisatie verbeterd. In 1891 wordt een stoomwerktuig geïnstalleerd, met een stoomketel van tien pk, 'dienstig om de bestaande maalstenen in de windmolen met stoom aan te drijven;. Op windstille dagen is de molen nu ook in bedrijf om graan te malen. Al in 1914 wordt de stoommachine vervangen door een zuiggasmotor, welke twee koppels maalstenen afwisselend kan aandrijven. Eigenaar Wim van der Plas, die de molen voor 20.000 gulden van zijn vader heeft overgenomen, breidt de molen en de twee pakhuizen uit. Hij koopt een deel van een pakhuis, bergplaats en varkensschuur erbij. Blijkbaar hield hij ook varkens, waarvan de mest wel in de tuinderij werd gebruikt. In 1931 wordt de zuig-gasmotor vervangen door een dieselmotor, de Crossley-Engeland met 40pk. Inmiddels werd het transport intensiever en werd na enige jaren een Ford vrachtwagen aangeschaft. De paarden en wagens verdwenen. Nog enige tijd bezat men ook een schuit voor aan- en afvoer over het water naar de cliënten. Soms kwam een beurtschipper afmeren achter de houten schuur, welke naast het woonhuis stond. Een eenvoudige hijsinstallatie haalde de zakken maïs of ander graan omhoog in het pakhuis, vanwaar het verder via de molenstenen tot meel werd vermalen. Rond 1933 raakte de molen zichtbaar verouderd. De wieken zoefden steeds minder door de lucht en afbraakplannen begonnen steeds scherper vorm aan te nemen. In 1938 was het zover. De roeden, as, bovenwiel en ander drijfwerk met de complete kap en buitenkruiwerk werden van de bijna 150 jaar oude molenromp genomen en een licht gepunte afdekkap werd gemonteerd. Een 'peperbus' was het resultaat. Een elektrische hamermolen maalde nu het graan, speciaal voor veevoer. 

Oorlog
De oorlog bezorgde de molenaarsfamilie een moeilijke tijd. Dure vergunningen om aan graantoewijzing te komen maakten het werk niet eenvoudiger. In 1943 vorderden de Duitsers de vrachtauto van de molen, die inmiddels als maalderij werd omschreven. Voor de molenaarsfamilie Van der Plas was er al een aantal jaren een andere, extra zorg bijgekomen. De oude Jan van der Plas leed al een aantal jaren aan tbc. Na een lang ziekbed overlijdt hij op 6 mei 1942. Zoon Wim en docter Lenie hadden ook tbc en de nog jonge Wim stierf op 20 juli 1942. Enige jaren later volgde Lenie, pas 18 jaar oud. Weduwe Van der Plas trekt uit haar woning aan de Leeweg naar haar schoonzoon, die molenaar is te Goudswaard. Zij overlijdt op Tweede Kerstdag dat jaar, oud 75 jaar. Op de molen blijft de vrouw van Wim van der Plas achter, Maartje de Munnik met haar kinderen Lenie, Bep en Jan. De knecht Rien Huis draait zo goed en zo kwaad als het gaat verder met het bedrijf. Ondertussen zijn de Duitsers in de omgeving druk bezig om zich in te graven tegen de verwachte landing van de geallieerden. Tankgrachten, versperringen en bunkers worden aangebracht. De Leemolen stond in de weg en moest verdwijnen. De molenaars zagen de bui hangen en begonnen de molen tijdig te slopen. De dieselmotor dook onder bij een tuinder. Een koppel maalstenen ging naar graanhandel Van Vliet in De Lier. In augustus 1944 naderde het einde van de Leemolen. De molenaarsfamilie en de omwonenden moesten hun huis verlaten en werden aangeraden de vensters met platen dicht te spijkeren, wegens de opblaasplannen van de Duitsers. Tot driemaal toe werd een springlading aangebracht in de romp. Het bouwwerk werd tot puin gereduceerd. Het huis en schuren werden direct daarna gesloopt. Een kale plek bleef over bij de Leebrug. In 1950 zette de voormalige knecht Rien Huis het maalbedrijf voort. Dat functioneerde slechts tot 1958, waarna maalderijgebouw en woonhuis werden verkocht aan de Coöp.. Tuinbouwvereniging Westerlee. Tot op de dag van vandaag staan daar thans nog de gebouwen.

De verdwenen korenmolen was bijna 500 jaar oud. 


Bovenstaand verhaal is een bewerkte samenvatting van het boekje 
'De Korenmolen De Leemolen Westerlee' door A. M. van Dop.

Deze schitterende foto van de Leemolen in vroeger tijden ontvingen we van Dhr. Arie Augustinus, waarvoor onze hartelijke dank. Klik op de foto om hem groter te zien
Deze schitterende foto van de Leemolen in vroeger tijden ontvingen we van
Dhr. Arie Augustinus, waarvoor onze hartelijke dank.
Klik op de foto om hem groter te zien.


De Lee Molen op 24 april 2001

‘Al meer dan duizend omgelegd’
De mollenvanger van De Lier

Uit: Westlandsche Courant Woensdag 15 juni 1994
Door: Marjoke van der Wilk

‘Ik mol al mollen sinds m’n vroegste jeugd’, vertelt de 82-jarige Lierenaar Van Adrichem, terwijl hij trots zijn bijzondere nieuwste aanwinst toont.

Ze noemen hem de ‘Mollenvanger van De Lier’, de 82-jarige P.N.J. van Adrichem is trots op die benaming. De oud-tuinder had deze week wel een heel bijzondere vangst. Aan de provinciale weg trof hij een witte mol aan.

De Lier - 
De spierwitte mol ligt stijf in een oud koektrommeltje en is ongeveer vijftien centimeter lang. "Kijk, een dergelijke albino-mol tref je zelden of nooit aan. Het is nu vijfendertig jaar geleden dat ik een dergelijk beestje in een klem vond. Ik ‘mol’ al mollen sinds mijn vroegste jeugd en ben nu 82 jaar, dus je mag gerust spreken van een bijzondere vangst". Toen Van Adrichem zijn eerste albino-mol ving, gingen zijn kinderen met het beestje door de klassen van de lagere school. "Daarna heb ik hem gewoon weggegooid, maar achteraf had ik spijt dat ik hem niet had laten opzetten". De mol die deze week in handen kwam van de Lierenaar, zal waarschijnlijk binnen enkele weken op de kast van zijn woning aan de Lierweg prijken. "Nog deze week breng ik hem naar de preparateur en als het meezit is het beestje dan over enkele weken klaar".

Mollen spelen een belangrijke rol in het leven van Van Adrichem. "Mijn vader was boer en had land aan de Lee. Als jong kind ging ik al op zoek naar mollensporen en gewapend met een schop wist ik op slimme wijze deze beesten te vangen. Al snel krijg je steeds meer grip op de leefwijze van de mol en weet je precies, waar je een klem moet zetten. Nu heb ik dus veel succes, want waar ik mijn klem zet, zit er voor 99 procent een beest in". Al een tiental jaren maakt Van Adrichem gebruik van een zogeheten Duitse klem. "Gekregen van m’n dochter. Zij woont samen met man en gezin op een boerderij in Groningen. Daar kun je deze klemmen ook kopen, maar hier heb ik ze nog nooit gezien".

"Bij nat weer zit een mol in de regel meer aan de oppervlakte. In de zomer, wanneer de grond erg droog is, gaat hij steeds dieper zitten, dan zie je ook minder molshopen. Een mol graaft een zogenaamde transportrit (gang) die overigens nooit recht loopt, maar om de halve meter van richting veranderd. Het is de kunst om deze gang te vinden en juist daarop de klem neer te zetten".

Om de juiste gang te vinden, gebruikt Van Adrichem een groot mes en snijdt daarmee in het gras. "Als ik geen weerstand tegenkom weet ik dat ik een molsgang te pakken heb. Met de aanwijzingen van de molshopen kan ik zo vrij goed de juiste locatie bepalen". Wanneer er een mol is gevangen, is de plaag meestal nog niet over, want er zitten er vaak meer. "Dan gooi ik de gang een stukje dicht en kijk de volgende dag of deze weer is doorgegraven. Als dat zo is, dan ben ik er zeker van dat er nog een mol zit en begint het ritueel weer van voor af aan".

Druk.
Van Adrichem heeft het er druk mee, want overal in de regio wordt zijn hulp ingeroepen. "Dat gaat van mond tot mond". Vertelt hij lachend. "Laatst heeft een tuinbouw toeleverings bedrijf een tuinder naar mij gestuurd. Ze hadden gezegd: ‘Ga maar naar Van Adrichem want daar heb je meer aan dan een paar wormen met vergif’. Kijk, dat is toch leuk". Omdat de bejaarde Lierenaar maar een klem heeft (‘Ik wil er ook niet meer bezitten, want het moet leuk blijven’) worden de ‘klanten’ op hun beurt behandeld. "Als de klem uitstaat, moet je toch altijd wachten tot je resultaat hebt en dat kan wel eens een dag duren". Maar aan een gemiddelde van twee mollen per week komt Van Adrichem wel. "Ik denk dat ik in mijn leven er wel meer dan duizend heb omgelegd", zegt hij met zekere trots.

"In de oorlog kon je trouwens de huidjes verkopen en kreeg je daar nog ‘een paar centen’ voor. Nu vraag ik niks voor mijn diensten, maar krijg ik vaak een aardigheidje van de mensen die ik van hun mollenprobleem afgeholpen heb. De mollen zelf verdwijnen in de groene gft-bak, want op de uitzondering van de albino-mol na kun je er niks mee beginnen". Door zijn jarenlange ervaring heeft de krasse Lierenaar natuurlijk weleens rare dingen meegemaakt. "Bij het aardappelen wroeten is er weleens een mol mijn broekspijp ingekropen. Gelukkig had ik ‘m snel te pakken, want die beesten kunnen lelijk bijten".

Zo heeft de mollenvanger ook nog verschillende tips voor minder moorddadige praktijken. "Een gebroken fles schuin in de grond zetten, zodat de wind erin fluit, wil weleens helpen", zegt hij. "Een andere methode is om op een paal in de grond vier keer per dag keihard met een ‘slegger’ te slaan. Dat is natuurlijk wel een intensieve methode, maar een mol is een aardbewoner en houdt nu eenmaal niet van grondtrillingen. Een stuk glas in de ‘rit’ wil ook soms helpen. Een mol die verwond is zal altijd sterven, alleen kun je dat onder de grond natuurlijk niet controleren".

Gazon.
Voorlopig houdt Van Adrichem het bij zijn eigen beproefde methode van de Duitse klem en het mes. "Nee, ik heb geen hekel aan de diertjes, maar ik weet dat ik een hoop mensen gelukkig maak met het feit dat ik ze uit hun mooie gazon verjaag". Overigens is het zo dat mollen ook hun nuttige kant hebben. Zij eten insecten en zorgen voor een goede drainage. "Voor een boer, tuinder en gazonbezitter zijn de ontsierende molshopen, het aangevreten gewas en de gaten in het land echter niet echt leuk en daarom zal het beestje denk ik nooit echt populair worden".


De Lier had Leedam kunnen heten.

Uit: Westlandsche Courant Dinsdag 20 september 1994
Door: Kees Bos

De Lier vierde in 1995 het 750-jarig bezit van kerkrechten. De boeren aan de Lee ontworstelden zich in 1245 van Maasland en de Duitse Orde, bouwden een spits op de dom, streden met de Spaanse hertog van Alva en roosterden haar brandstichtsters. De Lier - Het was de tijd dat boeren in houten boerderijen woonden en met hun familie grote velden met graan verbouwden. Waar de nieuwe dijken doorbraken en landerijen overstroomden. Waar onverklaarbare ziekten dood en verderf zaaiden en de kerk het middelpunt van het leven was.

Het was de tijd dat kerken het bezit waren van particuliere personen. De heer van het dorp was tegelijk de bezitter van de kerk. Hij betaalde de pastoor en ontving de kerkbelasting van de kerkbezoekers, wat overbleef mocht hij in eigen zak steken. In die tijd verkocht de graaf van Maasland zijn kerk aan de Duitse Orde.

Voor de boeren die rond de Lee woonden, was de Maaslandse kerk echter een behoorlijk eind lopen. Zeker in de winter was de vijf kilometer lange tocht een hele onderneming. De overname door de Duitse Orde was voor het voorname geslacht Uyterliere aanleiding om te vragen of zij een eigen parochie mochten stichten, nabij de Lee. Dat mocht en in 1245 verkreeg de familie Uyterliere het recht om zelf te begraven en te dopen. De parochies van Maasland en ook van Naaldwijk stonden een stuk gebied af voor de nieuwe parochie in De Lier. Dit besloeg stukken grond aan beide zijden van de huidige Hoofdstraat en Kijckerweg, vroeger de belangrijke dijk langs de Lee.

De huiskapel van de familie werd opgeheven en men bouwde een nieuwe kerk. Waar deze kerk is gebouwd is tot op de dag van vandaag onduidelijk. Waarschijnlijk is het gebouwtje van hout geweest, waardoor het moeilijk is daar tegenwoordig iets van terug te vinden. Het dorpje aan de Lee telde toen niet meer dan een paar honderd personen. Op de verspreide boerderijen werd meest graan geteeld totdat de veengrond in later eeuwen te drassig werd. Rondom De Lier stonden twee molens. Ten noorden van De Lier staat nog steeds een halve romp, als restant van de molen. Bij de Sportlaan, ter hoogte van de Hoofdstraat is de molen tegenwoordig vervangen door een gemaal met een dieselmotor.

Een korenmolen heeft De Lier ook gekend. Die stond bij Westerlee, maar is tijdens de oorlog zwaar beschadigd en ten slotte gesloopt. Waarom er eigenlijk mensen aan de Lee gingen wonen, s moeilijk te verklaren. Misschien was hier een natuurlijk haventje, waar vandaan scheepjes naar de Maas voeren. De Lee was goed bevaarbaar, tot het stroompje later dichtslibde en er een dam werd gelegd. Inderdaad had De Lier net zo goed Leedam kunnen heten. Zeker is wel dat het geslacht Uyterliere al vroeg in de Middeleeuwen een kasteel bij de Heimond bewoonde. Bij de grote overstroming van 1134 braken de dijken bij Westerlee en De Nol en stroomde het water tot aan Heimond.

Wellicht is het kasteel onder gestroomd (er is niets van teruggevonden), want de familie Uyterliere bouwde een nieuw onderkomen op een veiliger, hoger gelegen plaats. Ongeveer 500 meter van de brug over de Noordlierweg, zijn palen en zelfs de gracht teruggevonden van het nieuwe kasteel. Een andere theorie is dat de Lierse adel verhuisde omdat het een stuk grond kreeg van hogere heren, als dank of stimulering van de bedijking van het gebied. De juiste toedracht is nog steeds in nevelen gehuld.

Wel zeker is dat het dorpje De Lier al langer de status van ‘ambacht’ had, een prille voorloper van de huidige gemeente. Zo heerste er een schout, die de rechtszaken behartigde. Ook betaalden de Lierenaren aparte ‘ambachts-belastingen’. Sinds wanneer De Lier een eigen ambacht vormde, is in de archieven nooit aangetroffen, maar al rond 1200 wordt de naam De Lier genoemd. Deskundigen van de historische werkgroep De Lier houden het voor mogelijk dat de bewoning rond De Lier al vee ouder is. In het Westland worden de laatste tijd bij opgravingen materialen uit de Romeinse tijd gevonden. Wie zal zeggen of het riviertje de Lee al in die tijd werd bevaren of bewoond ?

Ruzie
De nieuwe Lierse parochie had niet zo’n voorspoedige start. Vanaf haar oprichting hadden de bestuurders veel ruzie; om te beginnen over de eigendommen van de kerk. Het geslacht Uyterliere had namelijk twee stukken grond beschikbaar gesteld om er een kapel op te bouwen. De Duitse Orde, die de kerk beheerde, meende dat zijn nu eigenaar was geworden van de grond, wat de familie weer ontkende. Het incident paste in de voortdurende strijd wie de zeggenschap had over de Lierse kerk; de plaatselijke adel of de Duitse Orde.

De strijd leidde tot vreemde taferelen. Zo waren er op enig moment zelfs twee pastoors in De Lier. De strijd is uiteindelijk rond 1450 met een compromis beslecht. De parochie kreeg de eigendommen, de Duitse Orde kreeg het benoemingsrecht van de pastoor.

De ene ruzie was nog niet voorbij, of de volgende diende zich al weer aan. Nu met boeren van Maasland, die erg dicht tegen de Lee aan woonden. De grens tussen De Lier en Maasland liep namelijk (anders dan de parochie) over de Hoofdstraat. De boeren die pal aan de oostkant van deze dijk woonden, vielen formeel onder Maasland, maar maakten kosteloos gebruik van het schooltje, de vroedvrouw en de brandweer van De Lier. Dit dorpje was immers letterlijk aan de overkant van de weg, terwijl het dorp Maasland alleen in de verte, op vijf kilometer, zichtbaar was. De boeren hier wilden ook niet onder het ‘ambacht De Lier’ vallen, want de belastingen hier waren een stuk hoger.

Zo moesten voor deze bewoners, na menig strijd, veel regelingen tussen De Lier en Maasland worden getroffen. De Hollandse overheid greep in 1672 in. Die stelde vast dat de parochie een dorpsraad moest zijn voor alle personen die bij De Lier wonen. Voor die tijd een unieke instelling. Een dorpsraad was een heel vroege vorm van democratisch bestuur. De raad bestond nog tot na de Franse bezetting (rond 1800), maar werd toen verdrongen door de gemeenteraad. Er was nog even strijd, maar de dorpsraad verloor deze machtsstrijd. In 1817 viel het doek voor de dorpsraad. Pas honderd jaar geleden is de gemeentegrens van De Lier en Maasland definitief verschoven van de Hoofdstraat naar de Burgerdijkseweg.

De Dom
De Lierenaren (en de nabij wonende Maaslandse boeren) kerkten al sinds de vijftiende eeuw in De Dom, tegenwoordig het oudste monument van het dorp. De kerk was destijds kleiner dan nu. Bij uitbreidingen is de nieuwe kerk steeds om de oude kerk heen gebouwd. Opvallend aan de kerk is de stompe toren, die al bij de bouw scheefgezakt moet zijn. Op de scheve fundamenten hebben de bouwvakkers de stenen zo gestapeld, dat de toren uiteindelijk toch recht overeind staat. Aan de voet van De Dom zijn de scheef aflopende groeven nog steeds zichtbaar.

Heel vroeger heeft de toren een ui-vormige spits gehad. Deze spits is in juli 1572 echter afgebrand. Een blikseminslag was waarschijnlijk de oorzaak, maar helemaal zeker is dat niet. Het was immers ook de periode dat de Spanjaarden en de Geuzen rovend door dit gebied trokken. Wellicht zijn dus deze troepen de aanstichters van de brand in de spits van De Dom. Hoe dan ook, de spits is nooit herbouwd en het rechte dak is al eeuwen het herkenningspunt van De Lier. Minder bekend is dat de toren in de loop der eeuwen ook een paar meter in de grond is gezakt. Wie De Dom wil beklimmen, moet eerst een paar treden naar beneden.

Er gaan legendes dat er een onderaardse gang van de Domtoren naar het voormalige klooster Boekestijn aan de Burgerdijkseweg zou zijn. Bewoners van het kasteel zouden bij een belegering snel naar de vrijheid kunnen vluchten. Veel andere kastelen - denk aan Valkenburg - hebben ook zulke geheime gangen. Sommige Lierenaren beweren bij hoog en bij laag dat zij zich restanten of zelfs een ingang kunnen herinneren. Het graven van een onderaardse gang in de drassige veengrond rond De Lier is echter praktisch onmogelijk. Feit is dat bij de laatste restauratie van De Dom, in 1956, een betonnen plaat en enorme balken onder de toren zijn aangebracht. Als er al een doorgang was, dan is-ie nu door de plaat en balken belemmerd.

Halverwege de Domtoren was vroeger een cel gebouwd. Deze is nog tot bijna 1800 gebruikt om gespuis op te bergen. In 1793 werd een vrouw opgepakt, die zojuist zeven huizen in brand had gestoken. Voor die tijd, met de vele houten huizen en rieten daken, was brandstichting een zeer ernstig misdrijf. De schout liet haar als straf wurgen en blakeren. Het bladeren (roosteren) had tot doel dat haar lichaam bij de wederkomst van Jezus niet uit het graf zou kunnen opstaan.

Over het beheer van de cel was meermalen ruzie tussen de parochieraad en de schout. De schout wilde de zeggenschap over die cel, maar de parochieraad vond dat zij de baas was. De parochieraad ging toen zover dat zij de cel sloopte. De schout moest ten lange leste toegeven en de parochieraad herbouwde de cel. De Dom wordt tegenwoordig niet, zoals sommige andere kerken, omgeven door een begraafplaats. Wel schijnen er bij de restauratie in ‘56 veel botten en schedels te zijn aangetroffen. Een hele vrachtwagen met botten is weggereden om te worden herbegraven.

Tot aan de Franse tijd was het toegestaan om rijken in de kerk zelf te begraven. De uitdrukking ‘rijke stinkerds’ is daarvan afgeleid, omdat het voor de kerkbezoekers geen pretje was om naar de preek te luisteren, terwijl de walm van het ombindende lijk opsteeg. Vandaar dat men even buiten het toenmalige dorp een nieuwe plaats voor de overledenen inrichtte. De officiële begraafplaats was tot 1920 gelegen op het huidige grasveld bij de Bleijenburgbrug. De gedachte aan de begraafplaats is allang verdreven, gezien het immer drukbezochte Oranjebal dat tijdens de BraDeLier op deze plaats wordt gehouden.

Reformatie.
Het dorp heeft in de zestiende eeuw niet actief meegedaan aan de Beeldenstorm, maar de geloofsstrijd tussen rooms-katholieken en protestanten deed zich ook in De Lier voor. De Lierse parochie dacht aanvankelijk handig de Reformatie te overleven. In die tijd dat overal de katholieke kerken werden bestormd door calvinisten, verklaarde de Lierse pastoor Vos doodleuk dat hij nu een protestantse predikant was geworden. Hij heeft echter niet lang plezier gehad van zijn overstap. Want toen rond 1572 de Spaanse hertog van Alva op gezag van de Spaanse koning in Holland het gezag kwam herstellen, gooide hij de Lierse predikant in het gevang. Na drie jaar opgesloten te zijn geweest, werd de pastoor/ predikant alsnog ter dood gebracht. Alva had voor hem een katholieke opvolger benoemd, maar deze was ook geen lang leven beschoren.

Toen de Geuzen twee jaar later in het gebied de overhand kregen, gingen zij even hardhandig te keer om het calvinistische geloof aan de Lierse parochie op te dringen. De katholieke opvolger van pastoor Vos werd door de Geuzen dan ook een kopje kleiner gemaakt.

Met medewerking van Krien van Dijk en Anton van der Sande, werkgroep Oud-De Lier.


Een diesel gemaal als monument

Uit: Westlandsche Courant 28 juni 1996

De Lier - "Je moet mij maar niet te veel op de voorgrond stellen", zegt Kees de Vos aan het eind van het gesprek. "Het is de machine die het allemaal heeft gedaan al die jaren".
De Vos heeft inderdaad niet in eigen persoon dagelijks veertig kubieke meter water per minuut van de Oude Lierpolder naar de Lee gedragen. Wel heeft hij 28 jaar lang de oude dieselmotor Crossley gekoesterd en gepoetst.
De zwartglanzende dieselmotor in de molen zonder kap is te bezichtigen op de derde Molendag, die morgen in het Westland wordt gehouden. Elf andere molens zijn ook opengesteld voor publiek.

'Een stuk of zes, zeven' dieselmotoren telt het hoogheemraadschap  Midden-Delfland volgens De Vos. De zijne is de enige die nog kan werken. Hij demonstreert het de vijzel, het kurkentrekker-vormige schoepenrad, is binnen vijf minuten operationeel en 'tilt' het proestende en schuimende water uit de polder één meter tachtig omhoog. De huidige clustermachinist die het 'werk van De 'Vos (60) overnam sinds hij in december met de vut ging, laat de diesel regelmatig nog even lopen. Mocht het elektrische gemaal, dat sinds 1980 aan het Strijpkanaal draait, uitvallen dan springt de Crossley in. De laatste keer gebeurde dat afgelopen december (1995).

De Vos, elektromonteur van huis uit, had geen zin meer in een baas boven zich. Daarom werd hij in 1962 molenaar-machinist. Toen hij begon woonde er haast geen mens om hem heen. Met echtgenote Maart je (55) knapte hij het vervallen molenaarshuis op dat naast de molen staat. In huis hangt nog een foto van vóór 1929, toen de molen uit 1717 nog wieken had en op windkracht de uitgestrekte polder droog hield. Een andere, uit 1980, toont de molen zonder wieken en met plat dak, en de eerste huizen aan de horizon. Anno 1996 is de polder vrijwel geheel van glas.

De regen beheerste Jarenlang het leven van De Vos.'s Nachts eruit om te malen, overdag terug van het schoonmaken van de sloten als er een bui ging vallen. Eénmaal was' hij op weg naar een verjaardag maar kon alleen zwaaien naar het feestvarken in het voorbijrijden: weer een bui die hem naar de molen dreef. Maar erg vond hij het nooit, al is De Vos blij dat hij nu niet meer aan de lopende band afspraken hoeft af te zeggen.

Het puffen van het gemaal liep als een rode draad door het leven van de familie De Vos. Aan het trillen van de planten in de vensterbank konden ze zien of de Crossley rustig draaide. Als de borden niet goed opgestapeld in de kast stonden, trilden ze.
Tijdens het draaien smeerde De Vos de motor elk uur. Nog steeds is hij er geroutineerd in. Op de Molendag zal het koper van de olievaatjes blinken en schitteren. Al is de machinekamer sinds de komst van de nieuwe machinist wel veranderd. Er is een geluidscel in gebouwd.

"Komt door de Arbo-wet, die voorschrijft dat er maar veertig decibel geluid mag zijn", zegt De Vos met een twinkeling in zijn ogen die verraadt dat hij dat' ding', met toilet ernaast, maar niks vindt. Want zijn gemaal is toch iets van een monument, vindt hij. "Daar hoort een  ouderwets houten wc bij, buiten in de tuin, met een hartje in de deur".
Hijzelf ging trouwens altijd naar het toilet in zijn woonhuis naast de molen, maar dat ligt anders voor de uithuizige machinist, Die is er trouwens niet bij vandaag. Hij is naar een motorfestijn in Assen, Maar De Vos neemt morgen met veel plezier de honneurs waar.

Korenmolens
De molens die morgen kunnen worden bezichtigd zijn: de korenmolens in Schipluiden, Wateringen, Monster, 's-Gravenzande, Delft, Loosduinen
en Maassluis. Watermolens die meedoen zijn die in Maassluis, Hoek van Holland, Rijswijk, Maasland, Schipluiden. En dan is er natuurlijk de Crossley in De Lier.
Alle molens zijn open tussen negen en vijf uur. Voor f 3,50 is bij de molens een routebeschrijving verkrijgbaar voor een fietstocht langs de molens. Starten kan vanaf elke molen. Wie vijf of meer molens bezoekt ontvangt een aandenken. (Attentie dat was in 1996!)


Het is de machine die het allemaal heeft gedaan al die jaren”.
Geeft molenaar Kees de Vos z’n oude dieselmotor Crossley de eer die hem toekomt.
(Foto uit Westlandsche Courant)


De Lee Molen op 24 april 2001